14. VEDERSTRUCTUUR

 

Vogels onderscheiden zich van andere dieren door hun veren. Naar algemeen wordt aangenomen zijn de veren in de loop van het evolutieproces ontstaan uit schubben, zoals we bij reptielen aantreffen. Veren bestaan uit verhoornde opperhuidcellen, zoals onze nagels. Ze dienen ter bescherming tegen warmteverlies en als draagvlakken van de vleugels. Daarnaast zijn het de dragers van ongeëvenaarde kleurenvariaties.

Merkwaardigerwijze is de bevedering bij vrijwel alle vogels zeer onregelmatig over het lichaam verdeeld. De bevedering vormt dus geen gesloten geheel, maar de losse veertjes liggen naar een vast ontwikkelingspatroon gegroepeerd in verschillende veervelden (pterylae) verspreid over de huidoppervlakte. Tussen de verschillende veervelden liggen kleine gedeelten naakte huid, die door de veren van de pterylae bedekt worden (zie fig. 26).  

Het aantal veertjes is per vogelsoort zeer verschillend. Zowel het aantal veertjes per veerveld als het aantal vedergroeperingen is per vogelsoort erfelijk bepaald. M.a.w., het aantal veertjes ligt per soort vast en verandert niet tijdens het leven van de vogel.

We onderscheiden twee soorten veren:

a. donsveren, deze zijn zeer zacht en in hun omgrenzing veranderlijk;

b. contourveren; deze hebben een vormbestendige omtrek.

 

Het eerste jeugdkleed van de vogels bestaat uit dons. De donsveren hebben geen schacht, de baarden schieten rechtstreeks op uit de spoel en ze vormen dus geen vlag; ook de haakjes ontbreken.

De contourveren geven de vogel zijn vorm. Ze zijn onder te verdelen in:

a. de slag- en staartpennen;

b. de dekveren.

 

De slag- en staartpennen zijn zeer compact en luchtafsluitend van bouw. Ze hebben een eenvoudig kleurpatroon. De grasparkiet bezit aan elke kant 20 slagpennen, verdeeld in 10 grote slagpennen of handpennen en 10 kleine slagpennen of armpennen. Andere grote veren van de vleugel zijn de armdekveren, binnenste armpennen en de drie duimvleugelveren.

Het aantal staart- of stuurpennen van de grasparkiet is twaalf stuks: vijf paar trapsgewijs verlopende secundaire staartpennen  en één paar op elkaar liggende verlengde staartpennen, de zogeheten primaire staartveren.

De dekveren liggen over de bases van de slag- en staartpennen en omhullen verder het gehele lichaam. Ze worden genoemd naar de plek waar ze zich op het lichaam bevinden: vleugeldekveren, borstveren, stuitveren, onderstaartdekveren, enz.  

In fig. 27 ziet u een afbeelding van een contourveer. Deze bestaat aan de basis uit een doorzichtige holle spoel, welke overgaat in de geheel uit hoornstof bestaande schacht, waaraan zich aan weerszijden een vlag bevindt. De grote veren, bijv. de slagpennen, bezitten een smalle en een brede zijde. De smalle zijde wordt de voorvlag genoemd, de brede zijde is dan de achtervlag. De vlag bestaat uit baarden (rami), die in twee rijen op de schacht zijn ingeplant (fig. 27 detail 1). De baarden zijn aan weerszijden vertakt in baardjes (radii); aan de zijde van de veerbasis zijn ze glad, aan de andere zijde dragen ze haakjes (radioli) (fig. 28). Baardjes en haakjes dienen om de baarden bij elkaar te houden. Doorgaans spreken we alleen van haakjes; met haakjes bedoelen we dan de baardjes én de haakjes.  

Aan het onderste gedeelte van de veer zijn de baarden zeer dun en ontbreken de haakjes (baardjes en haakjes); dit is het dons van de veer. Over het algemeen is de kleur van het dons vrij primitief en voor de totaalkleur van geen betekenis. De kleurvorming vindt plaats in de baarden en haakjes aan de bovenste helft van de veer, zodat de veertoppen het meest kleurbepalend zijn. Onder de microscoop kunnen we zien dat de baarden vaak anders van kleur zijn dan de haakjes, maar zoals gezegd, is het de combinatie van baarden en haakjes die de kleur van de veer bepaalt. Ofschoon ook de schacht kleurstof bevat, is die vrijwel niet van invloed op de totaalkleur van de vogel.

 

 

De ontwikkeling van de veer

Reeds als de jonge vogel nog in het ei zit, ontstaat in de in ontwikkeling zijnde huidweefsels een papil, die steeds dieper in de huid wegzinkt, waardoor de papil tenslotte in het veerzakje, de veerfollikel, komt te liggen. Rondom de basis van ieder veerzakje bevindt zich de zogenaamde 'zone van differentiatie', bestaande uit gespecialiseerde cellen waarin zich enzymen bevinden die de aard en de vorm van de veer, de vorming of beletting van bepaalde kleurstoffen en het kleurpatroon genetisch bepalen. De veerpapil is rijk aan bloedvaten, die de veer in wording van de benodigde bouwstoffen voorzien. Er ontstaat een cilindervormige veerkiem, die rondom en aan de punt omgeven is door een dunne veerschede die met de veer meegroeit. Onder in het veerzakje wordt de spoel als een holle buis gevormd. De opperhuid die in dit stadium over de papil ligt, gaat dan binnen de bescherming van de veerschede de eigenlijke veer vormen. De holle buis zal daarbij tot schacht worden, de opperhuid vormt de baarden en de haakjes. Na deze vorming en naarmate de groei vordert, verhoornen de cellen van de top af, alleen in de spoel blijft binnen de hoornen buis enig levend weefsel over; de schede die de veerkiem nog steeds omgeeft, breekt en de elementen van de veer waaieren uit. De restanten van de schede worden afgestoten. Gedurende het groeiproces worden behalve bouwstoffen voor de groei van de veer ook bepaalde kleurstoffen in de veer afgezet.

In fig. 29 is de ontwikkeling van een dekveertje schematisch getekend.  

 

De kleurstoffen

De meest voorkomende kleurstoffen bij de vogels zijn de melaninen. Melanine is een polymere stof van onbekende structuur, van staafvormige, lensachtige of ronde vorm, die in de bevedering wordt gevormd. Bij melaninen spreken we doorgaans van korrels, maar in werkelijkheid zijn het uiterst kleine in hun omgrenzing veranderlijke zakjes, die met een bepaalde kleur melanine gevuld zijn. De in de bevedering van grasparkieten voorkomende melaninesoort is het staafvormige eumelanine, dat ontstaat uit het aminozuur tyrosine. Hoewel de omzetting van tyrosine in eumelanine een aantal trappen omvat, is voor de eerste trappen van de pigmentsynthese slechts één enzym, tyrosinase, verantwoordelijk. De eerste reacties leiden via 3,4- dihydroxyfenylalanine DOPA tot de stof DOPA quinone. Op het biosynthetische pad naar de vorming van eumelanine leiden verdere oxydaties tot leuco DOPA chrome en DOPA chrome. Vervolgens wordt DOPA chrome door het enzym dopachrome oxidoreductase omgezet in 5,6-dihydroxyindole. Door toedoen van opnieuw tyrosinase als oxidase wordt uiteindelijk 5,6-dihydroxyindole omgezet naar indole-5,6-quinone, een polymeer. In de laatste fase van de pigmentsynthese heeft via de tussenstof melanchrome de polymerisatie plaats tot zwart eumelanine. Valt de laatste trap van dit proces weg, dan is het eindproduct bruin eumelanine. De somtijdse afwezigheid van tyrosinase, dat evenals de kleuruiting van het eumelanine erfelijk wordt bepaald, resulteert in het ontbreken van melanine, wat albinisme wordt genoemd.

Fig. 30 tenslotte, geeft een overzicht van de pigmentsynthese

 

Een geheel andere kleurstof die we in de bevedering van grasparkieten aantreffen, is psittacine. Psittacine behoort chemisch gezien tot de carotenoïden. Carotenoïden zijn gele, oranje of rode kleurstoffen uit de groep der tetrapenen. De belangrijkste carotenoïden zijn onverzadigde koolwaterstoffen, zoals caroteen en alcoholen, zoals xanthofyl. Ze komen in vele plantensoorten voor en zijn aansprakelijk voor de kleur van bijvoorbeeld, de wortel, de paardebloem, de tomaat, maar ook van boter. Men onderscheidt 275 verschillende soorten carotenoïden. Carotenoïde kleurstoffen worden door de vogels via de voeding opgenomen. Via de spijsverteringskanalen komen ze in de bloedbaan, vanwaar de stof direct of indirect in de groeiende veer wordt afgezet. De intensiteit van de kleur wordt bepaald door het soort carotenoïde en de kwantiteit die is afgezet. Sommige vogels zijn in staat het basiscarotenoïde, luteïne (C40H56O2), direct als geel veerpigment in de bevedering op te nemen, andere soorten daarentegen, zoals bijvoorbeeld de kanarie, zetten het gele luteïne eerst om in xanthofyl. In de bevedering van grasparkieten treffen we twee typen geel psittacine aan:

1. Gewoon geel psittacine wat bij vrijwel alle papegaaiachtigen voorkomt.

2. Een type psittacine wat onder ultraviolet licht oplicht, ergo

   fluorescentie vertoont

Het onder 2 genoemde pigmenttype schijnt niet alleen bij de grasparkiet maar ook nog bij een aantal andere Australische papegaaiachtigen voor te komen o. a. bij de geelkuifkaketoe en de valkparkiet. Het wordt niet aangetroffen bij lori’s, agaporniden en de meeste Zuid-Amerikaanse soorten.

De scheikundige formules van deze biochemische afgeleiden van carotenoïde zijn niet bekend, voor de kweker ook niet van belang; immers geel is geel. Wel van groot belang is het feit dat de omzettingen in het vogellichaam van de via voedsel opgenomen carotenoïden geschiedt door enzymen, die door verschillende erfelijke factoren aangestuurd en beheerst worden.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden