37. ZIEKTEN
Algemene richtlijnen
ter voorkoming en genezing van ziekten
Jaarlijks
gaan veel grasparkieten dood aan ziekten die voorkomen hadden kunnen worden als
de eigenaar wat meer aan ziektepreventie had gedaan. Meer dan de helft van het
aantal doodsoorzaken is terug te voeren op huisvestingsfouten, onvolledige
voeding, gebrekkige hygiëne en het achterwege blijven van doelmatige voorzorgsmaatregelen.
Wie
zijn vogels in een tochtig en vochtig onderkomen huisvest of te veel vogels in
een te kleine ruimte houdt, vraagt om narigheid. Hetzelfde geldt voor de
liefhebber die zijn vogels uitsluitend zaad voorzet of de algemene hygiëne aan
zijn laars lapt. Ook het instellen van een quarantaineperiode voor nieuw aangekochte
vogels, behoort tot de normale voorzorgsmaatregelenter voorkoming van ziekten.
Laten we toch vooral bedenken dat de goedkoopste en meest effectieve
bestrijding van ziekten nog altijd het voorkómen ervan is.
Helaas
kan ook de beste verzorging niet voorkomen dat er wel eens vogels ziek worden.
Ook optimaal verzorgde vogels kunnen een longontsteking
of een virusziekte oplopen of besmet worden met parasieten of bacteriën. Kortom
ook de liefhebber die zijn dieren optimaal verzorgt, zal van tijd tot tijd met
ziekten te maken krijgen.
Ongeacht
de aard van de ziekte ziet de ene zieke vogel er bijna precies zo uit als de
andere. Sommige vogels kunnen diarree of ademhalingsmoeilijkheden hebben, hetgeen een aanwijzing kan zijn voor een bepaalde ziekte.
Vaker worden we echter geconfronteerd met het volgende algemene beeld: een
afkeer van beweging, opgezette veren, suffen, apathisch gedrag, veel slapen met
twee poten op een stok in plaats van met één poot opgetrokken in de bevedering
zoals normaal bij het slapen, half toegeknepen dofstaande ogen, een verminderd
vliegvermogen. Zodra een vogel een of verschillende van bovenstaande symptomen
vertoont, moeten we ingrijpen. Neem geen afwachtende houding aan, want een dag uitstel
betekent meestal het einde voor de vogel; bovendien riskeert u bij een
besmettelijke ziekte ook het leven van de andere vogels. Vang de vogel dus
direct uit en probeer de aard van de ziekte te ontdekken.
Soms
zijn de symptomen zo duidelijk dat de oorzaak van de ziektegemakkelijk is vast
te stellen en men gericht te werk kan gaan. In de meeste gevallen echter zal
het stellen van een diagnosevoor ons liefhebbers niet mogelijk zijn. Wanneer u
er zelf niet uitkomt, aarzel dan niet een dierenarts te raadplegen. Uiteindelijk
is hij de eerst aangewezen persoon om bij ziekten van dieren hulp te bieden.
Het is stellig waar, dat één zieke vogel vaak minder waard is dan een bezoek
aan de dierenarts, maar als de mogelijkheid van een besmettelijke ziekte niet
uitgesloten is, is het een welbestede uitgave. Een catastrofe zoals een totale
ontvolking van uw fokkerij, kost u behalve veel geld ook een aantal slapeloze
nachten. Bovendien ben ik van mening dat iemand die dieren wil houden ook de
consequenties ervan dient te aanvaarden.
Wat
de oorzaak van het kwaad ook mag zijn, zet een zieke vogel altijd apart, het
liefst in een zgn. ziekenkooi die voorzien is van een regelbare warmtebron.
Vogels hebben een hoge stofwisselingsgraad, hun lichaamstemperatuur ligt enkele
graden Celsius boven die van de mens, zodat iedere storing of ziekte gemakkelijk
de normale regulatiesystemen in het lichaam in de war brengt. Een zieke vogel
zal dan ook spoedig moeite hebben zijn lichaamstemperatuur op peil te houden.
Ook de bloedcirculatie is verminderd, waardoor het ziekteproces versneld wordt
en de weerstand tegen andere ziekten snel afneemt. Essentieel is te trachten
hierin wat verbetering te brengen door de patiënt extra warmte te verschaffen.
Begin met de temperatuur in de ziekenkooi op ongeveer 30° Celsius af te
stellen. Blijft de vogel bij deze temperatuur 'dik' zitten, voer dan de
temperatuur tot 35° op. Als de vogel met open snavel begint te
hijgen, is het te warm en moet de temperatuur omlaag. In lichte ziektegevallen
heeft het verblijf in een verwarmde omgeving vaak een verrassend resultaat. De
warmte, benodigd voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur, stelt de
vogel in staat met zijn eigen afweermiddelen de ziekte te overwinnen. Wanneer
de vogel opgeknapt is, kan de temperatuur over een periode van een paar dagen
geleidelijk weer worden teruggebracht tot de normale. Enkele dagen daarna kan
de vogel weer in zijn eigen omgeving worden losgelaten.
Als
kort na elkaar verschillende vogels ziek worden, zijn er tweemanieren om het
kwaad te bestrijden. De eerste en helaas meest gebruikelijke is, zelf te
klungelen met producten die men bij de hand heeft. De kans dat men er op deze
manier in slaagt de ziekte onder controle te krijgen, is bijzonder klein. De
tweede en verreweg de beste manier van werken is, alle vogels met verdachte symptomen
apart te zetten, niets toe te dienen en zich onmiddellijk tot een dierenarts te
wenden met het verzoek onderzoek te verrichten. Men kan zich ook richten tot de
Faculteit Diergeneeskunde, Kliniek voor Gezelschapsdieren, afdeling kleine
gezelschapsdieren, vogels en bijzondere dieren te Utrecht, telefoon (afspraken)
030-2539411.
De
kosten die deze instelling voor het onderzoek in rekening brengt, vallen over
het algemeen wel mee.
Voor
het onderzoek kan men het beste een zieke vogel aanbieden die naar alle waarschijnlijkheid toch niet meer te redden is. De
dierenarts kan het dier dan pijnloos uit zijn lijden verlossen en het onderzoek
onmiddellijk daarna verrichten. Het pijnloos doden van een stervende vogel kan
nauwelijks bezwaarlijk zijn, te meer omdat de ziekteverwekkers veel beter te achterhalen
zijn dan bijeen post-mortem onderzoek waardoor andere vogels mogelijk gered kunnen
worden.
Men
heeft in het algemeen ongeveer 48 uur nodig om één of verschillende
bacteriën te determineren en te identificeren - iets meer tijd als het om
paratyfus of om psittacose gaat – maar na het eerste onderzoek is meestal al een
min of meer gerichte behandeling mogelijk. Zieke vogels die binnen drie etmalen
na het optreden van ziekteverschijnselen met de juiste medicijnen worden
behandeld, hebben een reële kans op herstel. Daarna verminderende kansen op
welslagen naar gelang men het onderzoek uitstelt.
Gebreksziekten
Gebreksziekten
zijn eigenlijk geen echte ziekten; ze ontstaan als de vogels een noodzakelijk
voedingselement tekort komen of er te veel van krijgen en ze verdwijnen
gewoonlijk zodra de oorzaak is opgeheven. In extreme gevallen echter, vooral
bij nestjongen,kunnen er als gevolg van gebreksziekten
misvormingen optreden met onherstelbare gevolgen.
Een
groot aantal gebreksziekten is het gevolg van een gebrek aan een bepaalde
vitamine of aan verschillende vitaminen. Iedere vitamine grijpt op een zeer
specifieke wijze in het proces van de stofwisseling in. Gebrek of een tekort
aan een bepaalde vitamine uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is
voor de ontbrekende vitamine. Men spreekt bij het totaal ontbreken van een
vitamine van avitaminose en bij een tekort van hypovitaminose. Een teveel aan
vitamine, wat zich met name voorkan doen bij de
vitaminen A en D, wordt hypervitaminose genoemd. Beschouwen we nu de
ziektebeelden die het gevolg zijn van vitaminedeficiënties.
Vitamine A-deficiëntie
Vitamine
A is de meest belangrijke vitamine. Zij is onontbeerlijk voor het bestaan van
het leven, de groei en de voortplanting. Avitaminose A uit zich in een algemene
achteruitgang van de gezondheid, onbevruchte eieren, zwellingen aan poten en
kop, ruwe bevedering en plotselinge sterfte.
Hypervitaminose
A veroorzaakt leverziekten.
Vitamine D3-deficiëntie
Vitamine
D3 speelt een belangrijke rol bij de beenvorming en is met
name onmisbaar bij de calcium- en fosforstofwisseling. Daarnaast speelt
deze vitamine ook een rol in de bescherming tegen infecties en de
vruchtbaarheid. Avitaminose D3 veroorzaakt veelal rachitis, gekenmerkt door een
week beendergestel, zachte pijnlijke gewrichten en een in S-vorm vergroeid borstbeen. De ziekte komt alleen voor bij jonge
opgroeiende dieren. Men kan de diagnose stellen door aftasting van het skelet.
Met enige anatomische kennis is dit zeer wel mogelijk. In twijfel gevallen kunnen
door de dierenarts foto's gemaakt worden. De maatregelen ter voorkoming en
behandeling van rachitis zijn identiek. Voldoende vitamine D3 verstrekken en
zorgen voor voldoende zon. Voorts zorgen dat de vogels de beschikking hebben
over een goed mineralenmengsel waarin in voldoende mate fosfor en calcium aanwezig
zijn, bijv. voederkalk. In ernstige mate aangetaste dieren
blijven misvormd, doordat de verbogen beenderen door de opname van genoemde
mineralen hard worden en in de onnatuurlijke vorm blijven staan.
Andere
deficiëntieverschijnselen als gevolg van avitaminose D3 zijn: slechte groei,
verlammingsverschijnselen, ruwe bevedering, schaalloze eieren en legnood. Een
overdosering vitamine D gedurende langere tijd resulteert in ontkalking van het
beendergestel.
Vitamine E-deficiëntie
Het
feit dat men de vitamine E in sterke concentratie aantreft in de hypofyse, de
bijnieren en de testes doet vermoeden dat het een belangrijk biochemische rol
speelt in de klieren met inwendige secretie. Verder is
vitamine E als antioxidant van vitamine A indirect van invloed op de
vruchtbaarheid. Een tekort aan vitamine E resulteert in slechte
broeduitkomsten. Ook verlammingsverschijnselen en het onvermogen tot vliegen
kunnen een gevolg zijn van een vitamine E-deficiëntie.
Vitamine B-deficiënties
Een
avitaminose B1 veroorzaakt een vergiftiging van het zenuwstelsel door de afbraakproducten
van de suikerverbranding in de spieren. Vandaar dat bij een tekort aan vitamine
B1 o.a. verlammingsverschijnselen optreden. Andere deficiëntieverschijnselen
zijn: ruwe bevedering, bolzitten en een slijmerige ontlasting.
Ook
het vitamine B2 is betrokken bij de stofwisseling van de suikers.
Een
vitamine B2-deficiëntie uit zich in een verminderde groei, afsterven van het
embryo in het ei en teenverkrommingen.
Een
tekort aan vitamine B6 leidt onherroepelijk tot storingen in de
eiwitstofwisseling en een hiermee gepaard gaande slechte groei en
kramptoestanden.
Een
vitamine B12-gebrek zal ongetwijfeld leiden tot slechte broedresultaten, zoals
slecht uit het ei komen en een hoge sterfte gedurende de eerste levensdagen.
Choline-deficiëntie
leidt tot leververvetting en een hiermede gepaard gaande lichamelijke
achteruitgang.
Een
tekort aan nicotinezuur, ook wel vitamine P genoemd, veroorzaakt diarree, gemis
aan eetlust, vertraagde groei, een gebrekkige bevedering en ontstekingen
aan de huid.
Een
tekort aan pantotheenzuur ten slotte veroorzaakt een groeistilstand. Ook lage
broeduitkomsten en een slechte bevedering met kale plekken in de nek en hals
kunnen op een gebrek aan pantotheenzuur duiden.
Behalve
de zojuist opgesomde gebreksziekten als gevolg van een gebrek aan één of
verschillende vitaminen, zijn er nog een aantal bekend waaraan een tekort aan
eiwitten of een eiwitovervoeding ten grondslag ligt. De belangrijkste wil ik
niet onvermeld laten.
Spreidpoten
Een
aandoening waarbij de jonge grasparkiet met gespreide poten plat op de buik in
het nestblok ligt, sterk in groei achterblijft en tenslotte
geheel verkommert.
De
oorzaak is een tekort aan bepaalde eiwitten op een bepaald moment in het leven
van de jonge vogel; een tekort dat niet meer ingehaald kan worden. Bij een
voldoende eiwitrijke voeding gedurende het gehele jaar komt de ziekte niet
voor. De aandoening is ongeneeslijk.
Jicht
Men
onderscheidt twee vormen van jicht, nl. gewrichtsjicht en ingewandsjicht. Bij
gewrichtsjicht zijn de gewrichten gezwollen vooral de voetwortel en de
teengewrichten. Deze zijn dik, voelen warm aan, zijn pijnlijk
en bevatten uraten in de vorm van kleine knobbels met een crèmekleurige pasta-achtige
inhoud, vergelijkbaar met etterhaarden. Bij ingewandsjicht kunnen
nieren, lever, milt, darmen, longen en luchtzakken aangetast zijn. In tegenstelling
tot gewrichtsjicht is ingewandsjicht bij levende dieren niet vast te stellen.
Vogels die sterk vermageren en een krijtachtige ontlasting hebben zijn
verdacht.
De
oorzaak van jicht staat niet vast. Mogelijke oorzaken zijn:een
tekort aan vitamine A, eiwitovervoeding, nierbeschadiging, watertekort. Jicht
komt in elke leeftijdscategorie voor. De aandoening is bij oudere grasparkieten
slepend. De vogels vermageren sterk en kwijnen langzaam weg. Beide vormen van
jicht zijn ongeneeslijk. Grasparkieten zijn er erg gevoelig voor.
Jicht
kan preventief bestreden worden door voldoende fris drinkwater ter beschikking
te stellen, waken voor eiwitovervoeding en tekort aan vitamine A.
Hieronder
een overzicht van de meest voorkomende infectieziekten
Parasitaire
aandoeningen en ziekten
Uitwendige parasieten
(ectoparasieten)
Mijten en luizen
Vogels
worden regelmatig geplaagd door uitwendige parasieten. De voornaamste
uitwendige parasieten die we bij grasparkieten aankunnen treffen, zijn:
bloedmijt (bloedluis), vedermijt, vederluis en schurftmijt. Ze alle in detail
bespreken zou te ver voeren en ik zal mij hier dan ook beperken tot enkele
algemene beschouwingen en richtlijnen.
In het algemeen maken alle
huidparasieten de vogels onrustig en doen hun eetlust verminderen waardoor ze
vermageren en hun conditie achteruit gaat. Vooral jonge vogels zijn er zeer gevoelig
voor. Behalve deze algemene verschijnselen veroorzaken sommige parasieten ook
nog specifieke letsels.
De
bloedmijt zuigt 's nachts bloed en veroorzaakt zo bloedarmoede. Vooral
broedende en jonge vogels die in het nestblok zitten, ondervinden veel hinder
van de bloedmijt, waardoor de fok nadelig wordt beïnvloed en soms geheel
mislukt.
De
vedermijten tasten de bevedering aan en zetten er hun eieren (neten) op af.
Sommige mijtsoorten dringen de schacht van de zich ontwikkelende veer binnen en
leven van de voedingsstoffen waarvan de veer moet groeien. Het is duidelijk dat
op die manier van een goede bevedering niets terecht komt.
Ook
de kleine vederluis tast de bevedering aan en zet haar neten erop af.
De
voedselmijt leeft niet zozeer op de vogel zelf, maar in de zaadbakken of tussen
bedorven zaad. Het is duidelijk dat ze de vogels schade berokkenen als ze samen
met het aangetaste zaad
opgenomen worden.
Preventief
kunnen we bovenstaande parasieten bestrijden door de mijten zo min mogelijk
schuilgelegenheid te bieden en te zorgen voor een droog hok en goede hygiënische
voorzieningen. Wanneer we ondanks alles toch met deze parasieten geconfronteerd
worden, zullen we gebruik moeten maken van insecticiden. De voorkeur gaat uit
naar een insecticide op basis van pyrethrine en piperonylbutoxyde. Het wordt
door verschillende fabrikanten in de handel gebracht en is voor de vogels het
minst schadelijk; chloorhoudende insecticiden daarentegen
kan men beter niet gebruiken. Het spreekt vanzelf dat we ons bij het gebruik
van bestrijdingsmiddelen nauwgezet houden aan de toepassingsvoorschriften die
op de verpakking staan aangegeven.
Als
ontsmettingsmiddel van kooien en binnenverblijven kan malathion, een organofosfaat,
wél veilig gebruikt worden. Uiteraard dienen de vogels voor de behandeling van
de verblijven verwijderd te worden en dient er een ruime tijd gewacht te worden
alvorens ze weer toe te laten.
Sommige
grasparkieten lijden aan scaly face en scaly leg, ook wel schurftmijtziekte
genoemd. De aandoening wordt veroorzaakt door de mijt Cnemidocoptes pilae, die de vogel rond de snavel, de ogen, de anus
en aan de poten aantast. De aandoening komt het meest voor bij grasparkieten in
de leeftijd tot twee jaar.
De
schurftmijt zet zich af op veerfollikels en in huidplooien en dringt direct de
opperhuid binnen. De daarbij ontstane huidveranderingen veroorzaken op en
rondom genoemde lichaamsdelen kraterachtige woekeringen. Als we er niets aan
doen gaan de vogels op den duur te gronde.
Over
de wijze waarop de aandoening van de ene op de andere
parkiet wordt overgebracht lopen de meningen uiteen. Sommigen zijn van mening
dat grasparkieten vaak latente dragers van de mijt zijn en veronderstellen dat
de parasiet alreeds bij het voeren in het nest op de
jongen wordt overgedragen. De aandoening komt echter ook voor bij oudere
grasparkieten in samenhang met andere gezondheidsstoringen, die resulteren in
een verminderd weerstandsvermogen. Uit eigen ervaring kan ik bevestigen dat de
vogels er het eerste levensjaar het meest vatbaar voor zijn. Opvallend is, dat
steeds dezelfde dieren behandeld moeten worden waaruit ik afleid dat de een er
meer ontvankelijk voor is dan de ander. Onderzoekingen hebben aangetoond dat de
aandoening zich niet door het volièrebestand verspreidt.
Een
behandeling met Ivermectine (Ivermectin) geeft goede resultaten. De behandeling
geschiedt door 1 - 2 druppels van dit middel in de
halsstreek van de vogel aan te brengen. De behandeling wordt zonodig enkele
keren herhaald.
Het
in vroegere jaren veelgeprezen middel Odylen is thans niet meer verkrijgbaar.
Inwendige parasieten
(endoparasieten)
Wormen
Van
de inwendige parasieten kunnen de wormen een ware plaag vormen. De
belangrijkste wormsoorten die de grasparkiet parasiteren, zijn de ascariden of
spoelwormen en de capillaria of haarwormen.
Spoelwormen
zijn ronde wormen die aan beide einden spitsuitlopen, met een lengte van
ongeveer
De
verschijnselen van een ascaridia-besmetting treden enkele weken na de opname
van de eieren op, bijgevolg nooit bij nestjongen. In het begin is een verhoogde
eetlust waar te nemen, doch desondanks vermageren de vogels sterk. Het
borstbeen voelt scherp aan. Zelden treedt diarree op. Vaak raakt de dunne darm geheel
verstopt. Dit veroorzaakt dan een opgezwollen buik, gebrek aan eetlust en
braken. Daar deze wormen tevens irritatie van de darmen
veroorzaken, wordt de opname van vitaminen belemmerd en kunnen
verlammingsverschijnselen optreden, dit zowel bij lichte als bij zware
besmettingen. Onnodig erop te wijzen dat de conditie van de vogels snel
achteruit loopt, met dikwijls fatale gevolgen.
De
capillaria zijn, zoals de naam al zegt, zo dun als een
haar. De lengte is ongeveer
Een
uitstekend wormmiddel is Overotol (Roders & Tol). Het middel wordt
uitstekend verdragen. Wordt toegediend met druppelpipet of knopnaald. Dosering
voor grasparkieten 1 - 2 druppels Overotol. De
behandeling na veertien dagen herhalen.
Wie
de toediening met druppelpipet of knopnaald niet aandurft, is aangewezen op de
drinkwaterkuur. Zeer geschikt voor deze methode is het
wormmiddel Levamisole. Tijdens de kuur geen ander drinkwater en groenvoer
verstrekken.
De
orale ontworming, d.w.z. het wormmiddel rechtstreeks in de snavel of krop
geniet echter de voorkeur, omdat de drinkwaterkuur vanwege het onregelmatige
drinkgedrag van parkieten niet altijd tot het gewenste resultaat leidt.
Een
herhaling van de kuur na 3 weken is aan te bevelen.
Het
is wenselijk de vogels na een wormkuur een extra vitaminestoot te geven. Met name een gebrek aan vitamine A schijnt het
besmettingsgevaar aanmerkelijk te verhogen.
Ter
voorkoming van herbesmetting dienen de hokken te worden gedesinfecteerd. Dit
moet na een week nog eens worden herhaald. De buitenvolière moet
Ideaal
is een betonnen vloer met roosters onder de zitstokken
Protozoaire infecties
Giardia-infectie
Giardia-infecties
komen bij rasparkieten regelmatig voor. De veroorzaker behoort tot de
flagellaten (zweepdiertjes). De grootste klacht is verenpikken; dit kan zo
hevig zijn, dat de andere symptomen, zoals diarree, vermagering, het schilferen
van de huid en de meer algemene ziektesymptomen, over het hoofd worden gezien.
Het verenpikken begint meestal op flanken en dijbenen.
Gewoonlijk wordt aangenomen dat het verenpikken veroorzaakt wordt door jeuk als
gevolg van een allergische reactie op Giardia. Microscopisch onderzoek van
verse ontlasting kan de diagnose bevestigen.
Als
therapeutica komen o.a. dimentridazole (Emtryl) en ronidazole in aanmerking. De
kansen op genezing zijn wisselend. Behandelde vogels 2-4 weken in de gaten
houden omdat de infectie vaak opnieuw tevoorschijn treedt.
Bacteriële infecties
Bacteriële
infecties nemen behoudens een enkele uitzondering zoals salmonellose-infectie
vooral een secundaire plaats in. In principe komen Emterobacteriaceae (verzamelnaam voor darmorganismen) niet voor als
darmflora. Wanneer een bacteriesoort kans ziet zich in
de vogeldarm te vestigen, dan is er sprake van een verstoorde verhouding tussen
afweer en infectiedruk. Dit kan het begin zijn van een ingewikkeld en niet-specifiek
ziektebeeld waarbij voeding, verzorging en hygiëne een voorname rol spelen.
Salmonellose
Salmonellose
of paratyfus wordt veroorzaakt door kiemen van het salmonella-type; bij vogels
vrijwel uitsluitend door Salmonella
typhimurium, een beweeglijke staafjesvormige bacterie met een zeer lange
overlevingsduur. In uitwerpselen van besmette dieren kan men na zes weken en
dikwijls veel langer de bacterie nog aantonen. Vogels die salmonella hebben
gehad en ervan genezen zijn, kunnen smetstofdragers blijven en bacillen
uitscheiden. Dit samen met de lange overlevingsduur in de uitwerpselen
verklaart waarom de ziekte zo besmettelijk is en vrijwel over de gehele wereld
wordt aangetroffen.
De
besmetting vindt plaats door het opnemen van met bacillen besmet voer of
drinkwater of via het snavelen. Oorzaak zijn vaak ratten,
muizen en buitenvogels (open buitenvolières) waarvan de uitwerpselen in het
voer of drinkwater zijn terechtgekomen. Salmonellabacteriën kunnen ook via de
eierstok op het broedei worden overgebracht. Deze eieren komen meestal niet uit
doordat het embryo in het ei afsterft; komen ze wel uit, dan sterft het jong
gewoonlijk kort na de geboorte. De incubatietijd bedraagt 4 à 5 dagen.
Het
ziektebeeld kan bij oude en jonge vogels sterk verschillen. Bij nestjongen
treedt plotseling een hevige darmontsteking op, die in enkele uren meestal
dodelijk afloopt. Volwassen grasparkieten vertonen aanvankelijk het algemene
ziektebeeld: rillen, suffen, apathisch gedrag. In een later stadium treedt diarree
op. Niet zelden wordt ademnood geconstateerd. Meestal vertonen meerdere vogels
van het bestand een overeenkomend ziektebeeld, waardoor het epidemische
karakter duidelijk wordt. Een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting kan
de diagnose bevestigen.
Salmonellose
is niet gemakkelijk te genezen, ook al vanwege de korte incubatietijd. Zieke
vogels worden behandeld met een antibioticum geschikt voor het bestrijden van
salmonella-infectie zoals Enrofloxacin (Baytril), in samenhang met omvangrijke desinfectiemaatregelen.
Ernstig
zieke vogels zijn ondanks intensieve behandeling zelden te redden.
Colibacillose
Colibacillose
wordt veroorzaakt door verschillende stammen van de bacterie Escherichia coli. De besmetting vindt
veelal plaats door opname van met ontlasting bevuild drinkwater of voer. De ziekteverschijnselen
zijn niet specifiek, maar meer van algemene aard. Bijna altijd treedt diarree
op. De ziekte komt vooral voorbij nestjongen en eist veel slachtoffers. Oudere
grasparkieten hebben een zekere weerstand tegen colibacteriën, ofschoon vogels die
in een slechte lichamelijke conditie verkeren er ook vatbaar voor zijn.
Colibacillose
is slechts door een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting of van de
inwendige organen vast te stellen. Aangezien er verschillende stammen E. coli bestaan, met een duidelijk
verschil in antibioticumgevoeligheid, is zonder gevoeligheidstest geen gerichte
behandeling mogelijk.
Goede
hygiënische voorzieningen, vooral het voorkomen dat uw vogels van met ontlasting
bevuild water drinken, draagt bij de ziekte te voorkomen.
Going-light disease
Een
ziekteverschijnsel waarbij de vogels sterk vermageren, lusteloos zijn en
voortdurend ineen gedoken zitten. De ziekte wordt veroorzaakt door een - in
taxonomisch opzicht – onbekende megabacterie en slaat toe als de conditie van
de vogels te wensen laat. Going-light, letterlijk 'lichter worden'
komt in elke leeftijdsgroep voor. Oudervogels kunnen de besmetting op de jongen
overbrengen. Op latere leeftijd komt de ziekte dan vroeg of laat tot uiting. De
vogels kunnen lange tijd drager van de bacterie zijn zonder
ziekteverschijnselen te vertonen. De ziekte geldt als zeer besmettelijk.
Going-light
disease heeft gewoonlijk een chronisch verloop. In de beginfase lijkt het of de
vogel gaat ruien. Na een aantal maanden blijkt dat de vogel niet meer in
conditie komt.
De
slijmhuid van de maagklieren die de maagzuren
produceren zijn aangetast en raken ontstoken. Het opgenomen voedsel wordt moeilijk
verteerbaar en de maagwand raakt steeds verder in verval omdat door de
onvolledige spijsvertering ook het natuurlijke afweersysteem nalaat. Het
afweersysteem wordt steeds zwakker doordat de vogel minder voedsel tot zich
neemt. Soms lijkt het even of de vogel weer opknapt, maar dat is maar schijn.
Het aftakelingsproces kan maanden duren waarbij de vogel alsmaar magerder wordt
en uiteindelijk van uitputting sterft.
In
acute ziektegevallen sterft de vogel plotseling aan inwendige bloedingen van de
maagwand veroorzaakt door de bacterie.
Een
bacteriologisch onderzoek van de ontlasting kan de diagnose bevestigen.
Voor
deze ziekte is nog geen afdoend geneesmiddel gevonden.
Vogeltuberculose
Tuberculose
veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium
avium komt bij grasparkieten nauwelijks voor. De reden dat ik er hier toch
even op inga houdt verband met de overdraagbaarheid van de ziekte op de mens.
De besmetting geschiedt veelal met de voeding, maar is ook mogelijk via
inademing van met deze bacteriën verontreinigde lucht.
Vogeltuberculose
is een slepende, vaak maandenlangdurende ziekte, waarbij de vogel in het begin
sterk vermagert. Tot kort voor het einde vertonen ze nauwelijks
ziekteverschijnselen. Later treedt dikwijls diarree op, soms ook krijgt de vogel
ademhalingsstoornissen.
Het
met zekerheid vaststellen van de ziekte is bij levende vogels niet eenvoudig.
De tuberculinatietest is bij vogels niet erg betrouwbaar terwijl ook het
bloedonderzoek niet altijd bruikbaar blijkt te zijn. Bij sectie daarentegen blijken lever en milt vaak groter dan normaal en
groenachtig van kleur. De aangetaste organen vertonen bleekgele knobbels, die
soms door de huid heen voelbaar zijn.
Behandeling
van de ziekte is niet mogelijk.
Chlamydia-infectie
Papegaaienziekte
of chlamydiose zoals de ziekte tegenwoordig algemeen genoemd wordt, is een veel
voorkomende ziekte bij vogels die ook de mens kan aantasten. De ziekte wordt
veroorzaakt door Chlamydia psittaci, een
smetstof die - vanuit de systematiek gezien - tussen de virussen en bacteriën
staat.
De
besmetting met chlamydia geschiedt in eerste instantie direct via de ademhaling
door inhalatie van rondzwevende besmette stofdeeltjes of via het voeren van de
jongen en van de broedparen onderling. Indirect via voer- en drinkbak,
transportkisten, tentoonstellingskooien of door uitwendige parasieten. Papegaaienziekte
kan zich zeer verschillend manifesteren. Men onderscheidt een acuut en een
chronisch ziektebeeld. De acute vorm van papegaaienziekte uit zich in verkoudheidachtige
verschijnselen: suffen, rillen, moeilijk ademhalen, neus- en ooguitvloeiingen,
uitputting en sterfte. Bij chronische infecties zien we slechts algemene vage
ziekteverschijnselen, slechte veerconditie, dikwijls treedt gewichtsverlies op.
Grasparkieten
kunnen drager zijn van de smetstof zonder zelf ziekteverschijnselen te
vertonen. Ook kunnen deze ogenschijnlijk volkomen gezonde dieren de smetstof
met de ontlasting uitscheiden en een voortdurende besmettingsbron zijn voor
mens en vogel.
Indien
papegaaienziekte als zodanig wordt erkend is de ziekte met de daarvoor
geschikte medicijnen werkzaam te bestrijden. Grasparkieten worden gewoonlijk
gedurende 30 dagen behandeld met geïmpregneerd milletzaad, dat 0,05%
chloortetracycline (500 ppm) bevat of met een met doxycycline (240 ppm) geïmpregneerd
en gepeld zaadmengsel van millet (90%) en gebroken tarwe (10%).
Tijdens
de kuur dient men bijzondere aandacht te schenken
aan de verzorging, omdat de vogels dan extra
bevattelijk zijn voor infecties met bacteriën en schimmels. Het verdient aanbeveling
tijdens de behandelingsperiode dagelijks een multivitamine- en
aminozuurpreparaat aan het drinkwater toe te voegen teneinde de negatieve
bijwerkingen van de tetracycline af te zwakken en de
natuurlijke weerstand van de vogels te ondersteunen.
Het
regelmatig reinigen en desinfecteren van het vogel verblijf met een quarternair
ammoniumproduct, als Halaquat Forte (Veip),draagt bij
de smetstof uit te schakelen en herbesmetting te voorkomen.
Virusinfecties
Pseudovogelpest
Pseudovogelpest
of NCD (New Castle Disease) is een gevreesde pluimveeziekte, maar ook
verschillende papegaaiachtigen zijn er vrij gevoelig voor. Hoewel de ziekte bij
grasparkieten slechts zelden wordt vastgesteld, blijken deze vogels zeer gevoelig
voor experimentele infecties.
Pseudovogelpest
wordt veroorzaakt door een virus van de zogeheten paramyxo-virusgroep. De
incubatietijd bedraagt minimaal drie dagen. De ziekteverschijnselen zijn zeer
verschillend. In veel gevallen worden ademhalingsstoornissen en diarree waargenomen.
Soms treden neusvloeiingen op of worden verlammingsverschijnselen opgemerkt.
Een andere keer de algemene ziekteverschijnselen zoals bolzitten, veel slapen,
weinig eetlust en een bevuilde cloaca als gevolg van de diarree. De aangetaste dieren
sterven vrijwel altijd tussen de zesde en negende dag na het optreden van de
eerste ziekteverschijnselen.
Uitsluitsel
over pseudovogelpest kan alleen met behulp van laboratoriummethoden worden
gegeven.
Voor
deze ziekte bestaat zoals bij alle virusziekten geen remedie.
Beschermende
maatregelen:
Wanneer
op Nederlands grondgebied NCD wordt vastgesteld, stelt de overheid rond de
besmettingshaard een bescherming- en toezichtgebied in. Binnen het bescherming-
en toezichtgebied kunnen allerlei maatregelen verplicht gesteld worden, zoals aanvullende
vaccinaties voor alle categorieën bedrijfspluimvee, vervoersverbod voor
pluimvee en vogels, verbod op het houden van tentoonstellingen, enz. Indien men
in zo’n bescherming- en toezichtgebied woont, is het
raadzaam in overleg met de dierenarts een voorbehoedende enting (sprayenting)
te doen. De resultaten van dergelijke entingen bij groepen vogels zijn goed maar
bieden slechts voor korte tijd (enkele maanden) bescherming.
Kruipersziekte of
French Moult
Er
zullen weinig vogelziekten zijn, waarover zoveel gesproken en geschreven is als
over de kruipersziekte bij grasparkieten. De eerste discussies dateren al vanaf
de vorige eeuw, toen de kruipersziekte in de grote kwekerijen in het zuiden van
Frankrijk epidemische vormen aannam. Uit die tijd en streek stamt ook de benaming
French Moult (FM) (= Franse rui) zoals de kruipersziekte door velen wordt
genoemd.
Vooral
over de oorzaak van FM, zijn talrijke discussies gevoerd en vele hypotheses
opgesteld en weer verworpen.
Laat
ik echter beginnen de verschijnselen van deze ziekte te vermelden.
Er
is een extreme en een milde vorm van FM. Bij de extreme vorm die
wetenschappelijk als BFD (Budgerigar Fledgeling Disease) bekend staat, tonen de
nestjongen een opgezwollen buik en uitdrogingsverschijnselen wat vooral goed
zichtbaar is aanloopbenen en tenen, die enigszins verschrompeld aandoen. Opvallend
is verder de vertraagde veergroei in vergelijking met gezonde nestjongen van
dezelfde leeftijd en veel sterfte in de eerste drie levensweken, soms oplopend
tot 100%. Jongen die overleven tonen afwijkende dons- en contourveren
vergelijkbaar met de milde vorm van FM. Het zijn in alle gevallen onderontwikkelde
vogels die niet meer herstellen.
Bij
de milde vorm van FM, laten de jonge grasparkieten vlak voordat ze het nestblok
verlaten, alle slag- en staartpennen vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt
dat ook de milde vorm van FM verschillende gradaties kent variërend van het
verlies van enkele vleugelpennen tot de zwaardere gevallen, waarbij ook de lichaamsbevedering
is aangetast. In de spoel van de afgeworpen vleugelpennen zien we een
roodbruine bloederige massa, zodat wel van bloedpennen gesproken wordt. De
veerschachten zijn bros en tonen enigszins gekrulde baarden. Aan het einde van
de schacht zijn de pennen iets geknikt. Behalve het feit dat de jonge vogels niet
of nauwelijks kunnen vliegen en zich over de grond of langs het gaas kruipend
voortbewegen, vandaar de benaming kruiper, zijn ze verder vitaal en lijken
volkomen gezond. Deze vogels herstellen gewoonlijk na enige tijd weer normaal,
waarbij de meer ernstige gevallen soms wat in groei achterblijven in
vergelijking met hun niet aangetaste soortgenoten.
Naar
de oorzaak van FM is vooral de laatste jaren door talrijke wetenschappers
intensief onderzoek gedaan. Uit de onderzoeken die in
1993 werden afgerond is gebleken, dat de kruipersziekte een besmettelijke
virusziekte is die wordt veroorzaakt door het zogeheten avipolyoma-virus, een
virus dat taxonomisch tot de grote familie van de papovavirussen wordt
gerekend. De naam papovavirus geldt als familieaanduiding voor het Papilloma
(PA), Polyoma (PO) en Vacuola (VA) virus.
Volwassen
vogels verspreiden het virus door veerstof en uitwerpselen. De infectie kan ook
worden overgebracht via het broedei want eieren van broedparen die kruipers
voortbrengen,zullen ook kruipers voortbrengen als hun
eieren worden ondergelegd bij broedparen met gezonde nakomelingen. Een besmettingsroute
via de ademhaling wordt niet uitgesloten omdat bij onderzoeken virusdeeltjes in
het longweefsel zijn aangetroffen.
Kruipers
verspreiden het virus door de afgeworpen veren, veerstof, de ontlasting en
mogelijk ook via de ademhaling.
Zoals
bij alle virusziekten zijn er geen specifieke medicijnen om de aandoening te
behandelen. In Amerika wordt momenteel nog onderzoek verricht naar een vaccin.
Maar ook als zo'n vaccin er komt, zie ik – het
grasparkietenwereldje kennende - nog geen wereldwijd vaccinatieprogramma van de
grond komen waaraan elke grasparkiethouder deelneemt. De verwachting is dan ook
dat er altijd kruipers zullen blijven. Daarom is het zaak
dat we leren omgaan met het fenomeen kruipersziekte .
Kwekers
die nog nooit kruipers hebben gehad dienen zich te realiseren dat juist hun
bestand het meest kwetsbaar is omdat hun vogels onvoldoende of zelfs helemaal
geen antistoffen tegen de ziekte hebben opgebouwd.
Wanneer
de kruipersziekte onverhoopt optreedt kunnen een
aantal maatregelen genomen worden om verspreiding van het virus binnen het
bestand zoveel mogelijk te beperken. Tot die maatregelen behoren:
-
broedkooien, broedblokken, enz. regelmatig desinfecteren meteen virusdodend
middel, bijv. Vircon-S;
-
het gebruik van een luchtionisator, zodat zwevende stofdeeltjes die door de
virussen als
transportmiddel
gebruikt worden, snel neerslaan;
-
ventileren met behulp van een ventilator gedurende de tijd dat de vogels actief
zijn;
-
als u de kweekruimte met een stofzuiger reinigt een tweedeslang aan de uitlaat
van het apparaat
koppelen en deze
naar buiten leiden zodat de eventueel opgezogen virussen niet door het hele
verblijf
verspreid worden;
-
geen eieren of jongen overleggen in bestanden waarin kruipers voorkomen;
-
afgeworpen veren van kruipers direct verwijderen en afvoeren.
-
ernstig aangetaste jongen die - naar het zich laat aanzien - toch niet meer herstellen in laten
slapen.
Deze zware
kruipergevallen vormen een ernstige infectiebron en daardoor een bedreiging voor de
andere fokvogels.
-
ouders van dergelijke kruipers tenminste een half jaar uitsluiten voor de
kweek. Als na die periode
opnieuw
kruipers in het nest optreden, het
betreffende broedkoppel eveneens inlaten slapen, hoe
hard dat ook klinkt.
Het
is duidelijk dat u geen vogels verkoopt en er ook niet mee showt als de
kruipersziekte in actieve vorm in uw bestand aanwezig is. Doet u dat toch dan
werkt u, met de kennis die u thans over dit onderwerp heeft, bewust mee aan de
verdere verspreiding van deze besmettelijke ziekte en kunt u zich afvragen of u
zich nog wel grasparkietliefhebber mag noemen.
Schimmel- en gisten-infecties
Infecties
met schimmels en gisten worden gevonden in het voorste gedeelte van het
spijsverteringskanaal, bek, krop en kliermaag en in de luchtwegen en als
huidinfectie. Ze kunnen een ware verwoesting in een fokbestand aanrichten. In
bijna alle gevallen is er sprake van een verminderde weerstand,
voedingsdeficiënties, slechte hygiënische omstandigheden en overbevolking.
Aspergilose
Deze
aandoening wordt veroorzaakt door een schimmel, meestal Aspergillus fumigatus, maar ook Aspergillus
niger. Aspergillus-schimmels komen overal in de
natuur voor. Ze gedijen op bedorven voedsel of op vochtige kooibodems in een
warme omgeving.
De
besmetting geschiedt doordat de vogels de sporen van de schimmels inademen.
Onderlinge besmetting in een bestand is niet mogelijk. In de regel wordt de
ziekte pas ontdekt als de ademhalingswegen reeds zijn
aangetast en de vogel hoorbaar ademt. Vogels die ernstig door de schimmel zijn
aangetast, krijgen op den duur ademnood en stikken tenslotte.
Soms vallen er slachtoffers zonder voorafgaande ziekteverschijnselen.
Aspergilose
is praktisch ongeneeslijk.
Candidiase
Candidiase
wordt veroorzaakt door verschillende gistcellen, voornamelijk Candida albicans. Candidacellen worden
ook op de slijmvliezen van gezonde dieren aangetroffen. Ze veroorzaken pas ziekte
als de algemene gezondheidstoestand te wensen laat en er sprake is van een
verminderde weerstand tegen schimmelinfecties. Slechte hygiënische toestanden,
overbevolking, deficiënties en langdurige antibioticatoediening in water of
voer werken de ziekte in de hand. Candidiase tast vooral het slijmvlies van de krop,
de snavelholte en de slokdarm aan, in mindere mate dat van de spiermaag en de
dunne darm.
Microscopisch
onderzoek en cultuurproeven kunnen de diagnose bevestigen.
De
infectie kan bestreden worden met een langdurige behandeling met nystatine.
Overige ziekten en
aandoeningen
Tumoren
Tumoren
zijn groei-explosies van bepaalde cellen. Ze komen bij alle papegaaiachtigen
voor, maar veruit het meest bijgrasparkieten vooral in de leeftijdsgroep van 4
- 6 jr. Opvallend is dat de aandoening veel voorkomt bij solitair en in kooien gehouden
vogels en in veel mindere mate bij in volières gehouden dieren. De oorzaak van
tumoren is niet bekend.
Bij
tumoren vlak onder de huid, de zogenaamde subcutane tumoren, gaat het meestal om
goedaardige vetgezwellen die in sommige gevallen wel tot walnootgrootte kunnen
uitgroeien. Ze bloeden gemakkelijk en kunnen bij beschadiging tot ernstig
bloedverlies leiden. Onderhuidse tumoren komen voor op vleugels en romp,vooral op de onderbuik. De algemene gezondheidstoestand van
de vogel lijkt bij dergelijke tumoren niet aangetast. Behandeling kan alleen
door operatief ingrijpen. Het is duidelijk dat dit alleen een zaak voor de
dierenarts is.
Bij
inwendige tumoren tonen de vogels zich vaak erg lusteloos. Ondanks het feit dat
ze wel eten, mageren ze sterk af. Bij grote tumoren in de buikholte treden vaak
ademhalingsstoornissen op, omdat de tumor op de luchtzakken en longen drukt en
ademnood veroorzaakt. Bij vrouwelijke vogels treden vaak eierstok tumoren op,
bij mannelijke vogels tumoren aan de testes. Bij nierentumoren vertoont de
vogel veelal aan een van beide poten verlammingsverschijnselen.
Bij
verdenken van inwendige tumoren kunnen röntgenfoto's uitsluitsel geven. In het
bevestigende geval is euthanasie de beste oplossing.
EMA-syndroom (eczeem-syndroom)
Een
ziekteverschijnsel dat tot op heden alleen is waargenomen bij grasparkieten en
agaporniden en waarover nog maar weinig bekend is. Ogenschijnlijk gaat het om
een simpele huidaandoening die zich tot de vleugeloksels beperkt, meestal
slechts eenzijdig. De aandoening begint met een klein wondje in de vleugeloksel
dat aan een scheurtje in de huid doet denken. In een later stadium is de wond
bedekt met geronnen bloed doordat de vogel er voortdurend aan pikt. De
buitenste rand wordt geelachtig en is enigszins gezwollen. In
dit stadium wordt de vogel minder actief en zien we de algemene
ziekteverschijnselen optreden. Na enkele weken sterft de vogel.
Over
de oorzaken van de ziekte bestaat geen duidelijkheid. Als infectiebron worden
verschillende bacteriën en schimmels genoemd, mogelijk spelen ook virussen een
rol. De tot nu toe gevolgde therapieën leiden niet tot volledig herstel.
Onderlinge overdraagbaarheid van de aandoening is niet vastgesteld.
Gedragsstoornissen
Verenplukken
Het
zogenaamde 'zelfplukken' zien we vooral bij de grote papegaaien, kaketoes,
agaporniden en lori's, in mindere mate bij grasparkieten. Daarbij gaat het
voornamelijk om solitair gehouden dieren.
Ook
fokparen maken zich vaak schuldig aan verenplukken, het zij dan dat ze zich
meestal niet zelf plukken, maar zich aan hun jongen vergrijpen. Het plukken van
de jongen door de ouders kwam in hoofdstuk 8 al aan de orde, zie aldaar.
Solitair
gehouden grasparkieten beginnen soms zonder aanwijsbare reden zichzelf de veren
uit te trekken. Begonnen wordt meestal met de veertjes van de borst en de
schouderdekveertjes. Later komen ook de grotere veren aan de beurt, alleen de
kopveertjes blijven om voor de hand liggende reden gespaard. In zeer ernstige
gevallen verwondt de vogel zich tot bloedens toe door ook de huid onder handen
te nemen.
De
oorzaak is veelal van psychische aard. Een enkele keer kan een te eenzijdige
voeding de oorzaak zijn, waardoor de veren niet goed doorkomen en de vogel er
aan gaat pikken.
Verenplukken
kan ook het gevolg zijn - en waarschijnlijk veel vaker dan we denken - van
huidaandoeningen als gevolg van infecties die irritaties veroorzaken, inwendige
aandoeningen die pijn veroorzaken (tumoren) of Giardia-infectie.
In
de eerste plaats dient men zich serieus af te vragen wat de oorzaak van het
plukken kan zijn. Bij met de hand groot gebrachte vogels komt het verlies van
de pleegouder stellig als mogelijke oorzaak van de psychische gestoordheid in aanmerking.
Bij het bereiken van de geslachtsrijpe leeftijd kan het ontbreken van een
partner als mogelijke oorzaak overwogen worden. Voorts verveling, wanneer de
vogel de gehele dag alleen is. Een mogelijke oplossing in voornoemde gevallen
is, voor een passende partner te zorgen. Een nadeel is dat handtamme vogels
zich in mindere mate met hun verzorger zullen inlaten. Het welbevinden van uw
huisdier zal die keuze echter stellig vergemakkelijken. Het gebruik van sprays
of andere preparaten is in deze gevallen weggegooid geld.
Wanneer
het verenplukken het gevolg is van een huidziekte of Giardia-infectie, zal het
'zelfplukken' gewoonlijk achterwege blijven als de ziekte verholpen is.
Kannibalisme
Het
verenplukken kan in extreme gevallen tot kannibalisme leiden. Vogels met
bloedige huidplekken moeten apart gezet worden totdat de verwondingen genezen
zijn. Veren die afgebeten zijn of waarvan een deel afgebroken is, kunnen het
best uitgetrokken worden, zodat de vogel er niet meer aan kan knabbelen. Het
duurt zes tot acht weken tot de nieuwe veer volgroeid is.
Een
andere vorm van kannibalisme is wanneer de jongen in de nestkast of direct na
het uitvliegen door één van de oudervogels, meestal de pop, gedood worden. Vaak
wordt het opnieuw in broedstemming komen van de oudervogels als oorzaak
genoemd. Het komt inderdaad voor dat de jongen kort na het uitvliegen door de
oudervogels worden verdreven. Daar de jongen in de broedkooi onvoldoende kunnen
uitwijken, komt het daarbij soms tot ernstige verwondingen waarbij ook wel eens
dodelijke slachtoffers vallen. Men kan dit probleem voorkomen door, zodra de
oudervogels enige agressie vertonen, de jongen in een klein inzetkooitje te
zetten waarvan de maaswijdte zo groot is dat ze wel door de ouders gevoerd,
maar niet meer belaagd kunnen worden.
Wanneer
de jonge vogels in de nestkast gedood worden is dat meestal te wijten aan de
onervarenheid van veelal te jonge poppen die met hun jongen 'niets weten aan te
vangen' of er zelfs bang voor zijn.
Euthanasie
Het
pijnloos doden van een vogel is soms noodzakelijk. Bijvoorbeeld als een
behandeling uitzichtloos is of indien er sprake is van een ongeneeslijke ziekte
die het gehele bestand bedreigt.
De
beste methode is een overdosering met ether. Dit gaat
als volgt:
-
10 tot 20 druppels ether in een plastic zakje doen;
-
vogel er in stoppen en zakje afsluiten;
-
vogel raakt vrijwel direct onder narcose waarna binnen enkele minuten de dood
intreedt.
-
na het uitdoven van alle levenstekenen, het zakje nog enkele minuten gesloten
houden, om er zeker
van te zijn dat de
vogel is gestorven.
Met
nadruk wil ik er nog eens op wijzen dat dit hoofdstuk dient ter informatie en
niet geschreven werd om het zelf dokteren te bevorderen. Integendeel, ik doe
een dringend beroep op u bij ziekteproblemen zo spoedig mogelijk contact met
een dierenarts op te nemen. Wanneer het om meerdere zieke vogels gaat, kunt u
het best de dierenarts laten komen zodat hij zich een beeld kan vormen van de
situatie in uw fokkerij. Overleg over preventieve maatregelen, het gebruik en
de keuze van medicijnen kan dan ter plekke plaatsvinden.