36. HET KEURSYSTEEM EN
DE TAAK VAN DE KEURMEESTER
Bij het keuren van grasparkieten wordt
uitgegaan van bepaalde normen die in de standaard omschreven staan. In
Nederland wordt bij de twee grootste vogelbonden - de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers
en de Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders - de waardetoekenning
uitgedrukt in punten, waarbij de keurmeester een keurrapport opmaakt.
Ook in België en Duitsland wordt over het algemeen de beoordeling in
punten uitgedrukt. De British Budgerigar Society, werkt volgens een systeem dat
weliswaar op een puntenwaardering is gebaseerd, maar waarbij geen keurrapport
wordt opgemaakt en plaatsing van de vogels naar rangorde van kwaliteit
geschiedt. Dit zgn. plaatsingssysteem wordt ook toegepast bij de Nederlandse
Parkieten Club (NGC) - Dutch Budgerigar Society (DBS) en op de grotere
grasparkietenshows in Duitsland.
Welk systeem geniet de voorkeur?
Laat ik beginnen met vast te stellen dat het keuren van grasparkieten
met als maatstaf een in woorden omschreven ideaalbeeld geen objectieve
bezigheid is zoals het opmeten van een luciferdoosje of het wegen van een brok
steen. Onderdelen van de grasparkiet als type, kopvorm en kleur zijn nimmer
exact te bepalen. Omstandigheden zoals omgeving en lichtinval en het feit dat
geen enkele keurmeester hetzelfde karakter bezit, maken dat elke keuring in
belangrijke mate subjectief is. Niet voor niets zijn de verschillende
vogelorganisaties, gebruikmakend van deze wetenschap, ertoe overgegaan
standaardkooien in te voeren, zodat althans in dit opzicht gelijke
omstandigheden geschapen zijn.
Om dezelfde reden is ook het keuren bij kunstlicht aan strenge
voorwaarden gebonden, zodat ook op dit punt gelijke omstandigheden heersen.
Onwillekeurig speelt tijdens de keuring ook de individuele voorkeur van
de keurmeester voor een bepaalde eigenschap een rol. De één zal subjectief een
groep grasparkieten onbewust op kopkwaliteit beoordelen, de ander doet dat
onbewust op de kwaliteit van de kleur of van het masker. Grasparkieten moeten
echter niet slechts op één onderdeel, maar op een aantal volkomen van elkaar
verschillende eigenschappen beoordeeld worden. Om dit te bewerkstelligen werd
het keurrapport ingevoerd. Door de inrichting van het keurrapport wordt de
keurmeester als het ware gedwongen alle onderdelen van de grasparkiet in de
beoordeling te betrekken. Andere voordelen van het keurrapport zijn, dat de
keurmeester verantwoording aflegt voor zijn beoordeling en dat de kweker uit de
gedane op- en aanmerkingen lering kan trekken.
In de standaard wordt de volmaakte grasparkiet, het zogeheten
ideaalbeeld, omschreven. Er bestaat echter geen enkele grasparkiet die aan dat
ideaal beantwoordt. Het is de taak van de keurmeester bij elke vogel die hij
voor z'n neus krijgt te beoordelen in welke mate die
vogel van het ideaalbeeld afwijkt, de waardetoekenning in punten uit te drukken
en dit gemotiveerd op het keurrapport vast te leggen. Op het keurrapport legt
de keurmeester niet alleen verantwoording af voor zijn visie, het is tevens een
hulpmiddel bij de beoordeling, waardoor alle onderdelen van de grasparkiet,
gezien tegen de achtergrond van de totale vogel als onverbrekelijk geheel, de
noodzakelijke aandacht krijgen.
In Engeland, de bakermat van de grasparkietensport, heeft het ontbreken
van het keurrapport menigmaal tot uitwassen geleid. Modeverschijnselen en
bepaalde voorkeuren van keurmeesters, waarbij bepaalde
facetten van de grasparkiet een overdreven belangstelling genoten en waarbij de
onderlinge verhoudingen geheel uit het oog werden verloren, zijn er eerder
regel dan uitzondering geweest. Maar ook op de grote shows in Duitsland en in
ons land, bij de NGC - DBS, waar het plaatsingssysteem het keurrapport heeft
verdrongen, constateer ik de laatste jaren steeds vaker dat alles wat groot en
fors is op voorhand een dikke streep voor heeft op, wat ik zou willen noemen,
de allround-vogel. Enorm forse maar vaak lomp aandoende vogels met weliswaar
prachtige uitgebouwde koppen, maar met een dikwijls veel te losse bevedering,
matige stokstand, middelmatig van kleur en een foeilelijk masker waarbij de
spots als een rijtje medailles onderaan het masker bungelen, genieten hoe
langer hoe meer de voorkeur boven de beter ogende
allround-vogels. Zeker, wat grootte en kopvorm betreffen, staan deze vogels aan
de top, maar de beste allround-showvogels, nee dat zijn ze in mijn visie lang
niet altijd.
Bij het keuren zonder keurrapport bestaat het gevaar dat de keurmeester
aan bepaalde goede eigenschappen van de grasparkiet een overdreven waarde
toekent, anderzijds bepaalde slechte eigenschappen die er in zijn denkwereld
minder op aankomen, in het geheel niet of onvoldoende in zijn eindoordeel mee
laat wegen. Dit laatste zou in belangrijke mate te voorkomen zijn als twee of
drie keurmeesters gezamenlijk en in goed overleg de vogels per groep of klasse
op kwaliteit zouden rangschikken.
Persoonlijke voorkeuren, krijgen door het overleg en de onderlinge
inspraak dan nauwelijks kans de gezamenlijk uit te voeren klassering van de
vogels te beïnvloeden.
Maar ook het keursysteem waarbij voor elke vogel een keurrapport wordt
opgemaakt, kent zwakke schakels. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het
keuren met behulp van het keurrapport
ontaardt in keuren aan de hand van het
keurrapport. De man met feeling keurt met
behulp van het keurrapport. Hij bekijkt de vogel tegen de achtergrond van
het geheel, stelt de waarde vast en geeft vervolgens op het keurrapport een
verslag van zijn visie. Voor de keurmeester die het noodzakelijke
Fingerspitzengefühl mist, is het keurrapport niet meer dan een puntenlijst.
Zonder het onderlinge verband van de totale vogel te zien, sommeert hij stomweg
de waargenomen fouten per rubriek, telt het rijtje op en hupsakee.... volgende vogel. U begrijpt, op die manier werkt dit
systeem ook niet.
Persoonlijk heb ik geen bepaalde voorkeur wat betreft het systeem. Op
wedstrijden waarop ook de voorlichting naar de inzender toe erg belangrijk is,
meestal zijn dat de kleinere wedstrijden, prefereer ik
het keuren waarbij een keurrapport wordt opgemaakt. Op de grotere wedstrijden,
waarop de voorlichting nauwelijks een rol speelt, mag wat mij betreft het
plaatsingssysteem gerust ingevoerd worden, mits tenminste
twee keurmeesters gezamenlijk een groep vogels beoordelen. Bepaald niet iedereen
zal deze zienswijze delen. Dat mag. Over één ding zullen we het stellig eens
zijn: welk systeem we ook hanteren, elke keuring valt of staat met de kwaliteit
van de mensen die de keuring verrichten.
Toelichting bij de keurlijst voor
grasparkieten
Inrichting van het keurrapport
Als voorbeeld hanteer ik het keurbriefje, dat
op internationale door de C.O.M. (Confederation Ornithologique Mondial)
georganiseerde wedstrijden wordt gebruikt, maar dat ook door talrijke nationale
bonden in binnen en buitenland wordt gebezigd. Deze
keurlijst is ingericht voor 2 keurschalen.
Keurschaal 1 kent 6 rubrieken en geldt voor de wildkleur en alle
mutanten, behalve die zonder tekening.
Keurschaal 2 met 4 rubrieken geldt uitsluitend voor:
- ino's in de groen- en de blauwserie evenals de ino's in de blauwserie
in combinatie met geelmasker;
- gele en witte zwartogen; ook de combinatie witmasker met geelmasker
- gele en witte dubbelfactorige spangles; ook de combinaties 2
factorige witte spangle met geelmasker.
De eerste drie rubrieken hebben betrekking op de fysieke en psychische
eigenschappen van de grasparkiet, de overige zijn bedoeld voor de kleur, het
masker inclusief de keelstippen en de tekening.
Rubriek 1: grootte, vorm, conditie en harmonie
Met 'grootte' wordt de totale lengte van de vogel bedoeld.
Onder 'vorm' verstaan we de onderlinge lichaamsverhoudingen; het model
of het type van de grasparkiet.
Onder conditie verstaan we de algemene lichamelijke gesteldheid en
showtoestand van de vogel. Grove gebreken echter zoals het missen van nagels en
tenen, of andere blijvende lichamelijke gebreken, maken dat de betreffende
vogel niet voor een puntenwaardering in aanmerking komt. Een slechte toestand
van de bevedering is eveneens bepalend voor de conditie. Een zwaar gehavende
bevedering van de vleugelbevedering bijv. het missen
van diverse vleugelpennen, wordt niet alleen bestraft in rubriek 3, maar is ook
bepalend voor de conditie als we de betekenis hiervan wat ruimer nemen, zodat
ook bij dit onderdeel puntenaftrek plaatsvindt. In deze rubriek worden tevens
kleinere tekortkomingen aan de snavel bestraft, uitgezonderd de kleur van de
snavel; deze wordt in rubriek 4 beoordeeld
Onder harmonie verstaan we de samenhang tussen grootte en vorm, maar
ook de houding van de vogel is bepalend voor de harmonie van het geheel. Ook de
houding van de vogel zoals omschreven in de standaard wordt hier dus
beoordeeld.
Rubriek 2: grootte en vorm van de kop
In deze rubriek wordt de grootte en de vorm van de kop beoordeeld, met
inbegrip van de vorm en zetting van de snavel en de plaatsing van de ogen.
Rubriek 3: bevedering en houding der vleugels
In deze rubriek beoordelen we de vorm van de vleugels en de houding der
vleugels of de vleugeldracht zoals omschreven in de standaard evenals het
volledig uitgegroeid en voltallig aanwezig zijn van de vleugelpennen.
Gekruiste vleugels, te lange vleugels en afhangende vleugels worden in
deze rubriek bestraft.
Rubriek 4: kleur
In deze rubriek beoordelen we de algemene lichaamskleur van de vogel,
inclusief de kleur van de snavel, de washuid, de poten en de nagels. Daarbij
gaat het om de juiste standaardkleur, kleurregelmatigheid en kleurdiepte.
In deze rubriek beoordelen we ook de voor opalinen karakteristieke
schone mantel of V-vorm.
Rubriek 5: masker en keelstippen
In rubriek 5 worden, voor zover van toepassing, alle facetten van het
masker beoordeeld, dus niet alleen de breedte, diepte en de kleurafscheiding
van het masker zelf en de grootte, vorm en plaatsing van de keelstippen, maar
ook de kleur van masker en keelstippen evenals die van de wangvlekken.
Rubriek 6: tekening
In deze rubriek wordt, voor zover aanwezig en beschreven
in de standaard, de kleur en scherpte van de vleugeltekening en de
ondergrondkleur van de tekening gewaardeerd. Voor wat betreft de bonten
(recessief en dominant) wordt hier ook de symmetrie van het bontpatroon
beoordeeld.
Het totaal van 100 punten is theorie, alleen
te bereiken voor het ideaalbeeld dat in de standaard omschreven staat. Omdat
elke bestaande vogel van dit ideaalbeeld afwijkt, krijgt elke vogel strikt
genomen strafpunten wat er op neerkomt, dat in de praktijk maximaal 92 punten
wordt gegeven (groepswinnaars onder bepaalde voorwaarden maximaal 93 punten, in
dat geval kent de keurmeester in één van de drie bovenste rubrieken één punt
extra toe). Minimaal is het aantal te geven punten gesteld op 70.
Het maximum- en minimum aantal te behalen punten per rubriek is als
volgt:
Keurschaal 1
Rubriek 1. 33-28;
Rubriek 2. 18-14;
Rubriek 3: 14-10;
Rubriek 4: 9-6;
Rubriek 5: 9-6;
Rubriek 6: 9-6.
Keurschaal 2
Rubriek 1. 33-28;
Rubriek 2. 18-14;
Rubriek 3: 14-10;
Rubriek 4: 27-18
In de tabellen hierboven kunt u het maximaal
en minimaal aantal te behalen punten per rubriek in beide kleurschalen aflezen.
Per rubriek beschikt de keurmeester dus over een aantal strafpunten.
Afhankelijk van de mate waarin de parkiet afwijkt van het ideaal uit de
standaard vindt puntenaftrek plaats. Over de wijze waarop grasparkieten gekeurd
worden en de taak van de keurmeester heerst nog veel onbegrip. Het lijkt me
wenselijk er hier iets over te zeggen.
Het is een misverstand te menen dat het keuren van vogels geschiedt op
basis van louter theoretische kennis. Naast een grondige kennis van de
standaardeisen en een ruime ervaring met het fokken van standaardgrasparkieten
zal de keurmeester op de eerste plaats een sterk ontwikkeld gevoel voor
verhoudingen moeten bezitten, maar ook de durf zijn visie op papier te zetten
en zonodig te verdedigen.
Een goede keurmeester begint zijn taak met een rondgang langs de
stellingen. Hierbij krijgt hij een eerste indruk van de aanwezige kwaliteit.
Hierna begint de eigenlijke keuring.
Het beoordelen van fouten en tekortkomingen.
Rubriek 1: grootte, vorm, conditie en harmonie
Wanneer we nog eens naar de tabellen kijken, zien we dat
de keurmeester voor deze rubriek over vijf strafpunten beschikt. Daar alle
onderdelen van deze rubriek min of meer verband met elkaar houden, is het
ondoenlijk hiervoor een indeling te maken. Ik zal trachten dit met enkele
voorbeelden te verduidelijken.
Een vogel die wat zijn lengte betreft onder de maat van
Overigens, de beoordeling van het formaat is steeds
subjectief en in de meeste gevallen vergelijkend. Er is immers geen enkele
keurmeester die een maatlatje hanteert.
Ander voorbeeld: een vogel mist beide verlengde
staartpennen. Wat de lengte betreft zal een dergelijke vogel niet aan de
standaardeisen voldoen. Ook het model is aangetast. Tenslotte
is ook de conditie niet optimaal. Zou nu zo'n vogel
verder geen gebreken tonen, dan krijgt de vogel in rubriek 1 drie strafpunten:
1 voor formaat, 1 voor model en 1 voor conditie. Zou deze vogel nu ook nog een
uitgezakte borst hebben dan krijgt hij er voor z'n
model nog een strafpunt bij. Op het onderdeel model wijkt de vogel namelijk
twee keer af van de standaardeisen.
Stel nu, de vogel van ons voorbeeld mist slechts één
verlengde staartpen. Formaat en model van de vogel worden hierdoor niet
beïnvloed. De puntenaftrek blijft in dit geval beperkt tot 1 punt voor het
onderdeel conditie, maar om keurtechnische redenen kan de keurmeester ook
besluiten dit foutje bij het onderdeel 'bevedering' in rubriek 3 te bestraffen.
Nog een voorbeeld: een vogel heeft buitengewoon lange
staartpennen en een kort lichaam. De totale lengte van de vogel is, zo te zien
wél
Eén van de vogels op de keurtafel is veel te vet en heeft
bovendien een veel te kleine kop in verhouding tot het lichaam. Het model is
dus ernstig aangetast: kop niet passend bij het lichaam en een lomp aandoend
model, veroorzaakt door een overmaat aan vet. De strafmaat zal in dit geval
zijn 1 punt voor het onderdeel model, 1 punt voor het onderdeel conditie (te
vet) en 1 punt voor het onderdeel harmonie. In rubriek 1 worden dus drie punten
in mindering gebracht. Bovendien wordt de vogel in rubriek 2 nog gestraft voor
die te kleine kop.
Nog een voorbeeld uit rubriek 1: vogel wil niet op stok.
Dat voor deze tekortkoming wordt gestraft is natuurlijk wel begrijpelijk. Het
model van de vogel is hierdoor echter ook onvoldoende te beoordelen. Bijgevolg
minimaal 3 strafpunten: 2 voor harmonie, 1 voor model.
Het doorgezakt op stok zitten is fout en wordt bestraft
bij het onderdeel harmonie. Deze fout werkt steeds door in het model van de
vogel. Niet zelden gaat het doorgezakt op stok zitten, gepaard met een
afhangende staartdracht met als gevolg dat ook de uiteinden van de vleugels
niet op het stuitkussen rusten. Een foeilelijk gezicht dat als volgt wordt
bestraft: in rubriek 1 twee strafpunten, te weten 1
punt voor het onderdeel 'harmonie' en 1 punt voor het onderdeel 'model'; in
rubriek 3, 1 strafpunt voor het onderdeel 'houding der vleugels'.
Natuurlijk is het niet steeds nodig bij elk onderdeel een
vol punt af te trekken. Een klein houdingfoutje, bijv. iets
doorgezakt op stok zitten, werkt natuurlijk ook door in het model, maar minder
storend. De strafmaat in rubriek 1 blijft in zo'n
licht geval beperkt tot 1 punt: voor elk onderdeel, houding en model, een half
punt.
Bij heel erg kleine tekortkomingen wordt helemaal geen
puntenaftrek toegepast, maar wordt volstaan met het maken van een korte
opmerking op het keurrapport.
In sommige gevallen wordt zelfs rekening gehouden met de
natuurlijke gang van zaken. Broedrijpe poppen bijvoorbeeld, met een iets te
zwaar onderlijf, worden voor deze kleine tekortkoming niet gestraft. Mannen
echter worden voor deze tekortkoming met 1 punt bestraft.
Een groot aantal conditiefouten is tevens van invloed op
andere onderdelen van de grasparkiet. Een losse bevedering bijv. beïnvloedt niet alleen het type van de grasparkiet maar ook
de kleur. De keurmeester zal in die gevallen steeds genoodzaakt
zijn de strafmaat over verschillende rubrieken te verdelen, bijv. 1 punt voor
het onderdeel, 'conditie', 1 punt voor 'model' en 1 punt voor 'kleur'. De
keurmeester straft in dit voorbeeld dus niet drie keer, maar hij verdeelt de
strafpunten over drie verschillende items. Door zo te
handelen, laat hij zien de vogel in een onverbrekelijk verband, als een geheel
te zien.
De zogenaamde wildvormtypes kunnen hooguit een goede
houding en conditie hebben, voor het overige hebben ze niets met een
postuurvogel van doen. Als houding en conditie goed zijn scoren ze 29 punten in
rubriek
Vogels met onherstelbare gebreken zoals het missen van
nagels en tenen, pootmisvormingen of snavelvergroeiingen als schepbek en
kruissnavel worden niet gekeurd.
Rubriek 2: grootte en vorm van de kop
Voor de beoordeling van de kop beschikken we over 4
strafpunten. Het maximum van 18 punten is voor hooguit 10% van het Nederlandse
grasparkietenbestand weggelegd. Op de meeste tentoonstellingen wordt dit
percentage niet eens bereikt. Onder de beoordeling van de kop valt ook de vorm
en de stand van de snavel evenals de plaatsing van de ogen.
Een kop zonder opvallende plus- of minpunten krijgt 17
punten. Middelmatige koppen 15 à 16 punten, slechte 14 punten. Het bekende
wildvormparkietje komt gewoonlijk niet verder dan 14 punten daar hij in geen
enkel opzicht aan de in de standaard gestelde normen voldoet.
Het beoordelen van de kop is niet gemakkelijk. De meeste
liefhebbers zien wel dat er het een en ander aan een bepaalde kop mankeert, maar
hoe die fouten nu in punten uitgedrukt, uitpakken daarvan heeft men vaak geen
weet.
Rubriek 3: bevedering en houding der vleugels
Voor de beoordeling van deze rubriek beschikt de
keurmeester over een foutenmarge van 4 punten. Voor een normale vleugeldracht
wordt 14 punten gegeven, mits de vleugelvorm niet is aangetast door
ontbrekende, beschadigde of niet volledig uitgegroeide vleugelpennen.
Veel grasparkieten kruisen de vleugels een beetje zodra ze
op de keurtafel komen. Het is een soort schrikhouding. Elke keurmeester kent
die houding en zal de vogel even de tijd geven om tot rust te komen. Na een
minuut of zo zitten de meeste vogels al weer normaal. Het is duidelijk dat voor
die kortstondige schrikhouding niet wordt gestraft. Wanneer de vogel na een
paar minuten de vleugels blijft kruisen, is er wat anders aan de hand en vindt
puntenaftrek plaats. Voor licht gekruiste vleugels wordt 1 punt afgetrokken.
Pas als de vleugels erg kruisen wordt zwaarder gestraft. Veelal gaat het erg
gekruist zijn van de vleugels gepaard met een te smalle borstomvang; dit
laatste is dan ook al in rubriek 1 bij het onderdeel 'model' bestraft, doch de
gevolgen van die fout komen tevens in rubriek 3 tot uiting.
Het missen van vleugelpennen beïnvloedt niet alleen de
vorm van de vleugels negatief, maar is ook een conditiefout.
Het zogenaamde 'longflighted-type', vogels met abnormaal
lange vleugels die tot over het stuitkussen reiken, krijgen 2 strafpunten.
Afhangende vleugels worden eveneens met 1 à 2 punten
bestraft.
Rubriek 4: kleur
In rubriek 4 van het keurrapport krijgen we te maken met
een voor beide keurschalen verschillend puntenstelsel. In keurschaal 1 is het
maximum te behalen aantal kleurpunten gesteld op 9 en beschikt de keurmeester
over 3 strafpunten. Voor een kleur zonder opvallende plus- of minpunten, dus
voor een normale kleurkwaliteit, wordt in het algemeen
8 punten gegeven. Het maximum wordt alleen gegeven voor een kleurkwaliteit die
er qua diepte en kleurregelmaat uitspringt. Opalinen van een normale kleurkwaliteit,
maar met een schone mantel krijgen eveneens een puntje extra, dus een 9, omdat
dit specifieke kenmerk van de opaline gezien wordt als een extra
moeilijkheidsfactor en dus ook beloond dient te worden als aan de eisen wordt
voldaan.
Een veel voorkomende fout in de normaal
groenserie is: een te gelige of te fletse kleur. Te flets is overigens ook een
veelvoorkomende fout in de normaal blauwserie.
Dergelijke fouten worden doorgaans met 1 à 2 punten bestraft, wat correct is
daar het hier qua kleur om zeer middelmatige vogels gaat.
Vele D-groenen (donkergroenen) zijn nauwelijks van groenen
(lichtgroenen) te onderscheiden. In deze gevallen krijgt de vogel hooguit 7
punten voor kleur. De standaard eist immers een duidelijk onderscheid tussen
groen en D-groen (licht- en donkergroen).
Een vlekkerige kleur zien we vooral bij de DD-groenen
(olijfgroenen) en de DD-blauwen (mauves); in wat mindere mate bij de vogels met
één donkerfactor, ergo de D-groenen (donkergroenen) en D-blauwen
(kobaltblauwen) en de violetten.
De grijsgroenen en de grijzen
tonen in het algemeen de minste kleurfouten. Sommige grijsgroenen zijn echter
te hard van kleur, sommige grijzen zijn te blauwachtig. In deze gevallen zijn
de langwerpige wangvlekken blauwgrijs i.p.v. grijs. Deze kleurfout wordt
veroorzaakt door de onvolledige werking van de grijsfactor en wordt gewoonlijk
met 1 à 2 punten bestraft. Het minimum van 6 punten wordt doorgaans alleen
gegeven voor een dubbele kleurfout, bijvoorbeeld én te flets én te vlekkerig.
De zogenaamde wildvorm grasparkieten zijn vaak prima van kleur. Hoewel ze in de rubrieken 1 en
In rubriek 4 van keurschaal 2 is er een marge van 9 punten
om de kleur te beoordelen. Oorspronkelijk was deze keurschaal alleen bestemd
voor effen gekleurde vogels zoals de ino's en de zwartogen. Later zijn daar ook
dubbelfactorige spangles bijgekomen, terwijl de Deensbonten, de regenbogen en
de overgoten vogels die oorspronkelijk ook in schaal 2 waren ingedeeld, in
keurschaal 1 zijn teruggeplaatst.
Uitgaande van een redelijk goede vogel in schaal 1 van 25
à
Veel ino's tonen een lichte tekening. Dit wordt hooguit
met 2 punten bestraft. Het bekende groene waas bij de lutino's is zeer moeilijk
weg te fokken, de straf hiervoor is zelden meer dan 1 punt, in zeer lichte
gevallen wordt in het geheel niet gestraft. Bij de albino's die dikwijls een
blauw waas tonen, is het wegfokken van het waas vrij eenvoudig met als gevolg
dat ook de keurmeester zich wat minder soepel opstelt. U ziet, soms speelt ook
de moeilijkheidsgraad van een kleurslag bij de beoordeling een rol.
Bij de beoordeling van de kleurkwaliteit van de ino's gaat
de keurmeester meestal als volgt te werk. Van de 9 strafpunten die hij als
marge tussen zeer goed en slecht tot zijn beschikking heeft, reserveert hij in
gedachten 5 punten voor de beoordeling van lichaamskleur, de overige 4 om
eventuele kleurfouten van de vleugel- en staartpennen, groene of blauwe aanslag
en eventuele tekening te bestraffen.
Rubriek 5: masker en keelstippen
Een breed en diep masker versierd met zes ronde op gelijke
afstand van elkaar geplaatste keelstippen enkele millimeters boven de
kleurscheiding van het masker, geldt als het visitekaartje van de grasparkiet.
En terecht! Niet terecht is, indien dat mooie masker zoveel belangstelling
krijgt, dat de minder goede eigenschappen van de vogel er bij wijze van spreken
niet meer op aankomen. Ook het masker dient beoordeeld te worden tegen de
achtergrond van de totale vogel.
In keurschaal 1 heeft de keurmeester hiervoor 3 strafpunten
ter beschikking. Het maximum van 9 wordt gegeven voor een puntgaaf masker dat
de omschrijving in de standaard zeer nabij komt. Het ontbreken van 1 keelstip
wordt met 1 punt bestraft; voor het ontbreken van 2 keelstippen wordt 2 punten
afgetrokken. Het ontbreken van keelstippen wordt overigens niet als een
conditiefout aangemerkt, ook niet als verschillende keelstippen ontbreken.
De standaardomschrijving van het masker geeft aanleiding
tot vele foutenbronnen. Voor de meeste van deze fouten varieert de strafmaat
van 1 tot 2 punten. Voor een getekend masker, de zogenaamde flecky headed,
wordt 2 punten in mindering gebracht. Dit is een grove fout die bovendien
dominant vererft.
In de groenserie schort het nog al eens aan de
doorkleuring van het masker, deze is soms te flets: hooguit 1 strafpunt.
Het minimum van 6 punten wordt alleen gegeven als het
masker een veelvoud aan tekortkomingen vertoont of in gevallen waarin 3 of meer
spots ontbreken.
Bij de Deensbonten mogen de spots geheel of gedeeltelijk ontbreken;
hiervoor wordt dus niet gestraft. De overgoten vogels en de regenbogen dienen
wél een volledig aantal keelstippen te bezitten, maar deze zijn zeer vaag.
"Hoe bleker, hoe beter", zegt de standaard. Voor zeer vage,
nauwelijks zichtbare spots wordt dus niet gestraft, wél voor het ontbreken
ervan.
Een veelvoorkomende fout bij de opalinen is het zogenaamde
'doorlopen' van het masker; de kleur van het masker gaat a.h.w. geleidelijk
over in de algemene lichaamskleur. Een grove fout, die als volgt wordt
bestraft: in rubriek 5 wordt 1 punt in mindering gebracht omdat de
kleurafscheiding van het masker ontbreekt, in rubriek 4 wordt 1 punt gestraft
omdat de borstkleur afwijkt van de algemene lichaamskleur. Indien de
keurmeester beide punten in rubriek
In keurschaal 2 ontbreekt de rubriek ‘masker en de
keelstippen’.
Rubriek 6: tekening
In de laatste rubriek van het keurrapport wordt niet
alleen de scherpte en kleur van tekening beoordeeld, maar ook de
ondergrondkleur van de tekening. In schaal 1 is hiervoor een puntenmarge van 3
punten. Een scherpe, regelmatige vleugeltekening van de juiste kleur waarvan
ook de ondergrondkleur goed is, wordt met 9 punten gewaardeerd.
Een veel voorkomende fout in de normaalserie is het
zogenaamde opaline-effect. In plaats van geel (groenserie) of
wit (blauwserie), toont de buitenste band van de vleugeldekveertjes de
blauwstructuur en zien we op die plaatsen, afhankelijk van de lichaamskleur,
een groenachtige, resp. blauwachtige, violetachtige of grijsachtige schijn. Indien
dit effect zeer zwak is en beperkt tot de vleugelbocht, wordt hiervoor als
regel niet gestraft en kan de keurmeester volstaan met het maken van een
opmerking op het keurrapport. Wanneer deze fout echter een duidelijk opvallend
karakter heeft wordt 1 punt gestraft. Ook voor andere fouten van de
vleugeltekening geldt als regel een strafmaat van 1 punt. Het minimum wordt
gegeven, ergo 3 punten aftrek, wanneer de gehele vleugeltekening een slordige,
onscherpe en gereduceerde indruk maakt.
Bij de Deensbonten wordt vooral gelet op de symmetrie van
de vleugeltekening; bij de regenbogen en de overgoten vogels op een zo sterk
mogelijke reductie van de tekening, des te bleker, des
te beter.
Bij de geel- en witvleugels ligt het accent op zo 'blank'
mogelijke vleugels, dus een maximale reductie van de
tekening, hoe bleker de tekening hoe beter. Bij de
cinnamons, de fallows en de lacewings ligt de nadruk op een diep bruine, scherp
afstekende vleugeltekening. Opvallend is, dat de tekening van de cinnamon
mannen van een diepere kleurnuance is dan die van de poppen. Aangezien het hier
om een dimorfismisch verschil gaat, wat zich alleen uit in de cinnamonreeks,
wordt de diepere kleurnuance van de mantekening bevoordeeld, noch bestraft.
Bij de spangles ligt de nadruk in rubriek 6 op de
regelmatige omzoming van de vleugeldekveertjes en vleugelpennen. Van de
grijsvleugels eist de standaard een tekening die qua kleur het midden houdt
tussen zwart en kleurloos. Menigmaal echter komen er vogels
op de keurtafel die grijsvleugel noch overgoten zijn. De lichaamskleur
en de kleur van de tekening zijn te licht voor grijsvleugel en te donker voor
overgoten. In die gevallen voldoet ook de kleur van de wangvlekken en de
keelstippen niet aan de standaardeisen. Dergelijke miskleuren krijgen 4
strafpunten: 1 voor het onderdeel 'masker', 1 voor het onderdeel 'kleur' en 2
voor het onderdeel 'vleugeltekening'. Cinnamons en fallows waar men de
grijsvleugelfactor in heeft gekweekt, worden dienovereenkomstig bestraft.
Bij de dominant bonten gaat het vooral om de symmetrie van
de nog resterende vleugeltekening. Over het algemeen zal de keurmeester zich
bij de beoordeling hiervan soepel opstellen, gezien de specifieke
moeilijkheidsgraad van deze reeks. Tekortkomingen worden hier hooguit met 1
punt bestraft.
In de opalinereeks zien we dikwijls dat de toppen van de
binnenste vleugeldekveertjes te zwak doorgekleurd zijn. Eigenlijk zien we het
tegengestelde van het in de normaalserie niet gewenste opaline effect. Zolang
deze tekortkoming niet echt storend is, wordt hiervoor niet gestraft.
Een andere veelvoorkomende fout bij de opalinen is een
zwakke onderbroken vleugeltekening. Op sommige delen
van de vleugels ontbreekt de tekening soms geheel. Opmerkelijk is dat deze fout
het meest voorkomt bij opalinen met een schone mantel. Gewoonlijk wordt deze
fout met 1 strafpunt afgedaan.
In keurschaal 2 ontbreekt de rubriek ‘tekening’.
Het toekennen van stameenheidspunten
Voor een stam, zijnde vier grasparkieten van dezelfde
kleur en geslacht, worden maximaal 6 stameenheidspunten toegekend. Teneinde de vereiste eenvormigheid bij de toekenning van de
eenheidspunten te verzekeren zijn er regels opgesteld.
Het maximum aantal van 6 stameenheidspunten wordt
toegekend als de vier eindtotalen op de keurlijst gelijk zijn, bijv.
89-89-89-89. Zijn er wél verschillen dan wordt het verschil tussen het hoogste
en laagste puntentotaal in mindering gebracht op het maximum aantal van 6.
Voorbeeld: een stam van 88 - 88 - 92 -
89; het verschil tussen hoogste en laagste puntenaantal is 4. Deze stam krijgt dus 6-2=2 stameenheidspunten. Bij een verschil
van 6 of meer worden geen stameenheidspunten toegekend.
Het is een vaststaand feit dat de
liefhebber het niet steeds met de beoordeling van de keurmeester eens is, maar
evenzeer een feit is dat de kritiek in vele gevallen ongegrond is, waarmee ik
niet wil zeggen dat een keurmeester nooit eens een bok schiet. Bedenk echter ook eens dat het keuren van grasparkieten slechts
een momentopname is. In die hooguit vijf minuten dat de keurmeester met uw
vogel bezig is, moet die vogel alles geven wat hij aan kwaliteiten in huis
heeft. Helaas is het wel eens zo dat de vogel bepaalde kwaliteiten, die hij
misschien wel heeft, op het gewenste moment niet toont of in onvoldoende mate
toont. Dat kan gauw een paar punten schelen. Denk maar aan de houding, die
zoals u heeft kunnen lezen ook het type van de vogel
beïnvloedt. Maar toegegeven, er worden door keurmeesters ook wel eens fouten
gemaakt.
Een bekend gezegde luidt: 'Wie werkt maakt fouten'. Tracht
daarom begrip op te brengen voor het feit dat een keurmeester bij het beoefenen
van zijn hobby ook wel eens een steekje laat vallen.
Ik heb u een kijkje achter de schermen van het keuren van
grasparkieten laten doen. Ik hoop dat u er wat wijzer van geworden bent en er
ook iets mee doet.