17. BONTVORMING

 

Bontvorming op zichzelf is niets nieuws. Bij vele planten en dieren komen we dit verschijnsel tegen. Vanuit genetisch standpunt bekeken onderscheiden we bij de grasparkiet twee vormen van bont:

a. Dominant bont, een bontmutatie met een dominante kenmerkontwikkeling.

   Onder dit begrip vallen: Hollands bont, de klaarpen en Australisch bont.

b. Recessief bont, een bontmutatie met een recessieve kenmerkontwikkeling.

   Hieronder vallen: Deensbont en de mottle.

 

De bontpatronen van de verschillende mutatievormen zijn zeer variabel. Voor de doorsnee liefhebber is het dan ook moeilijk de verschillende bonttypes uit elkaar te houden. Laat ik daarom beginnen met de voornaamste kenmerken van de diverse bonttypes op een rijtje te zetten. Voor alle duidelijkheid: de onderstaande beschrijvingen dienen slechts als hulpmiddel bij het vaststellen van het bonttype en gelden dus niet als standaardbeschrijving van het betreffende bonttype.

 

Het Hollands-bont-type heeft als regel een lichtgekleurd (= bont getekend) bovenlichaam, vaak in de vorm van een uitgezakt masker; d.w.z. de gele (groenserie) of witte (blauwserie) kleur van het masker loopt door tot op de bovenborst. Voorts is de vleugeltekening vaak asymmetrisch en zijn als gevolg van de bontvorming één of meer keelstippen weggevallen. Dit bonttype heeft een variabele bonte nekvlek en een witte oogring (iris).

 

Het klaarpen-type bezit een vrij symmetrische vleugeltekening, zeven ongepigmenteerde buitenste handpennen (de buitenste), een variabele nekvlek en ongepigmenteerde staartpennen. De klaarpen moet gezien worden als een selectieve vorm van Hollandsbont.

 

Het Australisch-bont-type wordt gekenmerkt door ongepigmenteerde tot half getekende, vaak hartvormig getekende vleugels met ongepigmenteerde vleugelpennen, een variabel ongepigmenteerd veerveld op het onderlichaam in de vorm van een bandje, ook is vaak de gehele buik tot en met de staart ongepigmenteerd. Bij dit bonttype zijn de keelstippen meestal volledig aanwezig. Er is een variabele bonte nekvlek. Primaire staartveren meestal ongepigmenteerd, echter ook wel gepigmenteerd.

 

De Deensbonte is eenvoudig te herkennen aan het ontbreken van de witte oogring. De lichaamskleur beperkt zich tot het onderlichaam en de stuit. De vleugels tonen een variabel bontpatroon. Veelal zijn één of meer keelstippen weggevallen. De kleur van de neusdop van de Deensbonten is gelijk aan die van de ino's.

 

De mottle is een bontvorm die pas na de eerste grote rui tot uitdrukking komt. Deze vogels komen als normale grasparkieten zonder enige vorm van bont uit het nest, maar na de eerste rui ontstaan in toenemende mate bonte veervelden, zowel op het lichaam als op de vleugels. Opmerkelijk is dat geen bontvorming optreedt in de vleugelpennen. Bij dit bonttype zijn dus alle slagpennen volledig gepigmenteerd. Ook de witte oogring is duidelijk aanwezig.

  

 

Dominant bont

Met deze verzamelnaam duiden we de Hollands bonten, de klaarpennen en de Australisch bonten aan. Zoals ik al opmerkte, is de klaarpen een geperfectioneerde variant van de Hollands bontfactor, dus eigenlijk niet meer dan een selectieve vorm van deze mutatie. Dit in tegenstelling met de Australisch bont factor die - zoals de praktische kweekuitkomsten en het microscopisch veeronderzoek hebben aangetoond - een op zichzelf staande mutatie blijkt te zijn met een geheel eigen werking. Ook staat vast, dat de Australisch bontfactor op een ander autosomaal chromosomenpaar zetelt als de Hollands bontfactor. 

Het dominantiesymbool voor Hollandsbont en klaarpen is Pi (pied = bont), dat van de Australisch bonte is Pb. Factor Pi en factor Pb vererven onafhankelijk van elkaar en ook van alle andere tot op heden bekende kleur- en tekeningsfactoren.

 

 

Een groene (lichtgroen) enkelfactorige Hollands bonte heeft de formule:

b+_D+/b+_D+; Pi+/Pi

Dezelfde formule gebruiken we als we het over een groene (lichtgroene) klaarpen hebben.

Voor een blauwe (hemelsblauwe) dubbelfactorige Australisch bonte is de formule:

b_D+/b_D+; Pb/Pb

 

Voeren we nu eerst enkele paringen uit.

Uit de paring enkelfactorig Hollandsbont x enkelfactorig Hollandsbont, in formules: Pi+/Pi x Pi+/Pi kunnen we verwachten:

25% normalen (Pi+/Pi+)

50% enkelfactorig Hollands bonten (Pi+/Pi)

25% dubbelfactorig Hollands bonten (Pi/Pi)

 

Uit de paring dubbelfactorig Austalisch bont x enkelfactorig Australisch bont, in formules Pb/Pb x Pb+/Pb, krijgen we:

50% enkelfactorig Australisch bonten Pb+/Pb

50% dubbelfactorig Australisch bonten Pb/Pb.

 

Met nadruk wijs ik er nog eens op dat bij een dominante kenmerkontwikkeling, zoals we die kennen bij de violet-factor (V-factor) en de Australisch grijsfactor (A-factor) en thans ook bij de dominant bontfactoren (Pi en Pb) er nooit sprake kan zijn van splitvogels. M.a.w., een grasparkiet kan nooit split zijn voor een dominante kleurslag of kenmerkontwikkeling.

 

De Hollands bontfactor en de Australisch bontfactor kunnen we met elke gewenste kleurslag combineren. In de ino-reeks wordt echter het bontpatroon door het maskerend vermogen van de ino-factor volledig gemaskeerd, maar daarover later meer. Ook onderling kunnen beide dominant bontmutaties natuurlijk gekruist worden, maar in de praktijk heeft dat geen enkele zin. Bovendien is het uit elkaar houden van de verschillende bontvormen ook zonder dat voor velen al lastig genoeg.

Hieronder geef ik u nog een compleet overzicht van de combinatiemogelijkheden met de dominant bontfactor.

 

1. dominant bont df x dominant bont df =

    100% dominant bont df            

2. dominant bont df x dominant bont sf =

    50% dominant bont ef

    50% dominant bont df   

3. dominant bont df  x  normaal =

    100% dominant bont ef

4. dominant bont sf x dominant bont ef = 

    25% normaal       

    50% dominant bont ef

    25% dominant bont df

5. dominant bont ef x normaal = 

    50% normaal

    50% dominant bont ef

 

 

 

Deensbont

Ook de factor die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van het kenmerk Deensbont bevindt zich op een autosomaal chromosomenpaar en vererft onafhankelijk van alle andere factoren. Het symbool voor Deensbont is s. Aan de kleine letter zien we al meteen dat het allelle s recessief is t.o.v. haar wildallele s+, wat betekent dat om het Deensbonte kenmerk te verkrijgen de vogel op beide chromosomen de gemuteerde s-factor moet bezitten.

Uit Deensbont x normaal krijgen we 100% normaal/Deensbont.

Paren we de jongen onderling, dus normaal/Deensbont x normaal/Deensbont, in formules s+/s x s+/s, dan kunnen we verwachten:

25% normaal (s+/s+)

50% normaal/Deensbont (s+/s)

25% Deensbont (s/s)

 

Deze paring is dus precies gelijk aan die van groen/blauw x groen/blauw. Deensbont kan met elke gewenste kleurslag gecombineerd worden. In de inoreeks wordt het bontpatroon door de werking van de inofactor geheel gemaskeerd.

Hieronder treft u volledigheidshalve nog een overzicht aan van de combinatiemogelijkheden met de Deensbontfactor.

 

1. Deensbont x Deensbont = 100% Deensbont

2. Deensbont x normaal/Deensbont =

   50% normaal/Deensbont

   50% Deensbont

3. Deensbont x normaal = 100% normaal/Deensbont

4. Normaal/Deensbont x normaal/Deensbont =

   25% normaal

   50% normaal/Deensbont

   25% Deensbont

5. Normaal/Deensbont x normaal =

   50% normaal

   50% normaal/Deensbont

 

 

De mottle

De erfelijke factor die het fenotype 'mottle' bewerkstelligt, zetelt op een autosomaal chromosomenpaar. De factor is recessief t.o.v. niet-mottle en krijgt het symbool mo. De mo-factor is in elke kleurslag in te kweken. Of dat ook zinvol is, is een vraag die ik in een van de volgende artikelen zal beantwoorden. In de ino-reeks wordt het bontpatroon door de werking van de inofactor volledig gemaskeerd.

Uit mottle x normaal krijgen we 100% normaal/mottle (mo+/mo).

Paren we nu een jonge pop uit deze paring terug aan de vader, dus mottle x normaal/mottle, in formules mo/mo x mo+/mo, dan zijn de verwachtingen:

50% mottle (mo/mo)

50% normaal/mottle (mo+/mo).

 

Uit twee splitvogels, bijvoorbeeld een lichtgroen/mottle gepaard aan een lichtgroen/mottle komen:

25% lichtgroen

50% lichtgroen/mottle

25% lichtgroen mottle

 

 

Gele en witte zwartoog

Effen bonten, de zogenaamde gele en witte zwartoog, kweken we als we de genenparen s/s en Pi/Pi in één vogel combineren. Dat doen we als volgt. We paren een Hollandsbonte aan een Deensbonte. Uitgaande van een dubbelfactorige Hollandsbonte krijgen we dan in formules:

Pi/Pi; s+/s+  x  Pi+/Pi+; s/s =

100% enkelfactorig Hollands bont/Deensbont Pi+/Pi; s+/s

                                          

Paren we vervolgens de jongen onderling, dan verkrijgen we in F2 o.a. 6ĵ% dubbelfactorig Hollandsbont tevens Deensbont, met de formule: Pi/Pi; s/s

Dit zijn zuiver gele of witte zwartogen, afhankelijk van de kleurfactoren die we gebruikt hebben. Uit dezelfde paring komen onder meer ook 12½% nakomelingen met de formule: Pi+/Pi; s/s

 

Dikwijls wordt beweerd dat ook deze jongen gele of witte zwartogen zijn, doch dit is beslist niet altijd het geval. Dit blijkt als we een zwartoog met de formule Pi/Pi; s/s aan een Deensbonte paren. Hieruit komen 100%

Pi+/Pi; s/s waarvan de meeste licht getekend zijn. Slechts in enkele gevallen komen uit dergelijke paringen zuivere gele of witte zwartogen, waarmee het bewijs geleverd is dat ook de jongen met de formule Pi+/Pi; s/s uit de paring enkelfactorig Hollands bont/Deensbont x Hollands bont/Deensbont niet altijd gele of witte zwartogen kunnen zijn.

Het voorbeeld bewijst tevens dat de graad die een kenmerk bereikt, het gevolg is van de werking van verschillende genenparen die ingrijpen in van elkaar verschillende ontwikkelingsprocessen gelegen op de weg naar de tenslotte verkregen graad van de bontontwikkeling. Immers, de beide paren van allelen Pi/Pi en s/s hebben op de ontwikkelingsgraad van het kenmerk een gelijkgerichte werking hoewel de aard van de beide bontontwikkelingen en de veelzijdige werking van het s-allel, dat tevens verantwoordelijk is voor het ontbreken van de oogring, er op wijst dat ze niet op dezelfde wijze inwerken op de processen die tot de ontwikkeling van de blanke zwartoog leiden.

 

 

 

De halsbandvariëteit

Toen ik eind zeventiger jaren Grasparkieten houden en kweken schreef, waren er geruchten dat een grasparkietliefhebber uit de staat Texas, USA, bonten met een halsbandeffect fokte. Omdat gedetailleerde gegevens indertijd niet voorhanden waren, vermeldde ik het feit, maar ging er verder niet op in. Dat doe ik thans wel. De halsbandvariëteit ontstaat uit de combinatie van Australisch bont en Deensbont. In Nederland en in de ons omringende landen is deze bontvariëteit echter niet als kleurslag erkend en daarom in geen enkele kleurstandaard beschreven.

Wél zullen we nu een paar paringen uitwerken, zodat in ieder geval duidelijk wordt hoe de halsbandvariëteit tot stand komt.

We beginnen met een dubbelfactorige Australisch bonte aan een Deensbonte te paren. Hieruit komen 100% enkelfactorige Australisch bonten die split zijn voor Deensbont. In formules: Pb/Pb; s+/s+  x Pb+/Pb+; s/s = 100% Pb+/Pb; s+/s

Vervolgens paren we enkelfactorig Australisch bont/Deensbont aan Deensbont. In formules krijgen we dan: Pb+/Pb; s+/s x Pb+/Pb+; s/s.

Hieruit kunnen we verwachten:

25% Australisch bont 1 factorig/Deensbont (Pb+/Pb; s+/s)

25% Normaal/Deensbont (Pb+/Pb+; s+/s)

25% Deensbont (Pb+/Pb+; s/s)

25% Halsbandvariëteit (Pb+/Pb; s/s)

 

De halsbandvariëteit is dus slechts een combinatievorm van twee mutaties en geen aparte mutatie. Denk overigens niet dat elke grasparkiet van deze genetische samenstelling een prachtige halsband toont. Er zijn er inderdaad die een aardige kraag rondom de hals hebben, maar dat is slechts een kleine minderheid. Het infokken van de dubbele Australisch bontfactor leidt echter tot niets. Die moeite kunt u zich besparen.

     

 

  

Ontwikkelingen en variabiliteit van het bontpatroon

Een dieper inzicht in de ontwikkeling van het bontpatroon verkrijgen we als we ons verdiepen in het proces van de pigmentvorming en de genwerkingen die dat proces beheersen. Reeds als de jonge vogel nog in het ei zit, worden de zogeheten melanoblasten gevormd. De melanoblasten zijn de voorlopers van de melanosyten, zijnde gespecialiseerde cellen die in staat zijn melanine te produceren. Zij vinden hun oorsprong voornamelijk in de neurale lijst welke zich op de rugzijde van de ruggengraat bevindt gedurende het embryonale stadium van de vogel.

Onder normale omstandigheden, dus wanneer zich geen mutatieve veranderingen voordoen, worden de embryonale melanoblasten op zeker moment geactiveerd naar de opperhuid te migreren. Aan de basis van de veerpapil differentiëren de melanoblasten zich vervolgens tot melanosyten die onmiddellijk beginnen met de synthese van pigment granules. Deze pigment granules, melanosomen geheten, worden overgedragen aan de baarden en haakjes die gekeratiniseerd worden en zo de gepigmenteerde veer vormen.   

Kort samengevat ziet het proces van de pigmentvorming in de bevedering er als volgt uit:

1. ontstaan basispigmentcel (melanoblast) in de neurale lijst.

2. de melanoblast wordt geactiveerd naar opperhuid te migreren.

3. melanoblast differentieert zich tot melanosyt.

4. de melanosyt vormt kleurstofdrager en start de pigmentsynthese

5. de pigmentgranules worden op kleurstofdrager afgezet.

6. de melanosyt vormt uitlopers waarlangs de pigmentgranules in de

   veercel worden afgezet.

7. opname pigmentgranules in veercel.

 

Het gehele proces van de pigmentvorming wordt beheerst door genen. E.e.a houdt in dat een onbekend aantal genen in verschillende chromosomen gelegen, direct betrokken is bij de pigmentvorming in de bevedering. Doordat in de loop der jaren een aantal van deze genen is gemuteerd, kon worden achterhaald welke functie het gen had alvorens te muteren. Anders gezegd: door te muteren verraadt het gen zijn oorspronkelijke functie.

 

Voor zover we thans weten, veroorzaakt de erfelijke factor Pi (Hollandsbont factor) in een deel van de onderhuidse weefselen waar doorheen de melanoblasten moeten migreren om de basis van de veerpapil te bereiken omstandigheden waardoor de melanoblasten niet of in verminkte vorm op hun eindbestemming aankomen met als gevolg plaatselijk pigmentloze veervelden.

De Pb-factor (Australisch bontfactor) is, voor zover thans bekend, uitsluitend werkzaam in de opperhuid en verhindert daar plaatselijk dat melanoblasten zich tot melanosyten differentiëren.

De werking van de s-factor (Deensbont factor) is van geheel andere aard. De s-factor veroorzaakt een genetisch defect aan de bron waar de pigmentcellen ontstaan nl. aan de neurale lijst zelf waardoor de migratie van een groot deel van de embryonale melanoblasten naar de opperhuid wordt geblokkeerd. Het gevolg is dat plaatselijk pigmentloze veervelden ontstaan. De s-factor belet tevens de vorming van de witte irisring.

De werking van de mo-factor (mottle-factor) duidt op plaatselijke zelfdestructie van de melanocyten zelf waardoor deze - zodra de eerste rui begint - in toenemende mate niet meer in staat zijn melanine te produceren. Het ziet er naar uit dat de melanocyten van de vleugeldekveertjes het meest door deze mutatie worden aangetast en bonte veergebieden gaan vertonen. Eliminatie van pigmentcellen komt ook voor bij de mens onder de benaming vitiligo. Het is een erfelijke aandoening die in toenemende mate pigmentverlies veroorzaakt.

 

Hoewel de genwerkingen van de verschillende bontmutaties geheel verschillend zijn, komt het er telkens op neer dat in bepaalde veervelden op de normale wijze pigment gevormd wordt in andere veervelden niet.

Het antwoord op de vraag waarom in het ene veerveld wel pigment gevormd wordt en in het andere niet is dus niet het plaatselijk wegvallen van de mogelijkheid tyrosinase te produceren door de melanocyten zoals in het verleden werd verondersteld, maar het plaatselijk ontbreken of sterk gedegenereerd zijn van de melanosyten.

De afwezigheid of degeneratie van de melanocyten kan vele oorzaken hebben. Deze kunnen genetisch tot uitdrukking komen in de melanoblasten, maar ook in andere cellen. Melanoblasten kunnen vroegtijdig afsterven, uit de koers raken, verminkt op hun eindbestemming aankomen, vertraagd op bestemming aankomen, enz. Al deze mogelijkheden en nog vele niet genoemde, bepalen op de een of andere wijze de uiteindelijke verschijningsvorm.

 

De variabiliteit van het bontpatroon is van vele factoren afhankelijk. Uitdrukkelijk wijs ik er hier nog eens op dat een bepaald kenmerk, bijvoorbeeld de kleur, nooit door slechts één erfelijke factor wordt bepaald, maar dat hierbij steeds een reeks erfelijke factoren betrokken is, waarbij ieder van de samenwerkende genenparen een eigen werking bezit. Een geschikt voorbeeld van deze veelgenige bepaling van een kenmerk zien we bij de vorming van het bontpatroon, waarvoor een onbekend aantal elkaar aanvullend samenwerkende paren van genen met een verschillend sterke werkingsgraad verantwoordelijk zijn. Hierbij kunnen we naast een paar hoofdgenen, waardoor de graad waarin de bontvorming tot uitdrukking komt in hoofdzaak bepaald wordt, nog bijgenen, modificatiegenen of modificatoren onderscheiden die een bevorderende of remmende invloed op de ontwikkeling van het bontpatroon kunnen uitoefenen.

Het verschijnsel van een wisselende expressiviteit van het bont-gen is verklaarbaar als we in aanmerking nemen dat de gelijke erfelijke hoofdfactoren - Pi voor Hollandsbont, Pb voor Australisch bont en s voor Deensbont - zich bij elke gameetvorming in een verschillend genotypisch milieu bevinden. Het verschijnsel van een wisselende werkingsgraad bij gelijke hoofdgenen kan zelfs aanleiding geven tot dominantiewisseling van het erfelijk kenmerk.

Als we een Deensbonte aan een fokzuivere normale paren, krijgen we 100% uiterlijk normale jongen. Soms zien we echter op de achterkop enkele bonte veertjes. Een bewijs dat deze zuiver recessieve factor zich in het ene genotypische milieu inderdaad zuiver recessief gedraagt, maar in het andere onvolledig dominant.

Hetzelfde zien we een enkele maal uit de paring dubbelfactorig (homozygoot) Hollandsbont x normaal. Hieruit komen normaal 100% enkelfactorig (heterozygoot) Hollandsbonten. Zo nu en dan echter zijn uit een dergelijke paring normale jongen geboren. Blijkbaar gedraagt zich het dominante hoofdgen Pi in bepaalde genotypische milieus recessief en is dus een dergelijke vogel overdrager van een dominante factor zonder het kenmerk te vertonen.

 

Samenvattend kunnen we stellen dat het bontpatroon op de eerste plaats en in grove lijnen door erfelijke factoren wordt beheerst en dat de variabiliteit voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door modificatiegenen met verschillend sterke invloed op de werking van het hoofdgen. Het betekent, dat we door streng te selecteren, bepaalde bontpatronen in grove lijnen vast kunnen leggen.

Niet alles wordt echter door de erfelijke aanleg onveranderlijk bepaald. Onderzoeken we eeneiige tweelingen nauwkeurig, dan vinden we ondanks hun identieke erfelijke aanleg, toch een aantal verschillen, die dus alleen het gevolg kunnen zijn van omgevingsinvloeden. Zoogdieren, ontstaan uit kloningsprocessen, vertonen vaak in de haarpatronen aanzienlijke verschillen, wat eveneens een gevolg moet zijn van milieu-invloeden. Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn om hier ook voor vogels direct gevolgtrekkingen aan te verbinden daar er veel zaken bekend zijn die bij vogels anders verlopen dan bij zoogdieren. Het zou mij echter niet verbazen, als ooit zou worden aangetoond dat milieu-invloeden een grotere rol spelen in de ontwikkeling van het bontpatroon dan we denken.