25. DE CLEARBODIES
Vanuit genetisch standpunt bekeken onderscheiden
we twee soorten clearbodies:
1. Een autosomaal verervende clearbody-variëteit
met dominante kenmerkvorming;
2. Een aan het X-chromosoom gekoppelde
clearbody-variëteit met recessieve
kenmerkvorming.
Ook wat uiterlijk betreft zijn er opvallende
verschilpunten. Beide variëteiten hebben een zeer sterk opgebleekte
lichaamskleur, maar de stuitkleur van de geslachtsgebonden clearbody is
doorgaans minder sterk opgebleekt dan die van de dominante clearbody. Ook zijn
er geslachtsgebonden clearbodies met een vrijwel normaal gekleurde
stuitbevedering. De ondulatie- en vleugeltekening van de dominante clearbody is
zwart, die van de geslachtsgebonden clearbody grijszwart. De arm- en handpennen
van de dominante clearbody komen qua kleur overeen met die van de vogels uit de
normaalserie, de vleugelpennen van de geslachtsgebonden clearbody zijn sterk
opgebleekt.
Beide clearbody-variëteiten hebben normaal
gekleurde staartpennen, dus overeenkomend met de kleurslagen in de
normaalserie. De oogkleur van beide variëteiten is donker de irisring wit.
De dominante clearbody-mutatie vererft
onafhankelijk van alle bekende kleur- en tekeningsmutaties van de grasparkiet
en kan in theorie in elke kleurslag ingefokt worden. Het dominantiesymbool is Cl, de ongemuteerde factor Cl+. De Cl-factor
kan zowel enkelfactorig (1-factorig) als dubbelfactorig (2-factorig) aanwezig
zijn.
De volgende paringen zijn mogelijk:
1. clearbody 2
fac x clearbody 2 fac. =
100%
clearbody 2 fac.
2. clearbody 2
fac. x clearbody 1 fac. =
50% clearbody 2 fac.;
50% clearbody 1 fac.
3. Clearbody 2
fac. x normaal =
100% clearbody 1 fac.
4. clearbody 1
fac. x clearbody 1 fac. =
25% normaal;
50% clearbody 1 fac.
25% clearbody 2 fac.
5. clearbody 1
fac. x normaal =
50% normaal
50% clearbody 1 fac.
De aan het X-chromosoom gekoppelde
clearbody-mutatie wordt ook wel aangeduid als Texas clearbody. Deze kleurslag
is bijzonder interessant omdat de kweekpraktijk inmiddels heeft aangetoond dat
het hier gaat om een dominant allele van de ino-mutatie. Een geval van
multipele allelie dus van een aan het X-chromosoom gekoppelde erfelijke factor.
Het allelisch symbool van deze mutatie is cb. Deze plaatsen we in de formuletaal
als bijschrift bij het ino-symbool.
De formule voor de clearbody man wordt dan: Xino-cb/Xino-cb;
van de pop: Xino-cb/Y
De dominantievolgorde van deze multipele
allelenreeks is Xino+, Xino-cb, Xino.
Ook de geslachtsgebonden clearbody is in theorie
met elke kleurslag te combineren. Zelfs de combinatie dominant clearbody en
geslachtsgebonden clearbody is mogelijk, maar het nut van deze combinatie is
discutabel.
Volledigheidshalve geef ik nu eerst weer de vijf
paringsmogelijkheden met deze geslachtsgebonden mutatie:
1. clearbody x
clearbody =
100% clearbody, t.w. 50% clearbody mannen en
50% clearbody poppen.
2. clearbody x
normaal = 50% normaal/clearbody mannen en 50% clearbody poppen.
3.
normaal/clearbody x clearbody =
25% normaal/clearbody mannen;
25% clearbody mannen;
25% clearbody poppen;
25% normale poppen.
4. normaal x
clearbody =
50% normaal/clearbody mannen en 50% normale poppen.
5. normaal/clearbody
x normaal =
25% normale mannen;
25% normale/clearbody mannen;
25% normale poppen;
25% clearbody poppen.
Paren we vervolgens een ino man aan een clearbody
pop zijn de verwachtingen:
50%
clearbody/ino mannen en 50% ino poppen.
Uit een clearbody man x een ino pop kunnen we
verwachten:
50%
clearbody/ino mannen en 50% clearbody poppen.
Ter afsluiting geef ik u nog een aantal op de
toekomst gerichte paringen.
Clearbody man x lacewing pop. Hieruit kunnen we
verwachten:
50%
clearbody/lacewing mannen en 50% clearbody poppen
Clearbody/lacewing
man x lacewing pop. Hieruit komen:
25%
clearbody/lacewing mannen
25% lacewing mannen
25% clearbody
poppen
25% lacewing
poppen
Lacewing man x
clearbody pop. Hieruit komen:
50%
clearbody/lacewing mannen en 50% lacewing poppen
Clearbody/lacewing x cinnamon. Hieruit kunnen we verwachten:
25%
normale/cinnamon en clearbody mannen;
25%
cinnamon/lacewing mannen;
25% lacewing
poppen;
25% clearbody
poppen.
Bij een crossing-over ontstaan er
cinnamon-clearbody poppen.
Het crossing-over percentage tussen de factor
ino-cb en de cin-factor is net als die tussen de ino en de cin-factor erg
klein, een percentage achter de komma, schat ik.
Zijn we eenmaal in het bezit van een
cinnamon-clearbody pop, dan kunnen we ook cinnamon-clearbody mannen kweken.
Hiertoe paren we de cinnamon-clearbody pop aan een normale man. De mannelijke
nakomelingen uit deze paring zijn alle split voor de gekoppelde factoren ino-cb
en cin. Het jaar daarop paren we een van de jonge splitmannen terug aan zijn
moeder. Hieruit kunnen we dan de gewenste cinnamon-clearbody mannen verwachten.
Uit opaline x clearbody kunnen we verwachten:
50% normale/opaline en clearbody mannen en 50% opaline
poppen
Normaal/opaline
en clearbody x clearbody
Hieruit komen onder normale omstandigheden:
25%
normale/opaline en clearbody mannen;
25% clearbody
mannen;
25% opaline poppen;
25% clearbody poppen.
Treedt er nu bij deze paring een crossing-over op
tussen de chromatiden van de man dan zijn de verwachtingen als volgt:
normale/opaline
en clearbody mannen;
clearbody
mannen;
normale/clearbody
mannen;
clearbody/opaline
mannen;
opaline poppen;
clearbody
poppen;
normale poppen;
opaline
clearbody poppen.
De crossing-over ratio tussen ino-cb en de
op-factor is nog niet onderzocht, maar ligt vermoedelijk in de buurt van die
van de cin- en de op-factor.
In de Amerikaanse literatuur wordt een derde
clearbody-mutatie genoemd, die men 'Clearbody van Teraneo' noemt. Deze mutatie
zou in 1955 zijn ontstaan, maar inmiddels weer zijn verdwenen.
Ook de naam 'Clear lace' of 'Laced clear' wordt
nog al eens genoemd. Naar verluidt zou deze sterk op de dominante clearbody
lijken. Vermoedelijk gaat het hier niet om nieuwe mutatie gaat, maar om de
combinatie van de dominante clearbody en de geslachtsgebonden clearbody.
Tekst: H.W.J. van der Linden