36. HET KEURSYSTEEM EN DE TAAK VAN DE KEURMEESTER

 

 

Bij het keuren van grasparkieten wordt uitgegaan van bepaalde normen die in de standaard omschreven staan. In Nederland wordt bij de twee grootste vogelbonden - de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers en de Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders - de waardetoekenning uitgedrukt in punten, waarbij de keurmeester een keurrapport opmaakt.

Ook in België en Duitsland wordt over het algemeen de beoordeling in punten uitgedrukt. De British Budgerigar Society, werkt volgens een systeem dat weliswaar op een puntenwaardering is gebaseerd, maar waarbij geen keurrapport wordt opgemaakt en plaatsing van de vogels naar rangorde van kwaliteit geschiedt. Dit zgn. plaatsingssysteem wordt ook toegepast bij de Nederlandse Parkieten Club (NGC) - Dutch Budgerigar Society (DBS) en op de grotere grasparkietenshows in Duitsland.

Welk systeem geniet de voorkeur?
Laat ik beginnen met vast te stellen dat het keuren van grasparkieten met als maatstaf een in woorden omschreven ideaalbeeld geen objectieve bezigheid is zoals het opmeten van een luciferdoosje of het wegen van een brok steen. Onderdelen van de grasparkiet als type, kopvorm en kleur zijn nimmer exact te bepalen. Omstandigheden zoals omgeving en lichtinval en het feit dat geen enkele keurmeester hetzelfde karakter bezit, maken dat elke keuring in belangrijke mate subjectief is. Niet voor niets zijn de verschillende vogelorganisaties, gebruikmakend van deze wetenschap, ertoe overgegaan standaardkooien in te voeren, zodat althans in dit opzicht gelijke omstandigheden geschapen zijn.
Om dezelfde reden is ook het keuren bij kunstlicht aan strenge voorwaarden gebonden, zodat ook op dit punt gelijke omstandigheden heersen.

Onwillekeurig speelt tijdens de keuring ook de individuele voorkeur van de keurmeester voor een bepaalde eigenschap een rol. De één zal subjectief een groep grasparkieten onbewust op kopkwaliteit beoordelen, de ander doet dat onbewust op de kwaliteit van de kleur of van het masker. Grasparkieten moeten echter niet slechts op één onderdeel, maar op een aantal volkomen van elkaar verschillende eigenschappen beoordeeld worden. Om dit te bewerkstelligen werd het keurrapport ingevoerd. Door de inrichting van het keurrapport wordt de keurmeester als het ware gedwongen alle onderdelen van de grasparkiet in de beoordeling te betrekken. Andere voordelen van het keurrapport zijn, dat de keurmeester verantwoording aflegt voor zijn beoordeling en dat de kweker uit de gedane op- en aanmerkingen lering kan trekken.

In de standaard wordt de volmaakte grasparkiet, het zogeheten ideaalbeeld, omschreven. Er bestaat echter geen enkele grasparkiet die aan dat ideaal beantwoordt. Het is de taak van de keurmeester bij elke vogel die hij voor z'n neus krijgt te beoordelen in welke mate die vogel van het ideaalbeeld afwijkt, de waardetoekenning in punten uit te drukken en dit gemotiveerd op het keurrapport vast te leggen. Op het keurrapport legt de keurmeester niet alleen verantwoording af voor zijn visie, het is tevens een hulpmiddel bij de beoordeling, waardoor alle onderdelen van de grasparkiet, gezien tegen de achtergrond van de totale vogel als onverbrekelijk geheel, de noodzakelijke aandacht krijgen.

In Engeland, de bakermat van de grasparkietensport, heeft het ontbreken van het keurrapport menigmaal tot uitwassen geleid. Modeverschijnselen en bepaalde voorkeuren van keurmeesters, waarbij bepaalde facetten van de grasparkiet een overdreven belangstelling genoten en waarbij de onderlinge verhoudingen geheel uit het oog werden verloren, zijn er eerder regel dan uitzondering geweest. Maar ook op de grote shows in Duitsland en in ons land, bij de NGC - DBS, waar het plaatsingssysteem het keurrapport heeft verdrongen, constateer ik de laatste jaren steeds vaker dat alles wat groot en fors is op voorhand een dikke streep voor heeft op, wat ik zou willen noemen, de allround-vogel. Enorm forse maar vaak lomp aandoende vogels met weliswaar prachtige uitgebouwde koppen, maar met een dikwijls veel te losse bevedering, matige stokstand, middelmatig van kleur en een foeilelijk masker waarbij de spots als een rijtje medailles onderaan het masker bungelen, genieten hoe langer hoe meer de voorkeur boven de beter ogende allround-vogels. Zeker, wat grootte en kopvorm betreffen, staan deze vogels aan de top, maar de beste allround-showvogels, nee dat zijn ze in mijn visie lang niet altijd.

Bij het keuren zonder keurrapport bestaat het gevaar dat de keurmeester aan bepaalde goede eigenschappen van de grasparkiet een overdreven waarde toekent, anderzijds bepaalde slechte eigenschappen die er in zijn denkwereld minder op aankomen, in het geheel niet of onvoldoende in zijn eindoordeel mee laat wegen. Dit laatste zou in belangrijke mate te voorkomen zijn als twee of drie keurmeesters gezamenlijk en in goed overleg de vogels per groep of klasse op kwaliteit zouden rangschikken.
Persoonlijke voorkeuren, krijgen door het overleg en de onderlinge inspraak dan nauwelijks kans de gezamenlijk uit te voeren klassering van de vogels te beïnvloeden.

Maar ook het keursysteem waarbij voor elke vogel een keurrapport wordt opgemaakt, kent zwakke schakels. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het keuren met behulp van het keurrapport ontaardt in keuren aan de hand van het keurrapport. De man met feeling keurt met behulp van het keurrapport. Hij bekijkt de vogel tegen de achtergrond van het geheel, stelt de waarde vast en geeft vervolgens op het keurrapport een verslag van zijn visie. Voor de keurmeester die het noodzakelijke Fingerspitzengefühl mist, is het keurrapport niet meer dan een puntenlijst. Zonder het onderlinge verband van de totale vogel te zien, sommeert hij stomweg de waargenomen fouten per rubriek, telt het rijtje op en hupsakee.... volgende vogel. U begrijpt, op die manier werkt dit systeem ook niet.

Persoonlijk heb ik geen bepaalde voorkeur wat betreft het systeem. Op wedstrijden waarop ook de voorlichting naar de inzender toe erg belangrijk is, meestal zijn dat de kleinere wedstrijden, prefereer ik het keuren waarbij een keurrapport wordt opgemaakt. Op de grotere wedstrijden, waarop de voorlichting nauwelijks een rol speelt, mag wat mij betreft het plaatsingssysteem gerust ingevoerd worden, mits tenminste twee keurmeesters gezamenlijk een groep vogels beoordelen. Bepaald niet iedereen zal deze zienswijze delen. Dat mag. Over één ding zullen we het stellig eens zijn: welk systeem we ook hanteren, elke keuring valt of staat met de kwaliteit van de mensen die de keuring verrichten.

 

Toelichting bij de keurlijst voor grasparkieten

Inrichting van het keurrapport

Als voorbeeld hanteer ik het keurbriefje, dat op internationale door de C.O.M. (Confederation Ornithologique Mondial) georganiseerde wedstrijden wordt gebruikt, maar dat ook door talrijke nationale bonden in binnen en buitenland wordt gebezigd. Deze keurlijst is ingericht voor 2 keurschalen.
Keurschaal 1 kent 6 rubrieken en geldt voor de wildkleur en alle mutanten, behalve die zonder tekening.
Keurschaal 2 met 4 rubrieken geldt uitsluitend voor:
- ino's in de groen- en de blauwserie evenals de ino's in de blauwserie in combinatie met geelmasker;
- gele en witte zwartogen; ook de combinatie witmasker met geelmasker
- gele en witte dubbelfactorige spangles; ook de combinaties 2 factorige witte spangle met geelmasker.


De eerste drie rubrieken hebben betrekking op de fysieke en psychische eigenschappen van de grasparkiet, de overige zijn bedoeld voor de kleur, het masker inclusief de keelstippen en de tekening.

Rubriek 1: grootte, vorm, conditie en harmonie
Met 'grootte' wordt de totale lengte van de vogel bedoeld.
Onder 'vorm' verstaan we de onderlinge lichaamsverhoudingen; het model of het type van de grasparkiet.
Onder conditie verstaan we de algemene lichamelijke gesteldheid en showtoestand van de vogel. Grove gebreken echter zoals het missen van nagels en tenen, of andere blijvende lichamelijke gebreken, maken dat de betreffende vogel niet voor een puntenwaardering in aanmerking komt. Een slechte toestand van de bevedering is eveneens bepalend voor de conditie. Een zwaar gehavende bevedering van de vleugelbevedering bijv. het missen van diverse vleugelpennen, wordt niet alleen bestraft in rubriek 3, maar is ook bepalend voor de conditie als we de betekenis hiervan wat ruimer nemen, zodat ook bij dit onderdeel puntenaftrek plaatsvindt. In deze rubriek worden tevens kleinere tekortkomingen aan de snavel bestraft, uitgezonderd de kleur van de snavel; deze wordt in rubriek 4 beoordeeld
Onder harmonie verstaan we de samenhang tussen grootte en vorm, maar ook de houding van de vogel is bepalend voor de harmonie van het geheel. Ook de houding van de vogel zoals omschreven in de standaard wordt hier dus beoordeeld.

Rubriek 2: grootte en vorm van de kop
In deze rubriek wordt de grootte en de vorm van de kop beoordeeld, met inbegrip van de vorm en zetting van de snavel en de plaatsing van de ogen.

Rubriek 3: bevedering en houding der vleugels
In deze rubriek beoordelen we de vorm van de vleugels en de houding der vleugels of de vleugeldracht zoals omschreven in de standaard evenals het volledig uitgegroeid en voltallig aanwezig zijn van de vleugelpennen.
Gekruiste vleugels, te lange vleugels en afhangende vleugels worden in deze rubriek bestraft.

Rubriek 4: kleur
In deze rubriek beoordelen we de algemene lichaamskleur van de vogel, inclusief de kleur van de snavel, de washuid, de poten en de nagels. Daarbij gaat het om de juiste standaardkleur, kleurregelmatigheid en kleurdiepte.
In deze rubriek beoordelen we ook de voor opalinen karakteristieke schone mantel of V-vorm.

Rubriek 5: masker en keelstippen
In rubriek 5 worden, voor zover van toepassing, alle facetten van het masker beoordeeld, dus niet alleen de breedte, diepte en de kleurafscheiding van het masker zelf en de grootte, vorm en plaatsing van de keelstippen, maar ook de kleur van masker en keelstippen evenals die van de wangvlekken.

Rubriek 6: tekening
In deze rubriek wordt, voor zover aanwezig en beschreven in de standaard, de kleur en scherpte van de vleugeltekening en de ondergrondkleur van de tekening gewaardeerd. Voor wat betreft de bonten (recessief en dominant) wordt hier ook de symmetrie van het bontpatroon beoordeeld.

Het totaal van 100 punten is theorie, alleen te bereiken voor het ideaalbeeld dat in de standaard omschreven staat. Omdat elke bestaande vogel van dit ideaalbeeld afwijkt, krijgt elke vogel strikt genomen strafpunten wat er op neerkomt, dat in de praktijk maximaal 92 punten wordt gegeven (groepswinnaars onder bepaalde voorwaarden maximaal 93 punten, in dat geval kent de keurmeester in één van de drie bovenste rubrieken één punt extra toe). Minimaal is het aantal te geven punten gesteld op 70.

Het maximum- en minimum aantal te behalen punten per rubriek is als volgt:

Keurschaal 1
Rubriek 1. 33-28;
Rubriek 2. 18-14;
Rubriek 3: 14-10;
Rubriek 4: 9-6;
Rubriek 5: 9-6;
Rubriek 6: 9-6.


Keurschaal 2
Rubriek 1. 33-28;
Rubriek 2. 18-14;
Rubriek 3: 14-10;
Rubriek 4: 27-18

In de tabellen hierboven kunt u het maximaal en minimaal aantal te behalen punten per rubriek in beide kleurschalen aflezen. Per rubriek beschikt de keurmeester dus over een aantal strafpunten. Afhankelijk van de mate waarin de parkiet afwijkt van het ideaal uit de standaard vindt puntenaftrek plaats. Over de wijze waarop grasparkieten gekeurd worden en de taak van de keurmeester heerst nog veel onbegrip. Het lijkt me wenselijk er hier iets over te zeggen.

Het is een misverstand te menen dat het keuren van vogels geschiedt op basis van louter theoretische kennis. Naast een grondige kennis van de standaardeisen en een ruime ervaring met het fokken van standaardgrasparkieten zal de keurmeester op de eerste plaats een sterk ontwikkeld gevoel voor verhoudingen moeten bezitten, maar ook de durf zijn visie op papier te zetten en zonodig te verdedigen.

Een goede keurmeester begint zijn taak met een rondgang langs de stellingen. Hierbij krijgt hij een eerste indruk van de aanwezige kwaliteit. Hierna begint de eigenlijke keuring.

 

Het beoordelen van fouten en tekortkomingen.

Rubriek 1: grootte, vorm, conditie en harmonie
Wanneer we nog eens naar de tabellen kijken, zien we dat de keurmeester voor deze rubriek over vijf strafpunten beschikt. Daar alle onderdelen van deze rubriek min of meer verband met elkaar houden, is het ondoenlijk hiervoor een indeling te maken. Ik zal trachten dit met enkele voorbeelden te verduidelijken.

Een vogel die wat zijn lengte betreft onder de maat van 22 cm is, maar een goed model heeft, over een goede houding beschikt en in optimale conditie verkeert, krijgt, afhankelijk van de mate waarin de vogel van de standaardlengte afwijkt, 1 à 2 strafpunten voor het onderdeel formaat.
Overigens, de beoordeling van het formaat is steeds subjectief en in de meeste gevallen vergelijkend. Er is immers geen enkele keurmeester die een maatlatje hanteert.

Ander voorbeeld: een vogel mist beide verlengde staartpennen. Wat de lengte betreft zal een dergelijke vogel niet aan de standaardeisen voldoen. Ook het model is aangetast. Tenslotte is ook de conditie niet optimaal. Zou nu zo'n vogel verder geen gebreken tonen, dan krijgt de vogel in rubriek 1 drie strafpunten: 1 voor formaat, 1 voor model en 1 voor conditie. Zou deze vogel nu ook nog een uitgezakte borst hebben dan krijgt hij er voor z'n model nog een strafpunt bij. Op het onderdeel model wijkt de vogel namelijk twee keer af van de standaardeisen.

Stel nu, de vogel van ons voorbeeld mist slechts één verlengde staartpen. Formaat en model van de vogel worden hierdoor niet beïnvloed. De puntenaftrek blijft in dit geval beperkt tot 1 punt voor het onderdeel conditie, maar om keurtechnische redenen kan de keurmeester ook besluiten dit foutje bij het onderdeel 'bevedering' in rubriek 3 te bestraffen.

Nog een voorbeeld: een vogel heeft buitengewoon lange staartpennen en een kort lichaam. De totale lengte van de vogel is, zo te zien wél 22 cm. Door de lange staart en het korte lichaam zijn de lichaamsverhoudingen verstoord: 1 à 2 strafpunten voor het onderdeel harmonie, afhankelijk van de mate waarin de vogel van het standaardmodel afwijkt. Het omgekeerde, dus lang lichaam, maar in verhouding te korte staart kost eveneens 1 à 2 punten.

Eén van de vogels op de keurtafel is veel te vet en heeft bovendien een veel te kleine kop in verhouding tot het lichaam. Het model is dus ernstig aangetast: kop niet passend bij het lichaam en een lomp aandoend model, veroorzaakt door een overmaat aan vet. De strafmaat zal in dit geval zijn 1 punt voor het onderdeel model, 1 punt voor het onderdeel conditie (te vet) en 1 punt voor het onderdeel harmonie. In rubriek 1 worden dus drie punten in mindering gebracht. Bovendien wordt de vogel in rubriek 2 nog gestraft voor die te kleine kop.

Nog een voorbeeld uit rubriek 1: vogel wil niet op stok. Dat voor deze tekortkoming wordt gestraft is natuurlijk wel begrijpelijk. Het model van de vogel is hierdoor echter ook onvoldoende te beoordelen. Bijgevolg minimaal 3 strafpunten: 2 voor harmonie, 1 voor model.

Het doorgezakt op stok zitten is fout en wordt bestraft bij het onderdeel harmonie. Deze fout werkt steeds door in het model van de vogel. Niet zelden gaat het doorgezakt op stok zitten, gepaard met een afhangende staartdracht met als gevolg dat ook de uiteinden van de vleugels niet op het stuitkussen rusten. Een foeilelijk gezicht dat als volgt wordt bestraft: in rubriek 1 twee strafpunten, te weten 1 punt voor het onderdeel 'harmonie' en 1 punt voor het onderdeel 'model'; in rubriek 3, 1 strafpunt voor het onderdeel 'houding der vleugels'.

Natuurlijk is het niet steeds nodig bij elk onderdeel een vol punt af te trekken. Een klein houdingfoutje, bijv. iets doorgezakt op stok zitten, werkt natuurlijk ook door in het model, maar minder storend. De strafmaat in rubriek 1 blijft in zo'n licht geval beperkt tot 1 punt: voor elk onderdeel, houding en model, een half punt.
Bij heel erg kleine tekortkomingen wordt helemaal geen puntenaftrek toegepast, maar wordt volstaan met het maken van een korte opmerking op het keurrapport.
In sommige gevallen wordt zelfs rekening gehouden met de natuurlijke gang van zaken. Broedrijpe poppen bijvoorbeeld, met een iets te zwaar onderlijf, worden voor deze kleine tekortkoming niet gestraft. Mannen echter worden voor deze tekortkoming met 1 punt bestraft.

Een groot aantal conditiefouten is tevens van invloed op andere onderdelen van de grasparkiet. Een losse bevedering bijv. beïnvloedt niet alleen het type van de grasparkiet maar ook de kleur. De keurmeester zal in die gevallen steeds genoodzaakt zijn de strafmaat over verschillende rubrieken te verdelen, bijv. 1 punt voor het onderdeel, 'conditie', 1 punt voor 'model' en 1 punt voor 'kleur'. De keurmeester straft in dit voorbeeld dus niet drie keer, maar hij verdeelt de strafpunten over drie verschillende items. Door zo te handelen, laat hij zien de vogel in een onverbrekelijk verband, als een geheel te zien.

De zogenaamde wildvormtypes kunnen hooguit een goede houding en conditie hebben, voor het overige hebben ze niets met een postuurvogel van doen. Als houding en conditie goed zijn scoren ze 29 punten in rubriek 1, in het ontkennende geval krijgen ze het minimum, ergo 28 punten.
Vogels met onherstelbare gebreken zoals het missen van nagels en tenen, pootmisvormingen of snavelvergroeiingen als schepbek en kruissnavel worden niet gekeurd.

Rubriek 2: grootte en vorm van de kop
Voor de beoordeling van de kop beschikken we over 4 strafpunten. Het maximum van 18 punten is voor hooguit 10% van het Nederlandse grasparkietenbestand weggelegd. Op de meeste tentoonstellingen wordt dit percentage niet eens bereikt. Onder de beoordeling van de kop valt ook de vorm en de stand van de snavel evenals de plaatsing van de ogen.

Een kop zonder opvallende plus- of minpunten krijgt 17 punten. Middelmatige koppen 15 à 16 punten, slechte 14 punten. Het bekende wildvormparkietje komt gewoonlijk niet verder dan 14 punten daar hij in geen enkel opzicht aan de in de standaard gestelde normen voldoet.
Het beoordelen van de kop is niet gemakkelijk. De meeste liefhebbers zien wel dat er het een en ander aan een bepaalde kop mankeert, maar hoe die fouten nu in punten uitgedrukt, uitpakken daarvan heeft men vaak geen weet.

Rubriek 3: bevedering en houding der vleugels
Voor de beoordeling van deze rubriek beschikt de keurmeester over een foutenmarge van 4 punten. Voor een normale vleugeldracht wordt 14 punten gegeven, mits de vleugelvorm niet is aangetast door ontbrekende, beschadigde of niet volledig uitgegroeide vleugelpennen.

Veel grasparkieten kruisen de vleugels een beetje zodra ze op de keurtafel komen. Het is een soort schrikhouding. Elke keurmeester kent die houding en zal de vogel even de tijd geven om tot rust te komen. Na een minuut of zo zitten de meeste vogels al weer normaal. Het is duidelijk dat voor die kortstondige schrikhouding niet wordt gestraft. Wanneer de vogel na een paar minuten de vleugels blijft kruisen, is er wat anders aan de hand en vindt puntenaftrek plaats. Voor licht gekruiste vleugels wordt 1 punt afgetrokken. Pas als de vleugels erg kruisen wordt zwaarder gestraft. Veelal gaat het erg gekruist zijn van de vleugels gepaard met een te smalle borstomvang; dit laatste is dan ook al in rubriek 1 bij het onderdeel 'model' bestraft, doch de gevolgen van die fout komen tevens in rubriek 3 tot uiting.

Het missen van vleugelpennen beïnvloedt niet alleen de vorm van de vleugels negatief, maar is ook een conditiefout.
Het zogenaamde 'longflighted-type', vogels met abnormaal lange vleugels die tot over het stuitkussen reiken, krijgen 2 strafpunten.
Afhangende vleugels worden eveneens met 1 à 2 punten bestraft.

Rubriek 4: kleur
In rubriek 4 van het keurrapport krijgen we te maken met een voor beide keurschalen verschillend puntenstelsel. In keurschaal 1 is het maximum te behalen aantal kleurpunten gesteld op 9 en beschikt de keurmeester over 3 strafpunten. Voor een kleur zonder opvallende plus- of minpunten, dus voor een normale kleurkwaliteit, wordt in het algemeen 8 punten gegeven. Het maximum wordt alleen gegeven voor een kleurkwaliteit die er qua diepte en kleurregelmaat uitspringt. Opalinen van een normale kleurkwaliteit, maar met een schone mantel krijgen eveneens een puntje extra, dus een 9, omdat dit specifieke kenmerk van de opaline gezien wordt als een extra moeilijkheidsfactor en dus ook beloond dient te worden als aan de eisen wordt voldaan.

Een veel voorkomende fout in de normaal groenserie is: een te gelige of te fletse kleur. Te flets is overigens ook een veelvoorkomende fout in de normaal blauwserie. Dergelijke fouten worden doorgaans met 1 à 2 punten bestraft, wat correct is daar het hier qua kleur om zeer middelmatige vogels gaat.
Vele D-groenen (donkergroenen) zijn nauwelijks van groenen (lichtgroenen) te onderscheiden. In deze gevallen krijgt de vogel hooguit 7 punten voor kleur. De standaard eist immers een duidelijk onderscheid tussen groen en D-groen (licht- en donkergroen).
Een vlekkerige kleur zien we vooral bij de DD-groenen (olijfgroenen) en de DD-blauwen (mauves); in wat mindere mate bij de vogels met één donkerfactor, ergo de D-groenen (donkergroenen) en D-blauwen (kobaltblauwen) en de violetten.
De grijsgroenen en de grijzen tonen in het algemeen de minste kleurfouten. Sommige grijsgroenen zijn echter te hard van kleur, sommige grijzen zijn te blauwachtig. In deze gevallen zijn de langwerpige wangvlekken blauwgrijs i.p.v. grijs. Deze kleurfout wordt veroorzaakt door de onvolledige werking van de grijsfactor en wordt gewoonlijk met 1 à 2 punten bestraft. Het minimum van 6 punten wordt doorgaans alleen gegeven voor een dubbele kleurfout, bijvoorbeeld én te flets én te vlekkerig. De zogenaamde wildvorm grasparkieten zijn vaak prima van kleur. Hoewel ze in de rubrieken 1 en 2 in geen enkel opzicht aan de standaardeisen voldoen, verdienen en krijgen ze in rubriek 4 dikwijls het volle pond, ergo 9 punten.

In rubriek 4 van keurschaal 2 is er een marge van 9 punten om de kleur te beoordelen. Oorspronkelijk was deze keurschaal alleen bestemd voor effen gekleurde vogels zoals de ino's en de zwartogen. Later zijn daar ook dubbelfactorige spangles bijgekomen, terwijl de Deensbonten, de regenbogen en de overgoten vogels die oorspronkelijk ook in schaal 2 waren ingedeeld, in keurschaal 1 zijn teruggeplaatst.

Uitgaande van een redelijk goede vogel in schaal 1 van 25 à 26 in de onderste drie rubrieken, wordt een redelijk goede ino zonder opvallende plus- of minpunten eveneens met 25 à 26 punten gewaardeerd. Voor die punten verlangt de keurmeester dan wel een diepe en egale lichaamskleur, zonder enige tekening en doorgekleurde vleugel- en staartpennen, ofwel vrijwel witte vleugel- en staartpennen. De toppers zowel met diep doorgekleurde vleugel- en staartpennen als de andere erkende lutinovariëteit met witte vleugel- en staartpennen krijgen dan 27 punten. Tussenvormen van de beide lutino kleurvariëteiten, dus vogels die gele, noch witte vleugel- en staartpennen hebben, krijgen hooguit 23 punten voor kleur.

Veel ino's tonen een lichte tekening. Dit wordt hooguit met 2 punten bestraft. Het bekende groene waas bij de lutino's is zeer moeilijk weg te fokken, de straf hiervoor is zelden meer dan 1 punt, in zeer lichte gevallen wordt in het geheel niet gestraft. Bij de albino's die dikwijls een blauw waas tonen, is het wegfokken van het waas vrij eenvoudig met als gevolg dat ook de keurmeester zich wat minder soepel opstelt. U ziet, soms speelt ook de moeilijkheidsgraad van een kleurslag bij de beoordeling een rol.

Bij de beoordeling van de kleurkwaliteit van de ino's gaat de keurmeester meestal als volgt te werk. Van de 9 strafpunten die hij als marge tussen zeer goed en slecht tot zijn beschikking heeft, reserveert hij in gedachten 5 punten voor de beoordeling van lichaamskleur, de overige 4 om eventuele kleurfouten van de vleugel- en staartpennen, groene of blauwe aanslag en eventuele tekening te bestraffen.

Rubriek 5: masker en keelstippen
Een breed en diep masker versierd met zes ronde op gelijke afstand van elkaar geplaatste keelstippen enkele millimeters boven de kleurscheiding van het masker, geldt als het visitekaartje van de grasparkiet. En terecht! Niet terecht is, indien dat mooie masker zoveel belangstelling krijgt, dat de minder goede eigenschappen van de vogel er bij wijze van spreken niet meer op aankomen. Ook het masker dient beoordeeld te worden tegen de achtergrond van de totale vogel.

In keurschaal 1 heeft de keurmeester hiervoor 3 strafpunten ter beschikking. Het maximum van 9 wordt gegeven voor een puntgaaf masker dat de omschrijving in de standaard zeer nabij komt. Het ontbreken van 1 keelstip wordt met 1 punt bestraft; voor het ontbreken van 2 keelstippen wordt 2 punten afgetrokken. Het ontbreken van keelstippen wordt overigens niet als een conditiefout aangemerkt, ook niet als verschillende keelstippen ontbreken.

De standaardomschrijving van het masker geeft aanleiding tot vele foutenbronnen. Voor de meeste van deze fouten varieert de strafmaat van 1 tot 2 punten. Voor een getekend masker, de zogenaamde flecky headed, wordt 2 punten in mindering gebracht. Dit is een grove fout die bovendien dominant vererft.
In de groenserie schort het nog al eens aan de doorkleuring van het masker, deze is soms te flets: hooguit 1 strafpunt.
Het minimum van 6 punten wordt alleen gegeven als het masker een veelvoud aan tekortkomingen vertoont of in gevallen waarin 3 of meer spots ontbreken.
Bij de Deensbonten mogen de spots geheel of gedeeltelijk ontbreken; hiervoor wordt dus niet gestraft. De overgoten vogels en de regenbogen dienen wél een volledig aantal keelstippen te bezitten, maar deze zijn zeer vaag. "Hoe bleker, hoe beter", zegt de standaard. Voor zeer vage, nauwelijks zichtbare spots wordt dus niet gestraft, wél voor het ontbreken ervan.

Een veelvoorkomende fout bij de opalinen is het zogenaamde 'doorlopen' van het masker; de kleur van het masker gaat a.h.w. geleidelijk over in de algemene lichaamskleur. Een grove fout, die als volgt wordt bestraft: in rubriek 5 wordt 1 punt in mindering gebracht omdat de kleurafscheiding van het masker ontbreekt, in rubriek 4 wordt 1 punt gestraft omdat de borstkleur afwijkt van de algemene lichaamskleur. Indien de keurmeester beide punten in rubriek 5 in mindering zou brengen, dan kan hij andere tekortkomingen van het masker, bijv. het ontbreken van verschillende keelstippen, niet meer bestraffen. Bovendien ontkomt hij toch niet aan dat aftrekpunt voor de kleur, die is immers niet uniform. Het verdelen van de strafmaat over verschillende rubrieken is in zo'n geval dan ook de beste oplossing en keurtechnisch volkomen verantwoord.
In keurschaal 2 ontbreekt de rubriek ‘masker en de keelstippen’.

Rubriek 6: tekening
In de laatste rubriek van het keurrapport wordt niet alleen de scherpte en kleur van tekening beoordeeld, maar ook de ondergrondkleur van de tekening. In schaal 1 is hiervoor een puntenmarge van 3 punten. Een scherpe, regelmatige vleugeltekening van de juiste kleur waarvan ook de ondergrondkleur goed is, wordt met 9 punten gewaardeerd.
Een veel voorkomende fout in de normaalserie is het zogenaamde opaline-effect. In plaats van geel (groenserie) of wit (blauwserie), toont de buitenste band van de vleugeldekveertjes de blauwstructuur en zien we op die plaatsen, afhankelijk van de lichaamskleur, een groenachtige, resp. blauwachtige, violetachtige of grijsachtige schijn. Indien dit effect zeer zwak is en beperkt tot de vleugelbocht, wordt hiervoor als regel niet gestraft en kan de keurmeester volstaan met het maken van een opmerking op het keurrapport. Wanneer deze fout echter een duidelijk opvallend karakter heeft wordt 1 punt gestraft. Ook voor andere fouten van de vleugeltekening geldt als regel een strafmaat van 1 punt. Het minimum wordt gegeven, ergo 3 punten aftrek, wanneer de gehele vleugeltekening een slordige, onscherpe en gereduceerde indruk maakt.

Bij de Deensbonten wordt vooral gelet op de symmetrie van de vleugeltekening; bij de regenbogen en de overgoten vogels op een zo sterk mogelijke reductie van de tekening, des te bleker, des te beter.

Bij de geel- en witvleugels ligt het accent op zo 'blank' mogelijke vleugels, dus een maximale reductie van de tekening, hoe bleker de tekening hoe beter. Bij de cinnamons, de fallows en de lacewings ligt de nadruk op een diep bruine, scherp afstekende vleugeltekening. Opvallend is, dat de tekening van de cinnamon mannen van een diepere kleurnuance is dan die van de poppen. Aangezien het hier om een dimorfismisch verschil gaat, wat zich alleen uit in de cinnamonreeks, wordt de diepere kleurnuance van de mantekening bevoordeeld, noch bestraft.

Bij de spangles ligt de nadruk in rubriek 6 op de regelmatige omzoming van de vleugeldekveertjes en vleugelpennen. Van de grijsvleugels eist de standaard een tekening die qua kleur het midden houdt tussen zwart en kleurloos. Menigmaal echter komen er vogels op de keurtafel die grijsvleugel noch overgoten zijn. De lichaamskleur en de kleur van de tekening zijn te licht voor grijsvleugel en te donker voor overgoten. In die gevallen voldoet ook de kleur van de wangvlekken en de keelstippen niet aan de standaardeisen. Dergelijke miskleuren krijgen 4 strafpunten: 1 voor het onderdeel 'masker', 1 voor het onderdeel 'kleur' en 2 voor het onderdeel 'vleugeltekening'. Cinnamons en fallows waar men de grijsvleugelfactor in heeft gekweekt, worden dienovereenkomstig bestraft.

Bij de dominant bonten gaat het vooral om de symmetrie van de nog resterende vleugeltekening. Over het algemeen zal de keurmeester zich bij de beoordeling hiervan soepel opstellen, gezien de specifieke moeilijkheidsgraad van deze reeks. Tekortkomingen worden hier hooguit met 1 punt bestraft.

In de opalinereeks zien we dikwijls dat de toppen van de binnenste vleugeldekveertjes te zwak doorgekleurd zijn. Eigenlijk zien we het tegengestelde van het in de normaalserie niet gewenste opaline effect. Zolang deze tekortkoming niet echt storend is, wordt hiervoor niet gestraft.
Een andere veelvoorkomende fout bij de opalinen is een zwakke onderbroken vleugeltekening. Op sommige delen van de vleugels ontbreekt de tekening soms geheel. Opmerkelijk is dat deze fout het meest voorkomt bij opalinen met een schone mantel. Gewoonlijk wordt deze fout met 1 strafpunt afgedaan.
In keurschaal 2 ontbreekt de rubriek ‘tekening’.

Het toekennen van stameenheidspunten
Voor een stam, zijnde vier grasparkieten van dezelfde kleur en geslacht, worden maximaal 6 stameenheidspunten toegekend. Teneinde de vereiste eenvormigheid bij de toekenning van de eenheidspunten te verzekeren zijn er regels opgesteld.
Het maximum aantal van 6 stameenheidspunten wordt toegekend als de vier eindtotalen op de keurlijst gelijk zijn, bijv. 89-89-89-89. Zijn er wél verschillen dan wordt het verschil tussen het hoogste en laagste puntentotaal in mindering gebracht op het maximum aantal van 6.
Voorbeeld: een stam van 88 - 88 - 92 - 89; het verschil tussen hoogste en laagste puntenaantal is 4. Deze stam krijgt dus 6-2=2 stameenheidspunten. Bij een verschil van 6 of meer worden geen stameenheidspunten toegekend.


Het is een vaststaand feit dat de liefhebber het niet steeds met de beoordeling van de keurmeester eens is, maar evenzeer een feit is dat de kritiek in vele gevallen ongegrond is, waarmee ik niet wil zeggen dat een keurmeester nooit eens een bok schiet. Bedenk echter ook eens dat het keuren van grasparkieten slechts een momentopname is. In die hooguit vijf minuten dat de keurmeester met uw vogel bezig is, moet die vogel alles geven wat hij aan kwaliteiten in huis heeft. Helaas is het wel eens zo dat de vogel bepaalde kwaliteiten, die hij misschien wel heeft, op het gewenste moment niet toont of in onvoldoende mate toont. Dat kan gauw een paar punten schelen. Denk maar aan de houding, die zoals u heeft kunnen lezen ook het type van de vogel beïnvloedt. Maar toegegeven, er worden door keurmeesters ook wel eens fouten gemaakt.
Een bekend gezegde luidt: 'Wie werkt maakt fouten'. Tracht daarom begrip op te brengen voor het feit dat een keurmeester bij het beoefenen van zijn hobby ook wel eens een steekje laat vallen.
Ik heb u een kijkje achter de schermen van het keuren van grasparkieten laten doen. Ik hoop dat u er wat wijzer van geworden bent en er ook iets mee doet.