15. BEKNOPTE ERFELIJKHEIDSLEER

 

 

De cel

De celtheorie beschouwt de cellen als de elementaire organismen, als de fundamentele eenheden van het leven zelf. Van alle biologische eenheden neemt de cel een heel speciale plaats in. De cel is namelijk de kleinste structurele eenheid van het levend organisme die blijvend tot leven in staat is. Ze meten slechts 20 tot 50 micron of anders gezegd 0,020 tot 0,050 mm. Het menselijk lichaam bijvoorbeeld is opgebouwd uit zo'n 12 biljoen - schrijve12.000.000.000.000 - cellen.

 

In beginsel vertonen alle cellen in het gehele planten- en  dierenrijk dezelfde ingewikkelde basisstructuur. Elke cel bestaat  uit een cellichaam (cytoplasma) en een celkern (nucleus). Het cellichaam is aan de buitenzijde begrensd door een meerlagig vlies: de zogenaamde celmembraan (plasmalemma). De celmembraan is  zeer flexibel en reguleert het in- en uittreden van stoffen door diffusie en de actieve resorptie en secretie. Het cytoplasma van de cellen bestaat uit bepaalde georganiseerde onderdelen die we als organoïden van de cel kunnen beschouwen. In het grondplasma (hyaloplasma) van het cellichaam ligt een netwerk van kleine kanaaltjes die min of meer met elkaar in verbinding staan en een doorlopend geheel vormen met de kernmembraan, die de celkern van het cellichaam scheidt; samen vormen ze het endoplasmatisch reticulum (ergastoplasma). De wand van deze uiterst fijnekanaaltjes is bezet met ribosomen, die echter ook wel vrijliggend in het grondplasma voorkomen. De ribosomen vervullen een taak bij de eiwitsynthese. Andere lichaampjes zijn de mitochondriën, de lysosomen en de lichaampjes van Golgi, welke laatste groepsgewijs om het centriool liggen. De mitochondriën beheersen de stofwisseling in de cel; ze worden wel de 'krachtcentrale' van de cel genoemd. Over de functies van de lysosomen, die een rol bij de vertering in de cel schijnen te spelen, en de Golgi-lichaampjes is nog niets met zekerheid bekend. Het centriool ligt in een speciaal plasma, centroplasma geheten. Het speelt zoals we straks zullen zien een belangrijke rol bij de celdeling. Middenin het cellichaam bevindt zich de celkern. Deze is door een dubbellagig membraan van het cytoplasma gescheiden. Door dit membraan vindt uitwisseling van stoffen plaats tussen cytoplasma en celkern, hetgeen beslissend is voor de stofwisseling van de cel en de vorming van alle stoffen, daar alle bouwstoffen voor de ontwikkeling en de functie van het kernlichaam uit het cytoplasma betrokken moet worden.

Het inwendige van de celkern ziet er uit als een netwerk van een geleiachtige substantie, die chromatine wordt genoemd. Voor het overige bestaat de celkern uit kernvloeistof en de nucleolus of het kernlichaampje. De tekening (fig. 39) toont de structurele bestanddelen van de cel en zal een en ander stellig verduidelijken.

 

Fig. 39

 

A. meerlagig vlies (celmembraan)

B. endoplasmatisch reticulum

C. mitochondriën

D. lysosomen

E. nucleolus

F. chromatine

G. poriën in de kernmembraan

H. Golgi-lichaampjes

l.  centriool

J. centroplasma

K. hyaloplasma

L. ribosomen

M. kernmembraan

 

 

De chromosomen

De chromatinedraden zijn a.h.w. de gestrekte vorm van de chromosomen; ze vormen de grondstructuren van de celkern. De chromosomen treden bij elke plant- en diersoort in een vast aantal op. Elk chromosoom is dubbel aanwezig, d.w.z. de celkern bevat een dubbel stel chromosomen. Zo heeft de mens 46 chromosomen of te wel 23 paar. Een menselijke huidcel heeft evenveel chromosomen als een menselijke levercel, dus altijd 23 paar. Het aantal chromosomen is karakteristiek voor de diersoort. Zo heeft een hond 70, een kat 38, een muis 40 en een bananenvlieg 8 chromosomen. En de vogels? Bij grasparkieten ging men in het verleden uit van 26 chromosomen of 13 paar, bij vinkachtigen zoals kanaries van 18 chromosomen of 9 paar. Vogels bezitten naast de gewone chromosomen, de macrochromosomen, nog een aantal zeer kleine chromosomen, de microchromosomen. De microchromosomen zijn zo klein dat ze ook bij de sterkste vergroting nauwelijks te herkennen zijn. Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat grasparkieten 60 chromosomen bezitten, waarvan 26 macrochromosomen. Kanaries bezitten 80 chromosomen, waarvan 18 macrochromosomen. Belangrijk is dat u onthoudt dat de chromosomen altijd twee aan twee gelijk zijn, dus paren vormen. We spreken derhalve altijd van chromosomenparen, dus grasparkieten 30 paar, kanaries 40 paar chromosomen.  

Op de afbeelding (fig. 40) zien we een chromosomenkaart van een gewerveld mannelijk dier, waarop de 28 chromosomenparen in kaart zijn gebracht. Rechts onderaan het met X en Y aangegeven paargeslachtschromosomen, waarop ik later uitvoerig terugkom.

 

 

Fig. 40

 

Kern- en celdeling

De wezenlijke verschijnselen van de voortplanting spelen zich af in de cellen. De eencellige dieren vermenigvuldigen zich eenvoudig door celdeling. Wanneer ik hier eenvoudig zeg, bedoel ik eenvoudig in vergelijking met de hogere diersoorten. Beslist niet eenvoudig zijn de prestaties van de eencellige wezens. Immers, de eencellige kan tegelijk alle levensfucties vervullen, die bij de veelcellige diersoorten verdeeld zijn over afzonderlijk voor deze speciale taken gedifferentieerde cellen. Een eencellige diersoort die zeer dicht bij de eerste vorm van dierlijk leven staat en mogelijk zelfs het eerste klompje protoplasma representeert waaruit het dierlijk leven is ontstaan is de Amoebe proteus. Dit in vrijwel alle plassen en sloten voorkomende diertje is ondanks haar ogenschijnlijke eenvoud instaat zich te voeden, zich te beschermen en zich voort te planten en voldoet hiermede aan de drie belangrijkste kenmerken van elk levend organisme.

 

Tegenover het samenhangend cytoplasmalichaam van het eencellige dier, zoals de amoebe, staan de veelcellige organismen. In principe is elke cel van het veelcellige individu gelijk aan een amoebe. Natuurlijk zijn er wijzigingen en ook de vorm en grootte van de cellen verschillen. Niettemin kunnen we ons het veelcellige individu voorstellen alsof ontelbare amoeben zich samengevoegd hebben tot één grote gemeenschap, waarin bepaalde cellen zich bezig houden met de ademhaling, andere met de spijsvertering, weer andere met de voortplanting enz.

 

Elk veelcellig organisme, groot of klein, begint zijn leven als één enkele cel. In hoofdstuk 12 hebben we gezien dat door het samengaan van een mannelijke zaadgameet en een vrouwelijke eigameet een nieuwe cel ontstaat. De groei, ontwikkeling en instandhouding geschiedt d.m.v. voortdurende celdeling. Een belangrijk feit is, dat zowel de celkern als het cellichaam elk een deel van zichzelf aan het nieuw te vormen celindividu leveren. Uit één cel ontstaan twee cellen, uit twee cellen ontstaan er vier, uit vier acht, zestien enz. Na verloop van tijd heeft zich een groep cellen gevormd. Vervolgens treedt er een celdifferentiatie in drie lagen op, die ektoderm, entoderm en mesoderm genoemd worden. Vanuit deze drie cellenlagen zet de differentiatie zich steeds verder voort en ontwikkelen zich de weefsels, zoals het bind-, steun- en bloedweefsel, de orgaanweefsels en het zenuwweefsel. De verschillende celdifferentiaties zijn cytoplasmadifferentiaties, waarin de kern geen direct aandeel heeft.

 

De celdeling van de lichaams- of somatische cellen en de voortplanting door middel van celdeling van de eencellige dieren,waarbij de grondstructuren van de cel, cytoplasma en celkern, van  generatie tot generatie worden overgedragen, noemen we mitose. Ofschoon de deling van de cel een continuproces is, worden de stadia van de deling voor de goede orde onderverdeeld in vier fasen. Deze zijn: profase, metafase, anafase en telofase.

 

Fig. 41

 

 

Beginnen wij bij de profase dan zien we dat de chromosomen als een wirwar van spaghetti-achtige draden uit het netwerk van de kern te voorschijn komen (fig.41B). Vervolgens gaan zich de chromosomen verkorten en verdikken (fig. 41C), terwijl ze door een omhullende laag, de zogenaamde matrix omgeven worden. Elk chromosoom vertoont nu een overlangse splitsing die het in twee helften deelt. Zo'n helft wordt chromatide genoemd. Een chromosoom bestaat eigenlijk uit een dubbele spiraal (fig. 42).Tijdens de interfase-toestand worden de chromosomen nauwkeurig gekopieerd, waarbij ik nog eens wil benadrukken dat er geen geheel nieuw chromosoom wordt gekopieerd, doch dat aan de enkele spiraal (chromatide) een nieuwe chromatide wordt opgebouwd, waarbij de bestaande chromatide als matrijs dient, zodat er weer een dubbele spiraal ontstaat en dus weer een volledig chromosoom. De hiertoe benodigde bouwstoffen worden aan het cytoplasma onttrokken.

 

Fig. 42.

 

 

Vervolgens lost zich de nucleolus op in het kernvocht en ook de kernmembraan begint te verdwijnen (fig. 41D). Tegelijkertijd deelt het naast de celkern gelegen centriool zich in tweeën. Elk verplaatst zich naar de tegenoverliggende zijde van de kern en vormt een zogenaamd poolfiguur. Tijdens de metafase ontstaan tussen de beide centriolen straalsgewijze vezelachtige plasmadraden die zich aan de chromosomen hechten en deze rangschikken in de middellijn van de ontstane spoel (fig. 41E). De scheiding van de chromatiden, elk omgeven door zijn eigen matrix, is nu een feit. In de hierna volgende anafase worden de chromatiden uiteengetrokken in de richting van de centriolen (fig. 41F). Van nu af aan vormen de uiteengetrokken chromatiden de chromosomen van het volgende celindividu.

 

Tenslotte wordt tijdens de telofase het cytoplasma door insnoering in tweeën gedeeld. De chromosomen die omgeven door een dichte massa, de matrix, bij de polen zijn aangekomen, worden weer langer. Samen met de matrix, die oplost, vormen ze weer een gelatineachtig netwerk met een nieuw gevormd kernlichaampje en omgeven door een nieuw gevormde kernmembraan (fig. 41H). De celdeling is nu voltooid. Elk van de twee dochtercellen bevat hetzelfde aantal chromosomen als de oorspronkelijke moedercel.

 

In fig. 43 is de deling van de kern, waarmee de celdeling begint, nog eens schematisch weergegeven. In fig. 43 bovenaan een  celkern met 2 paar chromosomen. In fig. 43 midden hebben de chromosomen zich overlangs gesplitst in chromatiden. Elke chromatide zorgt voor zijn complement en vormt weer een chromosoom. Tenslotte toont fig. 43 onder de nieuw gevormde celkernen, waarin elk van de twee een deel van de oorspronkelijke moederkern ontvangen heeft.

 

Fig. 43

 

 

Voortplantingscellen

Tegenover de lichaamscellen, die zich tot weefsels samengevoegd hebben en de cellen die zich vrij in de lichaamsvloeistof voortbewegen, staan de kiem- of voortplantingscellen, die zich van het lichaam afzonderen. Voortplantingscellen verrichten geen enkele dienst in de lichaamshuishouding, maar blijven oorspronkelijk, tot alles in staat en zijn potentieel onsterfelijk; d.w.z., ze sterven niet uit innerlijke noodzaak zoals de lichaamscellen door ouderdomsgebreken, maar bezitten evenals de amoebe, die door deling opgaat in haar beide nakomelingen, het vermogen tot eeuwig leven. Door de voortplantingscellen wordt de ononderbroken opeenvolging van de bij de soort behorende eigenschappen en kenmerken door de generaties heen voortgedragen. De voortplantingscellen dragen in hun kernen de code van hun kenmerk. M.a.w., de cellen 'weten' wat ze moeten worden en vormen de enige schakels tussen ouders en nakomelingen.

 

Het ei van een vogel is in feite niets anders dan een vrouwelijke voortplantingscel of geslachtscel, die we eicel noemen. Midden in het vogelei, omgeven door een laag eiwit dat als voedsel dient voor de opgroeiende jonge vogel, bevindt zich de dooier, die de eigenlijke eicel vormt. De dooier lijkt zo op het oog een vrij homogene massa, maar als we wat beter kijken, vinden we op een bepaalde plaats van het dooieroppervlak het kleine bolletje protoplasma drijven waarin zich de celkern bevindt. Het overgrote deel van de eicel is voedingsstof voor de eicel en voor ons maar bijzaak (zie fig. 24).

 

 

 

 

Uit één oorspronkelijke voortplantingscel ontstaan in het mannelijk organisme vier zaadcellen; uit één oorspronkelijk voortplantingscel van de pop komt echter slechts één eicel tot volledige ontwikkeling, de overige drie gaan verloren. De verklaring hiervoor - ik zei het reeds – houdt verband met het verschil in delingscentrum en de taak van de zaad-en eicel (zie ook fig. 44). Tijdens de rijping maken de eivormende cellen een groeiperiode door, waarbij veel grondplasma (dooier) wordt gevormd. De zaadcellen daarentegen zijn kleine bewegingscellen, praktisch zonder cellichaam. Vóór de bevruchting vindt zowel in de eicellen als in de zaadcellen een bijzonder soort deling plaats, waarbij het aantal chromosomen tot de helft van het normale aantal wordt gereduceerd. Hierdoor worden de geslachtscellen als het ware rijp gemaakt voor de bevruchting.                                     

 

Schema van de verdeling van de geslachtschromosomen bij de rijping van de geslachtscellen bij de man en de
pop en samenkomst van de gameten bij de bevruchting. Links eirijping, rechts rijping van de zaadcel.

 

De bevruchting

Tijdens de bevruchting verenigt zich een mannelijke geslachtscel,de zaadcel, met een vrouwelijke geslachtscel, de eicel. Het product van de samenkomst van een zaadcel met een eicel is de bevruchte eicel of zygote. De mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen noemt men algemeen gameten. De eigameten leveren de kern met de helft van het normale aantal chromosomen en het cytoplasmalichaam met de voedingsstoffen voor de opbouw van het jonge organisme; de zaadgameten dragen eveneens de kern met de helft van het normale aantal chromosomen bij, doch slechts zeer geringe hoeveelheden cytoplasma. Ieder ouder draagt dus evenveel chromosomen bij aan de totstandkoming van de bevruchte eicel, en wel elk de helft van het normale aantal, terwijl de mannelijke en de vrouwelijke gameten wat de andere bestanddelen van de cel betreft op zijn minst kwantitatief sterk van elkaar verschillen.

 

Elk van de beide geslachtscellen draagt dus een enkelvoudig stel chromosomen bij. Deze versmelten niet met elkaar, maar blijven naast elkaar in de bevruchte eicel bestaan. Aangezien alle cellen van de bevruchte eicel afstammen, is er in iedere cel, tot welk orgaan ze ook behoort, naast elk chromosoom van de vaderlijke kant een in voorkomen geheel gelijk moederlijk chromosoom aanwezig. Van elk chromosomenpaar is het ene chromosoom dus van de zaadkern, het andere van de eikern afkomstig. Grasparkieten bezitten in alle cellen van het lichaam 30 paar chromosomen: naast 29 paar gewone chromosomen of autosomen 1 paargeslachtschromosomen, waaraan de geslachtsverdeling gekoppeld is. Paarsgewijs hebben de chromosomen dezelfde vorm en inhoud, doch onderling verschillen ze zowel in grootte als in vorm. Een uitzondering op de gelijkvormigheid van het paar vormen de geslachtschromosomen van de pop. Deze duiden we met de formule XY (ZW)* aan. De geslachtschromosomen van de man worden met de formule XX (ZZ)* aangegeven.

 

* In de wetenschappelijke literatuur worden de geslachtschromosomen van de vrouwelijke vogels met ZW aangeduid, die van de mannelijke vogels met ZZ)

 

Meestal is het geslacht dat twee X-chromosomen bevat, het vrouwelijke en datgene, dat een X- en een Y-chromosoom bevat, het mannelijke. Zo is het ook bij de mens. Bij de vogels en ook bij de vlinders is dit dus juist omgekeerd en is het vrouwelijke geslacht heterogametisch en het mannelijke geslacht homogametisch. In fig. 45 is een eicelkern met 12 paar autosome en 1 paar geslachtschromosomen afgebeeld.

 

 

 

Fig. 46                                                                                                                                                 Fig. 47

 

 

 

 

De rijpingsdeling

Eerder heb ik al verteld dat de bevruchte eicel en alle hiervan afstammende lichaamscellen normaal 2 stel chromosomen bezitten of 'diploïd' zijn. De rijpe zaad- en eicellen (zaad- en eigameten) daarentegen bezitten slechts een enkelvoudig stel chromosomen, ze zijn 'haploïd'. De overgang van de diploïde naar de haploïde toestand bestaat uit een reeks processen die we samenvatten onder de naam meiose. Aan de hand van een schematische voorstelling zullen we een en ander op de voet volgen.

 

De bijzondere deling van de geslachtscellen, de rijpingsdeling, voltrekt zich in twee stadia. Bij de eerste deling die reductiedeling wordt genoemd, worden de homologe, dus de van de vader en de moeder afkomstige chromosomen van het paar, van elkaar gescheiden (fig. 46a,b). Dus A wordt van a gescheiden, B van b, C van c en D van d. Er hebben zich nu twee cellen gevormd (fig. 46c), die zich opnieuw in twee gelijke cellen delen, d.w.z. de gesplitste helften van de chromosomen worden gescheiden (fig.46d). Deze deling is, anders dan de reductiedeling, een equatiedeling en komt overeen met de mitose. Vóór de beide delingen, dus in de fase dat de homologe chromosomen en de in chromatiden gesplitste chromosomen nog bij elkaar zijn, is er sprake van een vierstrengenstadium. Immers, ten gevolge van de gepaarde homologe chromosomen en de overlangse splitsing zijn telkens 4 chromatiden tot een groep van 4 als een soort spiraal om elkaar heen gewonden (fig. 47).

 

In het verloop van de meiose wordt aan het gesplitste chromosoom,dus aan de chromatide, een nieuwe chromatide opgebouwd, waarbij de bestaande chromatide als matrijs dient, zodat ook de eventueel opgetreden mutaties, die in de oorspronkelijke chromatiden zijn vastgelegd, aan de nieuw op te bouwen chromatide worden overgedragen. Op deze wijze wordt het oorspronkelijke chromosomenpaar van 2 chromosomen of te wel 4 chromatiden verdubbeld tot 8 chromatiden, zodat elk van de 4 te vormen  gameten een volledig chromosoom ontvangt, bestaande uit 2 chromatiden van het oorspronkelijke paar chromosomen.

 

Tijdens de reductiedeling worden de chromosomenparen van elkaar gescheiden. Deze scheiding geschiedt echter geheel willekeurig. In fig.46c zijn de chromosomen A,b,C en d in de ene dochtercel,de chromosomen a,B,c en D in de andere dochtercel terechtgekomen. Elke andere combinatie is mogelijk. Niet mogelijk is echter, dat beide chromosomen van een homoloog chromosomenpaar in dezelfde dochtercel belanden. Ergo de combinatie A en a in dezelfde cel is uitgesloten. Het is duidelijk dat de reductiedeling van grote invloed is op de gameetvorming, want in dit geval zijn er 16 mogelijkheden. Kijkt u zelf maar eens:

 

A b C d   A b c D   a B c D   a B C d

A B C D  A B c d   a b c d    a b C D

A b C D   A B c D  a B c d   a b C d

A B C d   A b c d   a b c D   a B C D

 

Ofschoon er altijd zowel van vaders als van moeders kant telkens 4 gameten gevormd worden, waarvan er telkens maar één de kans krijgt voor het nageslacht te zorgen, zijn het aantal combinaties bij meerdere chromosomenparen vanzelfsprekend groter. Bij de pop komt er maar één eigameet tot volledige ontwikkeling, de overige 3 gaan verloren. Bij de man worden wél 4 rijpe zaadgameten gevormd. Waarom dit zo is, heb ik hiervoor al verklaart.

 

Bij de bevruchting verenigt zich één van de vier zaadgameten met de volledig tot ontwikkeling gekomen eigameet, beide met een enkelvoudig chromosomengarnituur, tot een volledige cel en spreken we van een bevrucht ei. De schematische voorstelling, waarbij ik voor de duidelijkheid van slechts 2 paren chromosomen ben uitgegaan, zal e.e.a. stellig verduidelijken. In werkelijkheid zijn er in de cellen van grasparkieten echter 30 paren chromosomen aanwezig. In de bevruchte eicel bevinden zich dus het halve aantal chromosomen van de man (één chromosoom van elk paar) en het halve aantal van de pop, waarmee tevens verklaard is waarom de jongen de helft van de vaderlijke en de helft van de moederlijke eigenschappen bezitten. Doordat bij de bevruchting slechts één zaadgameet met één eigameet samenkomt, zijn er dus 4 x 4 = 16 combinaties mogelijk, waarvan er slechts één de kans krijgt zich te ontwikkelen (fig. 48).

 

Gameetcombinaties:

a+e  b+e  c+e  d+e

a+f   b +f  c+f   d+f

a+g  b+g  c+g  d+g

a+h  b+h  c+h  d+h

 

Fig. 48

 

Wie van de 4 zaadgameten welke eigameet zal bevruchten, berust op toeval. Het verklaart echter wel het feit dat uit een nest met bijvoorbeeld 4 eieren verschillend gekleurde jongen geboren kunnen worden omdat de gameten met betrekking tot hun erfelijkheidsfactoren van elkaar kunnen verschillen en er bij elk bevrucht ei weer andere combinaties mogelijk zijn.

 

Het begrip erfelijkheid

De grondpatronen van de cellen, cytoplasma en kern, die bij de fundamentele processen van celdeling, bevruchting en rijpingsdeling in een ononderbroken opeenvolging van generatie op generatie worden doorgegeven, worden erfelijkheidsfactoren genoemd. Bij de celdeling worden de erfelijke factoren onveranderd aan de dochtercellen doorgegeven. Bij de bevruchting worden de erfelijke factoren uit ei- en zaadcel met elkaar verenigd; ze vormen gezamenlijk het idiotype of de erfelijke aanleg van het nieuwe individu.

 

Indien de ei- en zaadgameet elk dezelfde erfelijke factoren bezitten, is het individu dat zich uit de bevruchte eicel ontwikkelt homozygoot; bevatten de beide gameten van elkaar verschillend erfelijke factoren, dan is het individu dat zich uit de bevruchte eicel ontwikkelt heterozygoot. Nakomelingen uit een kruising tussen twee verschillende, aan elkaar verwante soorten of rassen noemen we algemeen hybriden of bastaarden. Monohybriden zijn bastaarden waarvan de ouders in één erfelijke eigenschap, bijvoorbeeld kleur, van elkaar verschillen. Onderscheiden zich de ouders in twee, drie of meer erfelijke eigenschappen van elkaar, dan spreken we achtereenvolgens van di-, tri- en polyhybriden. De beide verschillende ouders van een zuiver ras waar we bij een kruising van uitgaan, noemen we de P-generatie (parentes = ouders) of het P-ras. Het symbool voor de man is P1, voor de pop P2. Hun jongen vormen de F1-generatie (1e filiigeneratie of 1e bastaardgeneratie). Kruisen we deze jongen onderling, dus F1 x F1, dan vormen de jongen de 2e bastaardgeneratie of F2. De nakomelingen uit F2 x F2 vormen de F3-generatie, enz. De nakomelingen uit de terugkruising van de F1-generatie met een van de beide ouders van het P-ras duiden we aan met R. Een F1-individu teruggepaard aan de moeder geven we als volgt aan: F1 x P2 = R2; teruggepaard aan de vader wordt dat F1 x P1 = R1.

 

Onder erfelijkheid verstaan we het feit dat de nakomelingen zich ontwikkelen tot wezens die op de ouders gelijken. Het is echter een feit dat ze ook van hun voorzaten verschillen en dat de nakomelingen van eenzelfde ouderpaar onderling eveneens verschillen. Door de erfelijkheidsfactoren wordt slechts de wijze vastgelegd waarop het individu in alle fasen van zijn ontwikkeling op bepaalde, in het verloop ervan optredende in- en uitwendige omstandigheden reageert. Of anders gezegd: het idiotype, dus het gehele complex van erfelijke factoren van een wezen, bepaalt een zekere reactienorm, die ontwikkelingsvermogens en -mogelijkheden voorstelt, welke zowel naar boven als naar beneden door een zgn. realiteitsgrens begrensd is. Binnen deze grenzen kunnen bepaalde omstandigheden invloed uitoefenen en veranderingen in de verschijningsvorm van het individu teweegbrengen. Samenvattend kunnen we zeggen dat de erfelijkheidsfactoren op de eerste plaats en voor het grootste deel verantwoordelijk zijn voor de overgang van de ouderlijke eigenschappen en kenmerken op hun nakomelingen, doch dat onder invloeden van buitenaf in combinatie met de bij elke levensvorm aanwezige drang om te veranderen, er kleine variaties in de uiterlijke verschijningsvorm van het individu optreden. Erfelijk is dus alleen de aanleg, d.w.z. het vermogen om op bepaalde omstandigheden met een bepaalde ontwikkeling te reageren, nooit de ontwikkeling zelf.

 

Het geheel van verwezenlijkte kenmerken, de uiterlijke verschijningsvorm van een wezen, noemen we zijn fenotype. De verschillende verschijningsvormen die een wezen met een bepaalde
erfelijke aanleg onder invloed van de omstandigheden die er op inwerken kan aannemen, duiden we aan als modificaties. Dikwijls houden modificaties slechts geringe veranderingen in de graad van de kenmerkvorming in, doch er kunnen ook grotere veranderingen optreden. Nooit kan een verschijningsvorm buiten zijn realisatiegrenzen veranderen. Velen beweren dat de ontwikkeling van plant en dier voor 50% afhangt van zijn erfelijke aanleg en voor de resterende 50% van de omstandigheden waaronder ze opgroeien. Hoewel men over de procentuele verhouding van mening kan verschillen, staat één ding vast: hoe groot de macht van de erfelijke factoren ook moge zijn, altijd zullen milieuomstandigheden enige vrijheid hebben te schaven, niet alleen aan groei en uiterlijke vorm, maar aan elke eigenschap. Samenvattend kunnen we zeggen, dat de erfelijke aanleg slechts in zoverre tot uitdrukking kan komen als de omstandigheden het toelaten, doch anderzijds kunnen zich de omgevingsinvloeden op de ontwikkelingen slechts in zoverre doen gelden als de reactienorm die door de erfelijke aanleg bepaald is, er gevoelig voor is.

 

Vele erfelijke factoren die ontwikkelingen van soort- en raskenmerken bepalen, bevinden zich in de chromosomen; ze worden genen genoemd. Het gehele genencomplex dat een wezen bezit noemen we zijn genotype. Ofschoon van geheel andere erfelijke aard worden de bij voortduring in stand gehouden eigenschappen van het cytoplasma, evenals de eigenschappen van de chromosomen, tot bestanddelen van het idiotype gerekend. De erfelijke aanleg van een wezen omvat dus tweeërlei erfelijke factoren: de genen waarop de wetten van Mendel betrekking hebben, en hoedanigheden van het cytoplasma, de zogenaamde buiten- of extrachromosomale erfelijke factoren. Het totale extrachromosomale erfelijke materiaal dat een wezen in zijn erfelijke gesteldheid bezit, wordt zijn plasmotype genoemd. Over de aard van de buitenchromosomale erfelijke factoren is tot nu toe slechts weinig met zekerheid bekend. Vast staat dat een zekere hoeveelheid extrachromosomaal materiaal altijd onontbeerlijk is voor het verdere voortbestaan ervan, want celkernen die ervan verstoken zijn, kunnen het niet produceren en ze kunnen zich ook niet delen. Voorts blijkt in de fokpraktijk dat niet tussen alle vogelsoorten van een verwante groep kruisingen met goed gevolg mogelijk zijn, dat bijv. bastaarden tussen bepaalde soorten in een vroeg ontwikkelingsstadium afsterven. Dit verschijnsel kan veroorzaakt worden door het feit dat de chromosomen niet bij elkaar passen, maar ook doordat het eicytoplasma en de zaadkern 'vreemd' zijn voor elkaar. Bij de kruisingen die wij als grasparkietfokkers toepassen, hebben we met plasmatische erffactoren nauwelijks iets te maken, daar uitsluitend rassen van een soort (grasparkieten onderling) gekruist worden, die zich alleen in hun genenstructuur en niet in hun cytoplasmahoedanigheden van elkaar onderscheiden.

 

De Mendelfactoren of genen

De man die als eerste consequente kruisingsproeven met plantenrassen uitvoerde met de bedoeling de erfelijkheidsregels op te sporen was de Oostenrijkse monnik Johann Gregor Mendel (1822-1884). De resultaten van zijn proeven en de algemeen geldende wetten voor de verdeling van de erfelijke factoren - Gelijkvormigheidswet, Splitsingswet en Onafhankelijkheidswet - die hij daarbij vond, publiceerde hij in 1865 in het verenigingsblad van de 'Naturforschender Verein' te Brünn. Aanvankelijk miskend, vonden deze wetten algemeen erkenning sedert de herontdekking ervan in 1900 door C. Correns uit Tübbingen, E. Tschermak uit Wenen en Prof. Hugo de Vries uit Amsterdam. Men noemt ze thans de wetten van Mendel. Deze wetten vormen de basis voor de moderne erfelijkheidsleer. Ik zal u niet vermoeien met de letterlijke tekst van deze wetten, daar deze u waarschijnlijk net als Mendel's tijdgenoten weinig zal zeggen. Beter lijkt het mij hetgeen Mendel voor ons ontdekte met enkele praktische voorbeelden te verklaren.

 

Elk kenmerk, bijv. de kleur, wordt door een erfelijke factor bepaald, die dubbel aanwezig is en wel in twee bepaalde chromosomen die samen een paar vormen. De erfelijke factoren, genen geheten, liggen als kleine schijfjes in een vaste lineaire rangschikking in het chromosoom, waarbij elk schijfje een gen voorstelt. Elk gen heeft dus een vaste plaats in het chromosoom. De met elkaar overeenkomende genen in het chromosomenpaar vormen samen een genenpaar en de verschillende vormen van een gen die de oorzaak zijn van een bepaald kenmerk (bijv. kleur) noemt men allelomorfen of allelen. Ieder individu bezit dus voor elk kenmerk één genenpaar. Daarvan wordt door elk ouderdier bij de bevruchting één gen bijgedragen. Immers, een gameet bevat slechts een enkelvoudig stel chromosomen, ergo ook slechts één gen, dat bij een bepaald kenmerk behoort. Wanneer nu twee ouderdieren allelen van een verschillend soort aan hun nakomelingen bijdragen (bijv. voor de ontwikkeling van een verschillende lichaamskleur), is het ene allel in staat de werking van het andere te overheersen.

 

Als praktisch voorbeeld kruisen we een groene grasparkiet man met een blauwe pop of omgekeerd een blauwe man met een groene pop. In beide gevallen zijn alle F1-nakomelingen uiterlijk groen. De groene lichaamskleur (wildvormkleur) is bij grasparkieten dominant over de blauwe lichaamskleur of, om in de taal der erfelijkheid te spreken, het dominante kenmerk. De blauwe kleur wordt overheerst en is het recessieve kenmerk. De verdeling van de erfelijkheidsfactoren is steeds zodanig, dat elk jong één allele ontvangt van het kenmerkenpaar waarin de beide ouders van elkaar verschillen. In dit geval één allele van het groene en één van het blauwe kenmerkenpaar (zie fig. 49 bovenaan; het 'groene' allele is zwart gemaakt, het 'blauwe' is wit gehouden). We zeggen dat zo'n jong uiterlijk groen is, doch split voor blauw. Dat geven we op deze wijze aan: groen/blauw. Split wil zeggen dat de kleur die achter de deelstreep staat recessief is ten opzichte van de kleur die ervoor staat. Tevens maakt u hier kennis met het feit dat een bepaald kenmerk, in dit geval de blauwe lichaamskleur, in de erfmassa van een wezen aanwezig kan zijn zonder zich uiterlijk te vertonen.

 

 

F. 3

 

Fig. 49

 

Paren we nu bijv. een DD-groene (olijfgroene) grasparkiet man aan een groene (lichtgroene) pop, dan zijn alle F1-nakomelingen D-groen (donkergroen). Kijken we nog eens even bij fig. 49 bovenaan. Het zwart gemaakte allele stelt nu de kleur DD-groen (olijfgroen) voor, het allele voor groen (lichtgroen) is wit gehouden. Elk jong uit deze paring krijgt één allele van het DD-groen (olijfgroene) en één allele van het groene (lichtgroene)kenmerkenpaar. Alle jongen vertonen in de ontwikkeling van hun lichaamskleur een bastaardkarakter. De D-groene (donkergroene) kleur is immers noch dat van de een noch dat van de ander van de ouders. Het nieuwe kleurkenmerk staat tussen beide vormen van het uitgangskenmerk in. Een dergelijke kenmerkvorming noemen we intermediair. In elk van de zo-even behandelde gevallen zijn de F1-bastaarden onderling gelijk, waarbij het om het even is of men de ene kleurslag als vader en de andere als moeder gebruikt of omgekeerd (reciproke kruising). Uit de 1e wet van Mendel, de Gelijkvormigheidswet, leren we dus dat alle bastaarden uit een reciproke kruising aan elkaar gelijk zijn, dezelfde erfelijke aanleg bezitten, hetgeen betekent dat de vaderlijke en moederlijke gameten voor de overdracht van de erfelijkheidsfactoren gelijkwaardig zijn. Alle bastaarden in F1 zijn heterozygoot. Immers, in het bij het kenmerk behorende genenpaar bezitten ze ongelijke allelen.

 

Kruisen we vervolgens de F1-bastaarden onderling, dus broer x zus, dan blijft de gelijkvormigheid van de kenmerken niet behouden, maar verschijnen er F2-nakomelingen, die niet alleen onderling verschillen, maar waarin tevens de kleurkenmerken van de grootouders in een bepaalde verhouding weer te voorschijn komen. Bij domineren van een kleurkenmerk in F1 vertonen de jongen van de F2-generatie voor 75% het dominante kleurkenmerk, in ons voorbeeld dus de groene lichaamskleur, voor 25% het recessieve kleurkenmerk, ergo de blauwe lichaamskleur. De verklaring hiervoor is eenvoudig. Keren we nog eens even terug naar ons schema, fig. 49 midden. Door zowel de man als de pop worden ieder 4 gameten gevormd, waarvan 2 met een 'groen' allele en 2 met een 'blauw' allele, zodat 4x4=16 gameetcombinaties gevormd kunnen worden , hetgeen resulteert in 4 verschillende combinatiemogelijkheden. Deze vier mogelijkheden zijn:

 

1. Een 'groen' allele van de man gaat samen met een 'groen' allele van

    de pop.

2. Een 'groen' allele van de man gaat samen met een 'blauw' allele van

    de pop.

3. Een 'blauw' allele van de man gaat samen met een 'groen' allele van   

    de pop.

4. Een 'blauw' allele van de man gaat samen met een 'blauw' allele

    van de pop.

 

Alle jongen die zich uit de combinaties 1 t/m 3 zullen ontwikkelen zijn uiterlijk groen, hetgeen neerkomt op 75%. Alleen de nakomelingen uit de eerste combinatie zijn homozygoot; ze bezitten gelijkgepaarde allelen in het bij het groene kenmerk behorende genenpaar, nl. twee 'groene' allelen. De nakomelingen uit de combinaties 2 en 3 zijn heterozygoot; ze bezitten ongelijke allelen, nl. één 'groen' en één 'blauw' allele. De nakomelingen uit de laatste combinatie vertonen de blauwe lichaamskleur. Beide chromosomen in de zygote bevatten 'blauwe' allelen; ze zijn evenals de nakomelingen uit de eerste combinatie homozygoot. Welke van de nakomelingen, die zich uit de combinaties 1 t/m 3 ontwikkeld hebben, homozygoten dan wel heterozygoten zijn, kunnen we aan het uiterlijk niet zien. Dit kunnen we echter zeer gemakkelijk vaststellen door de F2-nakomelingen met het dominante kenmerk terug te kruisen met het recessieve uitgangsras of P-ras. Zijn alle nakomelingen uit deze terugkruising gelijk aan het dominante ras, dus groen, dan is het te onderzoeken individu homozygoot; zijn de R-nakomelingen voor de helft groen, voor de helft blauw, dan is het proefdier heterozygoot. Bij domineren van een kenmerk in F1 vertonen de nakomelingen van de F2-generatie dus voor 75% het dominante en voor 25% het recessieve kenmerk, hetgeen neerkomt op de getalsverhouding 3:1.

 

Bij intermediaire kenmerkvorming blijkt dat de getalsverhouding, waarin de F2-generatie op de kenmerken van de grootouders lijkt, afwijkt van die bij een dominante kenmerkontwikkeling. Uit de onderlinge kruising van de intermediaire F1-bastaarden, D-groen (donkergroen) x D-groen (donkergroen), komen 25% groene (lichtgroene), 50% D-groene (donkergroene) en 25% DD-groene (olijfgroene) nakomelingen. De gameetvorming en de combinatiemogelijkheden van de gameten zijn geheel gelijk aan de hierboven besproken kruising (zie fig. 49 midden). Man en pop vormen dus ieder 4 gameten, waarvan 3 met een 'DD-groen' (olijfgroen) en 2 met een 'groen' (lichtgroen) allele in het chromosoom. Er kunnen dus 16 gametencombinaties gevormd worden, hetgeen resulteert in 4 verschillende combinatiemogelijkheden:

 

1. Een 'DD-groen' (olijfgroen) allele van de man gaat samen met een            

    'DD-groen' (olijfgroen) allele van de pop.

2. Een 'olijfgroen' allele van de man gaat samen met een 'groen'

    (lichtgroen) allele van de pop.

3. Een 'groen' (lichtgroen) allele van de man gaat samen met een   

    'DD-groen' (olijfgroen) allele van de pop.

4. Een 'groen' (lichtgroen) allele van de man gaat samen met een           

    'groen' (lichtgroen) allele van de pop.

 

In het eerste geval zorgen twee 'DD-groene' (olijfgroene) allelen weer voor DD-groene (olijfgroene) nakomelingen, die homozygoot zijn. In het tweede en derde geval uit zich de combinatie van één 'DD-groen' en één 'groen' (lichtgroen) allele in D-groene (donkergroene) nakomelingen, zoals de ouders F1. In het laatste geval vormen twee 'groene' (lichtgroene) allelen weer groene (lichtgroene) nakomelingen, die homozygoot zijn. Bij intermediaire kenmerkvorming is ten aanzien van het ene kenmerkenpaar 25% van de F2-nakomelingen gelijk aan de ene grootouder, 50% houdt het midden tussen de beide tegenovergestelde kenmerken van de grootouders en 25% is gelijk aan de andere grootouder, hetgeen resulteert in de getalsverhouding 1:2:1. De intermediaire F2-nakomelingen zijn heterozygoot en geven bij onderlinge kruising weer dezelfde splitsing te zien als hun ouders F1.

 

Aangezien de wetmatigheid van de getalsverhouding van de Mendelsplitsing op de waarschijnlijkheidswet van het toeval steunt, zal bij een slechts eenmaal uitgevoerde kruising nauwelijks van een bepaalde getalsverhouding sprake kunnen zijn. Het is dus puur toeval als bijv. in een nest van vier F2-nakomelingen de fenotypen in de hierboven vermelde verhoudingen 3:1 en 1:2:1 reeds optreden. Voeren we echter een bepaalde kruising honderd keer uit, dan zal de verhouding duidelijk tevoorschijn treden en wel des te nauwkeuriger naarmate we de kruising vaker herhalen.

 

Uit het bovenstaande mag blijken dat het al jaren ingeburgerde woordgebruik: dominante, intermediaire en recessieve vererving eigenlijk niet juist is. Immers, een erfelijk kenmerk (bijv. kleur) vererft niet dominant, intermediair of recessief, maar een bepaald kenmerk gedraagt zich ten opzichte van een ander kenmerk als zodanig. De wijze waarop een kenmerk vererft is, zoals we in fig. 49 gezien hebben steeds gelijk. Voor het overbrengen van de erfelijke factoren bezitten de mannelijke en vrouwelijke gameten immers dezelfde waarde. Als u dat begrijpt, heb ik tegen het hierboven aangehaalde woordgebruik geen bezwaar.

 

Tot nu toe hebben we in onze voorbeelden slechts het gedrag van één erfelijke factor gevolgd. Het chromosoom waar deze factor volgens onze veronderstelling aan gebonden is, bevat echter nog een groot aantal andere erfelijke factoren. Hetzelfde geldt voor alle overige chromosomen. Erfelijke factoren die in hetzelfde chromosoom liggen, noemen we gekoppelde factoren; ze blijven behoudens uitzonderingen tijdens de reductiedeling bij elkaar en worden gekoppeld overgeërfd. De erfelijke factoren die in verschillende chromosomen liggen, vererven echter onafhankelijk van elkaar. De zaak wordt dan ook ingewikkelder als we kruisingen toepassen waarin oudervogels in meerdere genenparen van elkaar verschillen.

 

Als voorbeeld van een kruising met twee tegenovergestelde kenmerkparen nemen we weer een praktisch voorbeeld, die van een normale groene met een blauwe Hollands bonte grasparkiet. Alle F1-bastaarden uit deze paring zijn uiterlijk groenbont. Hieruit volgt dat de kenmerken 'groen' en 'bont' dominant zijn over 'normaal' en 'blauw'. Het genenpaar dat verantwoordelijk is voor de groene kleur, bevindt zich in een ander chromosomenpaar dan het genenpaar dat het bontpatroon regelt. In fig. 50, waar deze paring schematisch is uitgebeeld, heb ik de allelen voor de normale tekening met een 'punt' in het chromosoom aangegeven en de allelen voor bont met een 'streepje'; de allelen voor de kleuren groen en blauw zijn 'zwart' gemaakt, resp. 'wit' gehouden. U ziet dat alle F1-bastaarden overeenkomstig de eerste wet van Mendel, de Gelijkvormigheidswet, dezelfde erfelijke aanleg bezitten en uiterlijk volkomen gelijk zijn, nl. groenbont.

 

 

Fig. 50

 

 

Fig. 51

 

Paren we vervolgens deze F1-generatie onderling (fig. 51), dan krijgen we 16 mogelijke gameetcombinaties, hetgeen resulteert in 9 groenbonte parkieten, 3 groene, 3 blauwbonte en 1 blauwe. We hebben echter al gezien dat ingevolge de tweede wet van Mendel, de Splitsingswet, bij domineren van een kenmerk in F1 er in F2 nakomelingen met het dominante en recessieve kenmerk verschijnen in de verhouding 3:1. Bekijken we nu de uitkomsten in fig. 51,dan schijn dit niet te kloppen. Volgen we echter de groene kleuren en de bonttekening ieder afzonderlijk, dan klopt de theorieprecies met de praktische uitkomsten. In het combinatievierkant zien we 12 jongen die uiterlijk groen zijn (vakken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13, en 14) en 4 die uiterlijk blauw zijn (vakken11, 12, 15 en 16). De verhouding groen:blauw is als 12:4=3:1. Bij de bonten zien we precies hetzelfde nl. 12 bonten (vakken 2, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 12, 13, 14, 15 en 16) en 4 jongen met de normale tekening (vakken 1, 3, 9 en 11). Er zijn a.h.w. twee kruisingen dooreen gevlochten, die zich bij de reductiedeling onafhankelijk van elkaar gedragen en beide de door Mendel ontdekte verhouding te zien geven. Tevens zien we dat we in de F2-generatie niet alleen jongen met de tegenovergestelde kenmerken van de grootouders krijgen, maar ook met de combinatie van de tegenovergestelde kenmerken (groenbont) en een nieuwe kleur nl. blauw (vak 11).

 

Bijzonder waardevol voor de kleurkweek zijn de nakomelingen van de vakken 1, 6, 11 en 16, die in beide genenparen homozygoot zijn en derhalve zuiver vererven. Uit kruisingen die zich in twee genenparen van elkaar onderscheiden, krijgen we in F2 dus 4 verschillende fenotypen. Het spreekt vanzelf dat, waar individuen in meer dan twee kenmerken van elkaar verschillen, het aantal combinatiemogelijkheden groter wordt.

Eveneens moet het duidelijk zijn dat er aan het aantal vrije combinatiemogelijkheden bepaalde grenzen zijn gesteld. Aangezien grasparkieten 30 paar chromosomen bezitten -13 paar macrochromosomen en 17 paar microchromosomen - zal het aantal onafhankelijk van elkaar verervende factoren ten hoogste 30 zijn. In dat geval kunnen er echter al 230 = 1.073.741.824 verschillende gameten gevormd worden en zijn er bij de bevruchting al (230)2 = 1.152.921.504.606.846.976 combinatiemogelijkheden, waaruit 205.891.132.094.649 jongen geboren kunnen worden, met verschillend erfelijke aanleg.

De genengroep die in hetzelfde chromosoom ligt en die, zoals ik reeds opmerkte, behoudens uitzonderingen bij de vererving bijeen blijft, duiden we aan met de term koppelingsgroep. Het zal begrijpelijk zijn dat het aantal koppelingsgroepen nooit hoger kan zijn dan het aantal chromosomen in het enkelvoudige garnituur, dus 30.

 

De bepaling van het geslacht

Als regel worden er ongeveer evenveel mannen als poppen geboren. Dit feit is een van de merkwaardigste ontdekkingen van de erfelijkheidsleer. We zullen eens kijken hoe dat komt.

Zoals u weet bezitten man en pop ieder één paar geslachtschromosomen. Voor de man zijn dat twee X-chromosomen of in wetenschappelijke taal twee Z-chromosomen en voor de pop één X- en één Y-chromosoom, of te wel één Z- en één W-chromosoom. We maken er ter verduidelijking weer een tekening bij (fig. 52). De autosomale chromosomenparen laten we hierbij gemakshalve even buitenbeschouwing. U ziet dat de verhouding mannen:poppen precies gelijk is, nl. 50%:50%. Het telkens weer optreden van 50% mannen en 50% poppen is verklaarbaar als we ervan uitgaan dat de man met betrekking tot de geslachtsbepalende factor homozygoot is (twee X-chromosomen of zoals u wilt twee Z-chromosomen) en de pop heterozygoot (één X- en één Y-chromosoom of te wel één Z- en één W- chromosoom).

 

Fig.

 

       a             b              c              d                  e              f                g              h

 

Gameetcombinaties: a+e = XX = man  b+e = XX = man  c+e = XX = man  d+e = XX = man

                               a+f  = XX = man  b+f  = XX = man  c+f  = XX = man  d+f  = XX = man

                               a+g = XY = pop  b+g = XY = pop   c+g = XY = pop  d+g = XY = pop

                               a+h = XY = pop  b+h = XY = pop   c+h = XY = pop  d+h = XY = pop

 

 

Immers bij de 1e rijpingsdeling of reductiedeling ontvangt slechts één van de twee eivormende cellen een X-chromosoom (Z-chromosoom). Na de 2e rijpingsdeling bevatten twee van de vier gameten een X-chromosoom (Z-chromosoom), de beide andere een Y-chromosoom (W-chromosoom). Op deze wijze brengt de pop 50% popbepalende eicellen met Y-chromosoom (W-chromosoom) en 50% manbepalende eicellen met X-chromosomen (Z-chromosomen) voort. De hieruit met de mannelijke gameten voortvloeiende gameetcombinaties spreken voor zichzelf. Zie ook fig. 44, in dit schema is tevens de rijping van de geslachtscellen van man en pop in beeld gebracht.

 

De bepaling van het geslacht, d.w.z. welk soort geslachtsklier tot ontwikkeling komt, wordt bij de meeste dieren op het moment van de bevruchting genotypisch door de verdeling van de geslachtschromosomen bepaald. We mogen de betekenis van de geslachtschromosomen echter niet verkeerd begrijpen.

 

Elk wezen met genotypische geslachtsbepaling bezit in zijn erfelijke aanleg de mogelijkheden tot de ontwikkeling van een mannelijke of vrouwelijke differentiatie. De beslissing over de ontwikkeling tot een bepaald geslacht is niet alleen afhankelijk van de geslachtsbepalende in de geslachtschromosomen gelegen erfelijke factoren, maar berust op het tot stand komen van bepaalde kwantitatieve verhoudingen tussen de geslachtsbepalende factoren, die zich enerzijds in de geslachtschromosomen,anderzijds in de autosomale chromosomen of in het cytoplasma bevinden. Normaliter is door het mechanisme van de X-chromosomen (Z-chromosomen) de intensiteit van de werking der geslachtsbepalende factoren zo gedoseerd dat uitsluitend een zuiver mannelijke of een zuiver vrouwelijke ontwikkeling gerealiseerd wordt. Bij bastaardering van soorten ontstaan vaak seksuele tussenvormen, doordat enerzijds de intensiteit van de werking der geslachtsbepalende factoren die in de X-chromosomen (Z-chromosomen) liggen en anderzijds die van de zich in de autosomale chromosomen en in het cytoplasma bevindende factoren bij dergelijke kruisingsproducten niet op elkaar zijn ingesteld.

 

De secundaire geslachtskenmerken

Behalve in de bouw van de geslachtsklieren (testikels en eierstokken) en door de productie van tegengestelde geslachtscellen (zaad- en eicellen) onderscheiden zich de dieren gewoonlijk ook in een van elkaar verschillende lichaamsbouw, verschillen in kleur en tekening (dimorfismische kenmerken) en door hun natuurdrift. De wijze waarop de hulporganen voor de geslachtelijke functies tot uitdrukking worden gebracht, varieert bij de verschillende soorten van dieren. Bij de insecten bijvoorbeeld komt de geslachtelijke differentiatie, zowel van de primaire als van de secundaire geslachtskenmerken, rechtstreeks van het chromosomengehalte uit tot stand. Bij de gewervelde dieren waaronder de vogels, beslist de chromosomenuitrusting primair slechts over de soort geslachtsklier die tot ontwikkeling komt. De ontwikkeling van de geslachtsorganen en van de secundaire geslachtskenmerken voltrekt zich met behulp van geslachtshormonen, die door hormoonklieren van de testes resp. het ovarium afgescheiden en aan het bloed afgegeven worden. Deze samenhang werd in wetenschappelijke proeven met vele diersoorten overtuigend aangetoond. Zo resulteert het verwijderen van de testes bij mannelijke dieren in het geleidelijk verlies van de meeste secundaire geslachtskenmerken of komen bij castratie van zeer jonge dieren helemaal niet tot ontwikkeling. Castreert men bijv. een haan, dan schrompelt de kam ineen en wordt even klein als die van een kip, de mannelijke strijdlust verdwijnt en ook het kraaien neemt een einde. Implanteert men naderhand de testikels van een andere haan in de gecastreerde haan, dan herkrijgt de kapoen zijn trotse hanenkam en begint weer te kraaien en zich te gedragen als een gewone haan. Bij proeven met vrouwelijke dieren zien we een overeenkomend beeld. Verwijdert men bijv. het ovarium bij een eend, dan gaat bij de eerstvolgende rui het typische vrouwelijke verenkleed verloren en wordt in mannelijke richting omgebogen, zodat het meer lijkt op dat van een woerd. Na implantatie van het ovarium van een andere eend in de gecastreerde eend ontwikkelt zich de nieuwe bevedering weer in vrouwelijke richting. Een mogelijk nog dieper inzicht in de macht van de geslachtshormonen verkrijgt men bij proeven met dieren waarbij testes en ovaria verwisseld worden. Wanneer men in navolging van de beroemde fysioloog Steinach de testes van marmotten verwijdert en in plaats daarvan ovaria implanteert, krijgen de aldus behandelde mannelijke dieren de zachte vacht en de lichte skeletbouw die voor vrouwelijke marmotten typerend zijn; de melkklieren ontwikkelen zich en scheiden melk af. Ook de vrouwelijke verzorgingsdriften ontwaken waarbij de mannetjes er zelfs toe overgaan jonge dieren te zogen. Omgekeerd krijgen vrouwelijke marmotten na verwijdering van de ovaria en het implanteren van de testes de veel grovere bouw en de ruige vacht van de mannelijke marmot terwijl hun gedrag tegenover vrouwelijke marmotten niet verschilt van echte geslachtrijpe mannetjes. Maar zoals we reeds bij de haan en de eend zagen, ook de eenvoudige verwijdering van de geslachtsklieren, zonder implantatie van de
klieren van het andere geslacht, heeft al verstrekkende gevolgen. Dat is al sinds de dagen van de oude Egyptenaren bekend en de mens, die nooit beschroomd is waar het in zijn kraam te pas komt het fijne raderwerk van de natuur met ruwe hand te verstoren,trekt er zakelijk voordeel uit, doordat de wilde stier in een tamme, volgzame os verandert en de eunuch onverschillig tegenover de schone sekse blijft en belast wordt met het toezicht in de harem.

 

Toch blijkt de natuur niet aan één schema gebonden. Van een bepaald kikkerras vertonen de volgens chromosomenuitrusting tot man bestemde exemplaren aanvankelijk uitsluitend vrouwelijke kenmerken, die pas in een later levensstadium in zuiver mannelijke veranderen. Ook op de algemene regel dat de secundaire geslachtskenmerken bij gewervelde dieren pas met medewerking van hormonen tot stand komen, bestaan enkele merkwaardige uitzonderingen. Zo zijn er aanwijzingen dat de dimorfismische verschillen bij enkele vogelsoorten, o.a. goudvinken, niet hormonaal van de geslachtsklieren uit tot stand komen, maar integendeel het resultaat zijn van rechtstreekse geslachtsbepalende erfelijke aanleg door het chromosomengehalte.

 

 

De overerving van aan het X-chromosoom (Z) gekoppelde genen

Naast de erfelijke aanleg voor de bepaling van het geslacht, bevat het X-chromosoom (Z-chromosoom) tevens genen voor de ontwikkeling van geheel andere kenmerken, die bij beide geslachten kunnen optreden, doch met de geslachtelijke differentiatie zelf niets te maken hebben.                                                   

Voorbeelden hiervan vinden we bij enkele aan het geslacht gebonden melaninemutaties van de grasparkiet, zoals de ino, de cinnamon en de opaline. Door de eigenaardige verdeling van de X-chromosomen (Z-chromosomen) wijkt de overerving van deze mutaties sterk af van hetgeen we nu toe geleerd hebben. Kruisen we bijv. een ino grasparkiet man met een normale pop, dan krijgen we in F1 50% normale mannen die split zijn voor ino en 50% ino poppen. De verklaring hiervoor is eenvoudig. De F1-mannen ontvangen van hun vader een X-chromosoom (Z-chromosoom) met het recessieve ino-gen en van hun moeder een X-chromosoom (Z-chromosoom) met de normale ongemuteerde factor. Het ino-kenmerk wordt dus niet zichtbaar, doordat de ongemuteerde factor van de moeder de werking van het van de vader afkomstige ino-gen belet. Het gemuteerde ino-gen is recessief ten opzichte van de ongemuteerde factor. De F1-poppen daarentegen krijgen alleen een X-chromosoom (Z-

chromosoom) met het recessieve ino-gen van hun vader, terwijl ze van hun moeder slechts een Y-chromosoom (W-chromosoom) ontvangen. Bij de poppen wordt het ino-kenmerk wél zichtbaar, doordat het recessieve ino-gen geen normale factor tegenover zich vindt. Het Y-chromosoom (W-chromosoom) is namelijk een soort 'loos' chromosoom, waarin geen kleurbepalende erfelijke factoren liggen. Bijgevolg kan een pop nooit split zijn voor een aan het X-chromosoom (Z-chromosoom) gekoppelde erfelijke eigenschap.

 

Voeren we nu deze kruising omgekeerd uit, dus een normale grasparkietman x een ino pop, dan krijgen we ook weer 50% normale mannen die split zijn voor ino, doch 50% normale poppen. In dit geval ontvangen de F1-mannen van hun vader een X-chromosoom (Z-chromosoom) met de normale ongemuteerde factor en van hun moeder het X-chromosoom (Z-chromosoom)met het recessieve inogen, terwijl de F1-poppen van hun vader een X-chromosoom (Z-chromosoom) met de normale ongemuteerde factor en van hun moeder het Y-chromosoom (W-chromosoom) ontvangen. De gelijkvormigheidbepaling van de 1e erfelijkheidswet is op deze kruisingen dan ook niet van toepassing. Uitgangspunt voor de geldigheid van deze wet is namelijk dat de voor de kruising gebruikte ouderdieren in alle genenparen homozygoot zijn. De poppen zijn wat de in het X-chromosoom (Z-chromosoom) gelegen genen betreft azygoot. Om het ino-kenmerk te kunnen tonen, moet de man op beide X-chromosomen (Z-chromosomen) het gemuteerde ino-gen bezitten. Dat geschiedt dus alleen als beide ouders een X-chromosoom (Z-chromosoom) met het gemuteerde ino-gen aan hun zonen bijdragen. Mannen kunnen een aan het X-chromosoom (Z-chromosoom) gekoppeld erfelijk kenmerk aan hun dochters overdragen als ze het kenmerk tonen of er split voor zijn. Poppen kunnen een dergelijk kenmerk slechts aan hun zonen overdragen als ze het kenmerk zelf tonen.

 

De geldigheid van de erfelijkheidsregels

Een veel gehoorde vraag luidt: hoever gaat de geldigheid van Mendel’s erfelijkheidsregels?

Het antwoord, dat de erfelijkheidsleer op grond van uitgebreide, langdurige en scherpzinnige proefnemingen op deze vraag geeft luidt als volgt: de door Mendel ontdekte regels gelden voor bijna alle tot nu toe onderzochte erfelijke eigenschappen, bij planten en dieren, zowel als bij de mens, alleen zijn ze om verschillende redenen meestal versluierd en treden slechts zelden zo duidelijk te voorschijn, als in de besproken gevallen. Uit gesprekken met fokkers blijkt dat men de wetmatigheid van Mendel’s regels wel eens in twijfel trekt omdat men geen verklaring weet voor het feit, dat een recessief kenmerk na vele jaren nog te voorschijn kan komen. Aan de hand van een stamboom (fig. 53) zullen we eens nagaan of we hiervoor een verklaring kunnen vinden.

 

 

Het eerste jaar paart u een fokzuivere groene man aan een dito blauwe pop. Alle jongen in F1 zijn uiterlijk groen doch split voor blauw. Het tweede jaar koopt u een homozygote groene pop en paart deze aan een F1-man uit uw eigen stam. Alle jongen uit deze paring zijn uiterlijk weer groen doch 50% is split voor blauw. Het derde jaar koopt u, om uw stam te verbeteren, weer enkele vogels aan en wel een homozygote groene man en een dito pop. De aangekochte man wordt gekruist met een jonge pop uit het tweede jaar, die toevallig split voor blauw is. De aangekochte pop paart u aan een jonge man uit het tweede jaar die toevallig óók split voor blauw is. Alle jongen uit deze beide paringen zijn uiterlijk groen, doch 50% is split voor blauw. Het vierde jaar paart u een man uit het derde jaar van de ene lijn met een pop uit het derde jaar van de andere lijn, dus neef x nicht. Het toeval wil dat beide vogels split voor blauw zijn, zodat uit deze paring 25% blauwe jongen komen. Het recessieve kenmerk 'blauw' komt in dit voorbeeld na 4 jaar weer te voorschijn. Het kan echter ook nog veel langer duren, en wellicht bent u dan al lang vergeten dat u ooit met een blauwe pop begon. De genen waarin de erfelijke aanleg ligt opgeslagen, vergeten hun erfelijke code echter nooit en gedragen zich nauwkeurig volgens de regels die Mendel voor ons heeft uitgezocht.

 

Een andere omstandigheid, die tot de versluiering van de erfelijkheidregels bijdraagt is gelegen in het feit, dat de ontwikkeling van één eigenschap door twee, in verschillende chromosomen gelegen erffactoren bepaald kan zijn. De zwarte kleur van de merel zou bijv. door twee genenparen 'zwart' veroorzaakt kunnen zijn, terwijl elk van die genenparen ook alleen reeds instaat kan zijn een zwarte bevedering te bewerkstelligen. Het kan ook zijn, dat niet elk van de beide genenparen op zichzelf een volkomen zwart verenkleed veroorzaakt maar dat de twee genenparen elkaar in hun werking versterken. Daaruit resulteren weer talrijke mogelijkheden, waarvoor de wetenschap in vele kruisingsproeven een groot aantal voorbeelden bijeengebracht heeft.

 

In de regel wordt de ontwikkeling van een kenmerk niet slechts door één of twee, maar door een groot aantal genen in meerdere of mindere mate beïnvloed. Zolang de genenparen dezelfde werking hebben, merken wij hier echter niets van. Een gen wordt immers pas 'zichtbaar' als het genenpaar verschillende allelen bevat, zodat we door middel van proefparingen de invloed van deze genen op de ontwikkeling van een bepaald kenmerk kunnen vaststellen.

 

De bepaling van een kenmerk door middel van meerdere genen kan op verschillende manieren geschieden. In veel gevallen vullen genenparen met verschillend erfelijke aanleg, die elk een eigenwerking hebben, elkaar in hun werking aan of versterken elkaar als ze een gelijkgerichte werking hebben op de vorming van een kenmerk. De intensiviteit van de ontwikkeling van vele kenmerken - o.a. formaat, type, kopvorm en kleur - worden door elkaar aanvullend samenwerkende genen bepaald. De werkingsgraad van cumulerend samenwerkende erfelijke factoren draagt echter een sterk wisselend karakter, zodat we verschil kunnen maken tussen hoofdgenen, waardoor de mate waarin een kenmerk tot uitdrukking komt in hoofdzaak wordt bepaald, en bijgenen met een beperkende werking, die een bevorderende of remmende invloed uit kunnen oefenen op de intensiviteit van het kenmerk.

 

Net zoals vele erfelijke factoren samen een kenmerk kunnen bepalen, kan in het omgekeerde geval één erfelijke factor de ontwikkeling van verschillende eigenschappen beïnvloeden. Zo op het oog geheel los van elkaar staande kenmerken kunnen dus door één en dezelfde erfelijke factor beïnvloed worden. Iedere erfelijke factor komt in een bepaalde fase, en meestal in meerdere fasen van de ontwikkeling van een kenmerk, en verscheiden malen in verschillende kenmerkontwikkelingen tot uitdrukking. De verklaring voor deze wederzijdse samenhang is een van de moeilijkste problemen waarvoor de genetici zich geplaatst zien.

 

Zo zijn er ook bij de grasparkiet een aantal schijnbaar los van elkaar staande kenmerken die lijken veroorzaakt te zijn door een erfelijke factor met een veelzijdige werking. Te denken is hierbij aan de opalinen, waarbij de ontwikkeling van de keelstippen grover en talrijker is dan bij kleurslagen die het opaline kenmerk niet bezitten. Een ander voorbeeld dat het vermoeden wettigt door één erfelijke factor beïnvloed te zijn, zien we bij de cinnamons. Ik vermoed dat de cinnamonfactor, waardoor zwart melanine in bruin verandert, waarschijnlijk ook de tijd verlengt van de ontwikkeling tot volledig uitgegroeide vogel. Deze verminderde groeisnelheid zien we overigens ook bij de ino's. Na weging van jonge vogels uit gemengde nesten van cinnamons en normalen en van ino's en normalen kom ik tot interessante waarnemingen, die mijn vermoedens versterken dat de inofactor en de cinnamonfactor een remmende werking op de groeisnelheid uitoefenen. Steeds blijkt dat de procentuele gewichtstoename van de jonge cinnamons en ino's per dag minder is dan van de normalen uit dezelfde nesten. Eenmaal uitgegroeid tot volwassen vogels, hetgeen voor de cinnamons en de ino's wat meer tijd vergt, blijken er nauwelijks nog verschillen te bestaan.

 

Naar algemeen wordt aangenomen oefenen de genen hun invloed uit door middel van enzymen. Als door een mutatie de erfelijke aanleg van een gen verandert en daardoor gebrekkig functioneert zodat de vorming van een enzym achterwege blijft, kan dit reeds voldoende zijn om grote veranderingen in de ontwikkeling van een wezen te veroorzaken. Vele mutaties hebben dan ook een negatieve biologische waarde. M.a.w., ze oefenen een negatieve invloed uit op de levensvatbaarheid van het individu. De levenskansen van levende organismen zijn, zoals u zich kunt indenken, afhankelijk van vele omstandigheden waaronder weerstanden tegen ziekten, groeisnelheid, aanpassingsvermogen aan het milieu, het vermogen het ter beschikking staande voedsel op te nemen en om te zetten in de voor het lichaam benodigde bouwstoffen enz. In extreme gevallen kunnen mutaties tot allelen met dodelijke werking leiden. Men noemt ze letale factoren. Blijkbaar wordt door deze letale factoren, die hun werking door middel van enzymen uit moeten kunnen oefenen, een fundamenteel biochemisch proces uitgeschakeld. Een zygoot die een letale factor homozygoot bezit, is niet in staat zich te ontwikkelen en sterft vroeg of laat af. Het verschijnsel 'featherduster' bij grasparkieten bijvoorbeeld, uit zich als zichtbaar kenmerk in een extreem lange bevedering. In homozygote toestand leidt deze factor gewoonlijk reeds na enkele maanden maar in ieder geval binnen een jaar tot de dood. Grasparkieten die de fd-factor heterozygoot, dus naast het normale allele bezitten, hebben een normale bevedering en een normale levensvatbaarheid. Ook dit voorbeeld toont aan dat een erfelijke factor in meerdere kenmerkontwikkelingen ingrijpt, waarbij het duidelijk zal zijn, dat het zichtbare kenmerk van de extreem lange bevedering voor de levensvatbaarheid slechts een bijverschijnsel is van deze genenwerking. Hoewel vele onderzoekingen aangetoond hebben, dat de meeste individuen met  een veranderde erfelijke aanleg tegenover de oorspronkelijke wildvormen aan vitaliteit hebben ingeboet, zijn de gevolgen in de meeste gevallen niet zo desastreus als bij de fd-factor. Het zou mij echter niet verwonderen als ooit nog eens werd aangetoond, dat bepaalde zichtbare mutatiekenmerken bij onze gedomesticeerde vogels in feite mutaties zijn met een grotere vitaliteitsverlagende werking, zoals onderontwikkelde groei, verminderd voortplantingsvermogen, verminderde weerstand tegen invloeden van buiten enz.

 

Bepaalde mutaties van kleur en tekening bij de grasparkiet doen vermoeden dat ze verband houden met bepaalde fysieke kenmerkontwikkelingen. Opvallend is bijvoorbeeld dat uit de paring Deensbont x normaal/Deensbont, waaruit zowel Deensbonte als normaal/Deensbonte jongen geboren worden, de laatste steeds tot iets forsere vogels uitgroeien dan hun Deensbonte broers en zusters. Het is niet denkbeeldig dat de erfelijke factoren die het Deensbonte kenmerk tot uitdrukking brengen, tevens verantwoordelijk zijn voor de verminderde ontwikkeling van de lichaamsproporties.

 

 

De aard van de genen

Het meest opmerkelijke van de erfelijkheid is niet gelegen in de spectaculaire, naar evenredigheid sporadisch optredende afwijkingen, maar in het feit dat de overerving zo nauwkeurig geschiedt. Generatie na generatie, millennium na millennium, blijven de chromosomen zich identiek reproduceren. Slechts een enkele keer gaat er iets mis, doordat bijvoorbeeld een gen in een gewijzigde lineaire rangschikking komt te liggen of doordat een gen een verkeerd aminozuur invoert in een groot eiwitmolecuul, hetgeen dan resulteert in een erfelijke afwijking of mutatie.

 

Fig. 54

 

 

 

Waarop berust nu die identieke reproductie van de genen? Welnu,de genen zijn opgebouwd uit twee hoofdbestanddelen. Mogelijk bestaat de helft uit eiwit, maar het andere gedeelte bestaat uit desoxyribonucleïnezuur (DNA). Uit genetisch oogpunt is het eiwit dat aan het DNA verbonden is niet van belang, zodat DNA gezien moet worden als de genetische substantie, als de sleutel tot de erfelijkheid zonder welk het leven zoals wij dat kennen nooit had kunnen ontstaan. We kunnen het DNA als een keten van DNA-moleculen beschouwen, nauwkeuriger gezegd: als twee elkaars evenbeeld vormende DNA-ketenen, die spiraalvormig om elkaar gewikkeld zijn als een wenteltrap met twee leuningen om dezelfde as (fig. 54). Vanuit iedere spiraal (keten) steken halve traptreden naar binnen naar elkaar toe en vormen als het ware een hele trede van de wenteltrap met zijn twee leuningen. In werkelijkheid is het DNA opgebouwd uit nucleïnezuur, zijnde moleculen opgebouwd uit mononucleotiden. De DNA-ketenen bestaan uit een suiker (desoxyribose), een fosfaatgroep en een viertal bouwstenen (nucleotiden), te weten: adenine, guanine, cytosine en thymine. Beschouwen we nu de beide leuningen van de wenteltrap als de fosfaatgroep, de verbinding van de leuning naar de treden als het desoxyribose. Elke halve trede wordt gevormd door één van de vier nucleotiden en krijgt de letter A (adenine), T (thymine),G (guanine) of C (cytosine). De ruimtelijke en chemische eigenschappen van de moleculen maken het noodzakelijk dat de letters A en T en de letters C en G samengaan; m.a.w. een halve traptrede A kan alleen een hele trede vormen met een halve trede T. De hele treden worden dus gevormd door de combinaties A-T of T-A en C-G of G-C. De halve treden worden door waterstofbruggen bij elkaar gehouden. De treden A-T, T-A, C-G en G-C vormen dubbelspiralige DNA-moleculen. Als nu de dubbelspiralige DNA-molecule wordt opengelegd, hetgeen gebeurt als de chromosomen zich in chromatiden splitsen, worden de waterstofbruggen verbroken en komt de 'halfmolecuul' (mononucleotide) 'bloot' te liggen. Elke halfmolecuul zorgt voor de vorming van zijn complement. Aan een opengelegde mononucleotide A (adenine) past dus alleen een mononucleotide T (thymine). De ontbrekende nucleotiden zijn als 'vrije' nucleotiden in de cel aanwezig. De opengelegde halfmolecuul, die de rol van matrijs speelt, bouwt uit de vrije nucleotiden weer een volledig dubbelspiralig DNA-molecuul op en de twee halfmoleculen, waarin de oorspronkelijke molecule verdeeld was, vormen op deze wijze twee dubbelspiralige DNA-moleculen, waar er vóór de splitsing slechts één was. Over de gehele lengte van beide chromatiden uitgevoerd, door alle DNA's, zal deze wijze van replicatie leiden tot twee chromosomen die volkomen identieke en natuurgetrouwe replica zijn van het oorspronkelijke chromosoom.

 

De genetische code

De zojuist beschreven verdubbeling van het DNA, zodat dochtercellen altijd hetzelfde potentieel voor de genetische uiting van kenmerken kunnen ontvangen, zorgt in feite alleen voor de instandhouding van het genetische materiaal. Nog interessanter is het te weten hoe het DNA zijn eigenlijke werk doet.          

Naar algemeen wordt aangenomen oefenen de genen hun invloed uit door middel van enzymen. Enzymen zijn hoogmoleculaire organische verbindingen die aan specifieke eiwitten zijn gebonden. Het zijn organische katalysatoren, die de opbouw, wijziging en afbraak in het inwendige van de cel voortdurend regelen. Ze bezitten het vermogen bepaalde reacties te voorschijn te roepen en daarvan richting en snelheid te bepalen, zonder in de eindproducten van die reacties voor te komen. Er moet dus enzymeiwit gevormd worden. De vraag is: hoe veroorzaakt het DNA de synthese van een specifiek eiwitmolecuul? Het zal duidelijk zijn dat als DNA de sleutel tot de erfelijkheid is, het de mogelijkheden tot een ongelooflijke variatie in zich moet herbergen, een soort inlichtingencode voor de synthese van enzymeiwit. Voor de bouw van een eiwitmolecuul, die doorgaans bestaat uit honderden of duizenden eenheden, moet een DNA- molecuul uit zo'n 20 verschillende aminozuren de plaatsing regelen van het juiste aminozuur in een specifieke rangschikking. Het DNA is echter slechts opgebouwd uit vier nucleotiden. Door de wisselende volgorde van de verschillende nucleotiden wordt een variatiemogelijkheid geboden die groot genoeg is voor vele miljoenen verschillende toepassingsmogelijkheden. Net zoals de tekens punt, streep en pauze van het Morsealfabet op verschillende manieren gecombineerd kunnen worden tot een code, waarin alles wat wij tot uitdrukking willen brengen kan worden overgebracht, zo kunnen de vier bouwstenen van de DNA-keten een code vormen die variabel genoeg is om de cellen van de nodige 'informatie' te voorzien. Men is er thans zeker van dat een groep van drie nucleotiden de genetische code vormt die bij een bepaald aminozuur behoort. Het DNA, dat veilig opgeborgen ligt in de celkern, kan het cytoplasma waar de enzymen gemaakt worden echter zelf niet bereiken. Het overbrengen van de code op een groep aminozuren vindt plaats door de bemiddeling van het RNA, een andere nucleotinezuurvariëteit, met verschillen ten opzichte van DNA die de code niet raken. Het RNA heeft ribose als suiker en uracil in plaats van thymine. Wanneer nu de twee spiralen van het DNA zich los wikkelen, zoals bij de replicatie, verdubbelt één van de twee spiralen zijn structuur niet in nucleotiden die een DNA-molecuul vormen, maar in nucleotiden die een RNA-molecuul vormen. Hiertoe hecht zich een A (adenine)-nucleotide van de opengelegde DNA-spiraal niet zoals bij de verdubbeling aan een T(thymine)-nucleotide, maar aan een U (uracil)-nucleotide waardoor een RNA-molecuul ontstaat. De code van het RNA bevat een 'afdruk' van de DNA-molecuul van een bepaald gen. Het RNA van de celkern fungeert als een soort boodschappenjongen en wordt daarom boodschapper-RNA genoemd. Het boodschapper-RNA kan de celkern wél verlaten en hecht zich met behulp van haar code aan een in het cytoplasma drijvende losse RNA-molecuul met de bijpassende code, waaraan zich een aminozuur kan hechten dat aan deze codering beantwoordt. De op deze wijze in een bepaalde rangschikking verzamelde aminozuren worden vervolgens aan elkaar gehecht en vormen een enzymmolecuul. Aldus beheerst de structuur van een gen de synthese van een specifiek enzym.

 

 

Fig. 55

 

 

           Opengelegd                        vrije nucleotiden                               verdubbeling

                   

 

Schema van de verdubbeling van het dubbele DNA-molecuul

a. opengelegd dubbelspiralig DNA-molecuul

b. het opengelegde ’halfmolecuul’ bouwt uit de vrije nucleotiden weer een volledig dubbelspiralig   molecuul op

c. uit elkaar draaien van de dubbelspiralige DNA-molecuul (zie pijltjes) tegelijkertijd met de verdubbeling

 

 

Zoals reeds vermeld, vormt een groep van drie nucleotiden de genetische code die bij een bepaald aminozuur behoort. Om de samenstelling van de drietallen die bij de afzonderlijke aminozuren behoren op te sporen, staan de wetenschap verschillende methoden ten dienste. Zo heeft men bijvoorbeeld ontdekt dat het drietal UUU bij het aminozuur fenylalanine behoort, UUG bij valine, UGC bij glycine. Ofschoon pas een tipje van de sluier is opgelicht, heeft men met het vinden van de eerste codewoorden voor het 'woordenboek der drietallen' toch het wezen van de genetische informatie ontdekt.

 

De levensprocessen worden dus door enzymen beheerst. Gedurende de opeenvolgende stadia van groei, ontwikkeling, rijpheid en veroudering zijn elke keer andere enzymen in de cel werkzaam. Elk enzym wordt waarschijnlijk door één enkel gen beheerst. Dat houdt in dat het genotype van het individu een verzameling verschillende enzymen kan doen ontstaan die op hun beurt de vorm en het gedrag van het individu bepalen. Het genotype dat een zekere reactienorm bepaalt en de omstandigheden die er op inwerken, resulteert tenslotte in het fenotype.

 

De erfelijke aanleg van een wezen kan door een mutatie veranderen. Dat betekent op grond van de één gen- één enzymtheorie dat er op de plaats van het gen een duurzame verandering is opgetreden, hetgeen resulteert in een verandering in of het uitvallen van een enzym, dat op zijn beurt een verandering in de tot uiting komende kenmerken van het individu veroorzaakt. Al deze veranderingen zijn chemisch van aard en veroorzaken wijzigingen in de stofwisseling. Soms zijn de gevolgen duidelijk zichtbaar, zoals bijvoorbeeld bij de ino mutatie, waar het betrokken gen de aanwezigheid of de werkzaamheid van het enzym tyrosinase belet, dat verantwoordelijk is voor de melaninevorming in de bevedering. In andere gevallen zijn de gevolgen minder opvallend, bijvoorbeeld wanneer ze een verminderde groeisnelheid of een verminderde weerstand tegen ziekten veroorzaken.

 

Onze behandeling van het genetisch mechanisme en de werking ervan via enzymen laat nog vele vragen onbeantwoord. Zo regelen de genen bijvoorbeeld niet steeds met hetzelfde tempo de aanmaak van enzymen. Een gen kan op een gegeven moment zeer doeltreffend werken, een andere keer langzaam of in het geheel niet. Sommige cellen vormen veel eiwit, andere weinig, weer andere bijna niets. De cellen van het veelcellige organisme zijn sterk gespecialiseerd; elke celsoort heeft zijn eigen karakteristieke functies, eiwitsamenstelling en chemisch gedrag. Toch bezitten alle cellen van een bepaald organisme dezelfde erfelijke aanleg; ze bevatten immers dezelfde chromosomen. Het is duidelijk dat, als elke cel van het organisme dezelfde genenorganisatie bezit, ergo dezelfde in het DNA gecodeerde informatie, er omstandigheden moeten zijn waarin gedeelten van deze informatie onderdrukt worden en andere niet. Dit bewijst dat de cellen methoden bezitten om hele zones DNA-moleculen in de chromosomen te blokkeren en weer vrij te geven. Bij de ontwikkeling van de zygote, wanneer de celdifferentiatie een aanvang neemt, zullen ingewikkelde chemische processen leiden tot het blokkeren van bepaalde genen in bepaalde cellen en andere genen in andere cellen, waardoor het ene enzymsysteem begunstigd wordt ten koste van een ander dat een andere ontwikkeling ten gevolge zou hebben gehad. Op deze wijze kunnen zich op de ene plaats beencellen,ergens anders spiercellen en op weer een andere plaats hersencellen ontwikkelen. Misschien worden de betrokken DNA-zones door de hoeveelheid eiwit van het chromosoom geblokkeerd. Een andere mogelijkheid is dat de betrokken DNA-moleculen zich niet van elkaar los wikkelen, zodat ze niet de kans krijgen boodschapper-RNA te coderen. Deze veronderstellingen berusten echter vooralsnog zozeer op gissingen, dat een verder uitdiepen ervan nauwelijks de moeite waard lijkt en ik het hierbij laat.

 

 

Symbolen en nomenclatuur

Voor de benaming van de allelen heeft men regels opgesteld, waarin de aard van de werking van de gemuteerde vorm tot uitdrukking komt. Internationaal zijn de genetici overeengekomen dat aan een allel de hoofdletter wordt toebedeeld, wanneer de heterozygoten zich in enig opzicht onderscheiden van de wilde vorm of een vastgelegd 'standaardras'. Het uitgangsallel van een mutatie wordt met het teken + tegenover het gemuteerde allel gesteld. Homo- en heterozygoten worden, als het gaat om een recessieve mutatie +/+, a/a en +/a geschreven, als een dominante mutatie in het spel is +/+, A/A en +/A. Wanneer een bepaald +allel moet worden aangegeven, wordt + met de aanduiding van de mutatie verbonden: a+ = +allel van een recessieve mutatie, resp. A+ = +allel van een dominante mutatie. Aan het X-chromosoom (Z-chromosoom) gekoppelde allelen worden met de aanduiding van de mutatie met het X-symbool (Z-symbool) verbonden: Xino = gemuteerde vorm van Xino+.

Onafhankelijk verervende mutaties worden als volgt aangegeven:

a/a; b/b; c/c;   gekoppeld: a_b_c/a_b_c  

                      

 

Als praktisch voorbeeld een gedeelte van het ongemuteerde factorenbezit van een grasparkietman:

bl1+_D+/bl1+_D+; A+/A+; V+/V+; dil+/dil+; sa+/sa+; s+/s+; Pi+/Pi+; Xino_op_cin_sl_cl/Xino_op_cin_sl_cl

 

De factoren bl1+ en D+ worden gekoppeld overgeërfd, ze vererven evenwel onafhankelijk van de overige in de formule genoemde factoren. De factoren A+ en V+ alsmede de factoren dil+, sa+, Pi+ en s+ vererven eveneens onafhankelijk van elkaar. De bij het X-chromosoom (Z-chromosoom) vermelde factoren ino+, sl+, cin+, op+ en cl+ tenslotte vormen een koppelingsgroep en worden behoudens cross-overs gekoppeld overgeërfd, overeenkomstig de eigenaardige vererving van het X-chromosoom.

 

Ik wil het verder hierbij laten. De kennis van de erfelijkheid is niet gebaseerd op het van buiten kennen van formules, maar op het begrijpen van deze materie. Als u zich dat begrip eigen maakt, is het uitwerken van paringen met behulp van formules slechts een peulenschilletje. In de volgende hoofdstukken gaan we onze zojuist verworven kennis in de praktijk toepassen.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden