37. ZIEKTEN

 

Algemene richtlijnen ter voorkoming en genezing van ziekten

 

Jaarlijks gaan veel grasparkieten dood aan ziekten die voorkomen hadden kunnen worden als de eigenaar wat meer aan ziektepreventie had gedaan. Meer dan de helft van het aantal doodsoorzaken is terug te voeren op huisvestingsfouten, onvolledige voeding, gebrekkige hygiëne en het achterwege blijven van doelmatige voorzorgsmaatregelen.

Wie zijn vogels in een tochtig en vochtig onderkomen huisvest of te veel vogels in een te kleine ruimte houdt, vraagt om narigheid. Hetzelfde geldt voor de liefhebber die zijn vogels uitsluitend zaad voorzet of de algemene hygiëne aan zijn laars lapt. Ook het instellen van een quarantaineperiode voor nieuw aangekochte vogels, behoort tot de normale voorzorgsmaatregelenter voorkoming van ziekten. Laten we toch vooral bedenken dat de goedkoopste en meest effectieve bestrijding van ziekten nog altijd het voorkómen ervan is.

 

Helaas kan ook de beste verzorging niet voorkomen dat er wel eens vogels ziek worden. Ook optimaal verzorgde vogels kunnen een longontsteking of een virusziekte oplopen of besmet worden met parasieten of bacteriën. Kortom ook de liefhebber die zijn dieren optimaal verzorgt, zal van tijd tot tijd met ziekten te maken krijgen.

Ongeacht de aard van de ziekte ziet de ene zieke vogel er bijna precies zo uit als de andere. Sommige vogels kunnen diarree of ademhalingsmoeilijkheden hebben, hetgeen een aanwijzing kan zijn voor een bepaalde ziekte. Vaker worden we echter geconfronteerd met het volgende algemene beeld: een afkeer van beweging, opgezette veren, suffen, apathisch gedrag, veel slapen met twee poten op een stok in plaats van met één poot opgetrokken in de bevedering zoals normaal bij het slapen, half toegeknepen dofstaande ogen, een verminderd vliegvermogen. Zodra een vogel een of verschillende van bovenstaande symptomen vertoont, moeten we ingrijpen. Neem geen afwachtende houding aan, want een dag uitstel betekent meestal het einde voor de vogel; bovendien riskeert u bij een besmettelijke ziekte ook het leven van de andere vogels. Vang de vogel dus direct uit en probeer de aard van de ziekte te ontdekken.

 

Soms zijn de symptomen zo duidelijk dat de oorzaak van de ziektegemakkelijk is vast te stellen en men gericht te werk kan gaan. In de meeste gevallen echter zal het stellen van een diagnosevoor ons liefhebbers niet mogelijk zijn. Wanneer u er zelf niet uitkomt, aarzel dan niet een dierenarts te raadplegen. Uiteindelijk is hij de eerst aangewezen persoon om bij ziekten van dieren hulp te bieden. Het is stellig waar, dat één zieke vogel vaak minder waard is dan een bezoek aan de dierenarts, maar als de mogelijkheid van een besmettelijke ziekte niet uitgesloten is, is het een welbestede uitgave. Een catastrofe zoals een totale ontvolking van uw fokkerij, kost u behalve veel geld ook een aantal slapeloze nachten. Bovendien ben ik van mening dat iemand die dieren wil houden ook de consequenties ervan dient te aanvaarden.

 

Wat de oorzaak van het kwaad ook mag zijn, zet een zieke vogel altijd apart, het liefst in een zgn. ziekenkooi die voorzien is van een regelbare warmtebron. Vogels hebben een hoge stofwisselingsgraad, hun lichaamstemperatuur ligt enkele graden Celsius boven die van de mens, zodat iedere storing of ziekte gemakkelijk de normale regulatiesystemen in het lichaam in de war brengt. Een zieke vogel zal dan ook spoedig moeite hebben zijn lichaamstemperatuur op peil te houden. Ook de bloedcirculatie is verminderd, waardoor het ziekteproces versneld wordt en de weerstand tegen andere ziekten snel afneemt. Essentieel is te trachten hierin wat verbetering te brengen door de patiënt extra warmte te verschaffen. Begin met de temperatuur in de ziekenkooi op ongeveer 30° Celsius af te stellen. Blijft de vogel bij deze temperatuur 'dik' zitten, voer dan de temperatuur tot 35° op.  Als de vogel met open snavel begint te hijgen, is het te warm en moet de temperatuur omlaag. In lichte ziektegevallen heeft het verblijf in een verwarmde omgeving vaak een verrassend resultaat. De warmte, benodigd voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur, stelt de vogel in staat met zijn eigen afweermiddelen de ziekte te overwinnen. Wanneer de vogel opgeknapt is, kan de temperatuur over een periode van een paar dagen geleidelijk weer worden teruggebracht tot de normale. Enkele dagen daarna kan de vogel weer in zijn eigen omgeving worden losgelaten.

 

Als kort na elkaar verschillende vogels ziek worden, zijn er tweemanieren om het kwaad te bestrijden. De eerste en helaas meest gebruikelijke is, zelf te klungelen met producten die men bij de hand heeft. De kans dat men er op deze manier in slaagt de ziekte onder controle te krijgen, is bijzonder klein. De tweede en verreweg de beste manier van werken is, alle vogels met verdachte symptomen apart te zetten, niets toe te dienen en zich onmiddellijk tot een dierenarts te wenden met het verzoek onderzoek te verrichten. Men kan zich ook richten tot de Faculteit Diergeneeskunde, Kliniek voor Gezelschapsdieren, afdeling kleine gezelschapsdieren, vogels en bijzondere dieren te Utrecht, telefoon (afspraken) 030-2539411.

De kosten die deze instelling voor het onderzoek in rekening brengt, vallen over het algemeen wel mee.

Voor het onderzoek kan men het beste een zieke vogel aanbieden die naar alle waarschijnlijkheid toch niet meer te redden is. De dierenarts kan het dier dan pijnloos uit zijn lijden verlossen en het onderzoek onmiddellijk daarna verrichten. Het pijnloos doden van een stervende vogel kan nauwelijks bezwaarlijk zijn, te meer omdat de ziekteverwekkers veel beter te achterhalen zijn dan bijeen post-mortem onderzoek waardoor andere vogels mogelijk gered kunnen worden.

Men heeft in het algemeen ongeveer 48 uur nodig om één of verschillende bacteriën te determineren en te identificeren - iets meer tijd als het om paratyfus of om psittacose gaat – maar na het eerste onderzoek is meestal al een min of meer gerichte behandeling mogelijk. Zieke vogels die binnen drie etmalen na het optreden van ziekteverschijnselen met de juiste medicijnen worden behandeld, hebben een reële kans op herstel. Daarna verminderende kansen op welslagen naar gelang men het onderzoek uitstelt.

 

Gebreksziekten

Gebreksziekten zijn eigenlijk geen echte ziekten; ze ontstaan als de vogels een noodzakelijk voedingselement tekort komen of er te veel van krijgen en ze verdwijnen gewoonlijk zodra de oorzaak is opgeheven. In extreme gevallen echter, vooral bij nestjongen,kunnen er als gevolg van gebreksziekten misvormingen optreden met onherstelbare gevolgen.

Een groot aantal gebreksziekten is het gevolg van een gebrek aan een bepaalde vitamine of aan verschillende vitaminen. Iedere vitamine grijpt op een zeer specifieke wijze in het proces van de stofwisseling in. Gebrek of een tekort aan een bepaalde vitamine uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is voor de ontbrekende vitamine. Men spreekt bij het totaal ontbreken van een vitamine van avitaminose en bij een tekort van hypovitaminose. Een teveel aan vitamine, wat zich met name voorkan doen bij de vitaminen A en D, wordt hypervitaminose genoemd. Beschouwen we nu de ziektebeelden die het gevolg zijn van vitaminedeficiënties.

 

Vitamine A-deficiëntie

Vitamine A is de meest belangrijke vitamine. Zij is onontbeerlijk voor het bestaan van het leven, de groei en de voortplanting. Avitaminose A uit zich in een algemene achteruitgang van de gezondheid, onbevruchte eieren, zwellingen aan poten en kop, ruwe bevedering en plotselinge sterfte.

Hypervitaminose A veroorzaakt leverziekten.

 

Vitamine D3-deficiëntie

Vitamine D3 speelt een belangrijke rol bij de beenvorming en is met name onmisbaar bij de calcium- en fosforstofwisseling. Daarnaast speelt deze vitamine ook een rol in de bescherming tegen infecties en de vruchtbaarheid. Avitaminose D3 veroorzaakt veelal rachitis, gekenmerkt door een week beendergestel, zachte pijnlijke gewrichten en een in S-vorm vergroeid borstbeen. De ziekte komt alleen voor bij jonge opgroeiende dieren. Men kan de diagnose stellen door aftasting van het skelet. Met enige anatomische kennis is dit zeer wel mogelijk. In twijfel gevallen kunnen door de dierenarts foto's gemaakt worden. De maatregelen ter voorkoming en behandeling van rachitis zijn identiek. Voldoende vitamine D3 verstrekken en zorgen voor voldoende zon. Voorts zorgen dat de vogels de beschikking hebben over een goed mineralenmengsel waarin in voldoende mate fosfor en calcium aanwezig zijn, bijv. voederkalk. In ernstige mate aangetaste dieren blijven misvormd, doordat de verbogen beenderen door de opname van genoemde mineralen hard worden en in de onnatuurlijke vorm blijven staan.

Andere deficiëntieverschijnselen als gevolg van avitaminose D3 zijn: slechte groei, verlammingsverschijnselen, ruwe bevedering, schaalloze eieren en legnood. Een overdosering vitamine D gedurende langere tijd resulteert in ontkalking van het beendergestel.

 

Vitamine E-deficiëntie

Het feit dat men de vitamine E in sterke concentratie aantreft in de hypofyse, de bijnieren en de testes doet vermoeden dat het een belangrijk biochemische rol speelt in de klieren met inwendige secretie. Verder is vitamine E als antioxidant van vitamine A indirect van invloed op de vruchtbaarheid. Een tekort aan vitamine E resulteert in slechte broeduitkomsten. Ook verlammingsverschijnselen en het onvermogen tot vliegen kunnen een gevolg zijn van een vitamine E-deficiëntie.

 

Vitamine B-deficiënties

Een avitaminose B1 veroorzaakt een vergiftiging van het zenuwstelsel door de afbraakproducten van de suikerverbranding in de spieren. Vandaar dat bij een tekort aan vitamine B1 o.a. verlammingsverschijnselen optreden. Andere deficiëntieverschijnselen zijn: ruwe bevedering, bolzitten en een slijmerige ontlasting.

Ook het vitamine B2 is betrokken bij de stofwisseling van de suikers.

 

Een vitamine B2-deficiëntie uit zich in een verminderde groei, afsterven van het embryo in het ei en teenverkrommingen.

 

Een tekort aan vitamine B6 leidt onherroepelijk tot storingen in de eiwitstofwisseling en een hiermee gepaard gaande slechte groei en kramptoestanden.

 

Een vitamine B12-gebrek zal ongetwijfeld leiden tot slechte broedresultaten, zoals slecht uit het ei komen en een hoge sterfte gedurende de eerste levensdagen.

 

Choline-deficiëntie leidt tot leververvetting en een hiermede gepaard gaande lichamelijke achteruitgang.

 

Een tekort aan nicotinezuur, ook wel vitamine P genoemd, veroorzaakt diarree, gemis aan eetlust, vertraagde groei, een  gebrekkige bevedering en ontstekingen aan de huid.

 

Een tekort aan pantotheenzuur ten slotte veroorzaakt een groeistilstand. Ook lage broeduitkomsten en een slechte bevedering met kale plekken in de nek en hals kunnen op een gebrek aan pantotheenzuur duiden.

 

Behalve de zojuist opgesomde gebreksziekten als gevolg van een gebrek aan één of verschillende vitaminen, zijn er nog een aantal bekend waaraan een tekort aan eiwitten of een eiwitovervoeding ten grondslag ligt. De belangrijkste wil ik niet onvermeld laten.

 

Spreidpoten

Een aandoening waarbij de jonge grasparkiet met gespreide poten plat op de buik in het nestblok ligt, sterk in groei achterblijft en tenslotte geheel verkommert.

De oorzaak is een tekort aan bepaalde eiwitten op een bepaald moment in het leven van de jonge vogel; een tekort dat niet meer ingehaald kan worden. Bij een voldoende eiwitrijke voeding gedurende het gehele jaar komt de ziekte niet voor. De aandoening is ongeneeslijk.

 

 

Jicht

Men onderscheidt twee vormen van jicht, nl. gewrichtsjicht en ingewandsjicht. Bij gewrichtsjicht zijn de gewrichten gezwollen vooral de voetwortel en de teengewrichten. Deze zijn dik, voelen warm aan, zijn pijnlijk en bevatten uraten in de vorm van kleine knobbels met een crèmekleurige pasta-achtige inhoud, vergelijkbaar met etterhaarden. Bij ingewandsjicht kunnen nieren, lever, milt, darmen, longen en luchtzakken aangetast zijn. In tegenstelling tot gewrichtsjicht is ingewandsjicht bij levende dieren niet vast te stellen. Vogels die sterk vermageren en een krijtachtige ontlasting hebben zijn verdacht.

De oorzaak van jicht staat niet vast. Mogelijke oorzaken zijn:een tekort aan vitamine A, eiwitovervoeding, nierbeschadiging, watertekort. Jicht komt in elke leeftijdscategorie voor. De aandoening is bij oudere grasparkieten slepend. De vogels vermageren sterk en kwijnen langzaam weg. Beide vormen van jicht zijn ongeneeslijk. Grasparkieten zijn er erg gevoelig voor.

Jicht kan preventief bestreden worden door voldoende fris drinkwater ter beschikking te stellen, waken voor eiwitovervoeding en tekort aan vitamine A.

 

Hieronder een overzicht van de meest voorkomende infectieziekten

 

 

Parasitaire aandoeningen en ziekten

 

Uitwendige parasieten (ectoparasieten)

 

Mijten en luizen

Vogels worden regelmatig geplaagd door uitwendige parasieten. De voornaamste uitwendige parasieten die we bij grasparkieten aankunnen treffen, zijn: bloedmijt (bloedluis), vedermijt, vederluis en schurftmijt. Ze alle in detail bespreken zou te ver voeren en ik zal mij hier dan ook beperken tot enkele algemene beschouwingen en richtlijnen.

In het algemeen maken alle huidparasieten de vogels onrustig en doen hun eetlust verminderen waardoor ze vermageren en hun conditie achteruit gaat. Vooral jonge vogels zijn er zeer gevoelig voor. Behalve deze algemene verschijnselen veroorzaken sommige parasieten ook nog specifieke letsels.

De bloedmijt zuigt 's nachts bloed en veroorzaakt zo bloedarmoede. Vooral broedende en jonge vogels die in het nestblok zitten, ondervinden veel hinder van de bloedmijt, waardoor de fok nadelig wordt beïnvloed en soms geheel mislukt.

De vedermijten tasten de bevedering aan en zetten er hun eieren (neten) op af. Sommige mijtsoorten dringen de schacht van de zich ontwikkelende veer binnen en leven van de voedingsstoffen waarvan de veer moet groeien. Het is duidelijk dat op die manier van een goede bevedering niets terecht komt.

Ook de kleine vederluis tast de bevedering aan en zet haar neten erop af.

De voedselmijt leeft niet zozeer op de vogel zelf, maar in de zaadbakken of tussen bedorven zaad. Het is duidelijk dat ze de vogels schade berokkenen als ze samen met het aangetaste zaad  opgenomen worden.

Preventief kunnen we bovenstaande parasieten bestrijden door de mijten zo min mogelijk schuilgelegenheid te bieden en te zorgen voor een droog hok en goede hygiënische voorzieningen. Wanneer we ondanks alles toch met deze parasieten geconfronteerd worden, zullen we gebruik moeten maken van insecticiden. De voorkeur gaat uit naar een insecticide op basis van pyrethrine en piperonylbutoxyde. Het wordt door verschillende fabrikanten in de handel gebracht en is voor de vogels het minst schadelijk; chloorhoudende insecticiden daarentegen kan men beter niet gebruiken. Het spreekt vanzelf dat we ons bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen nauwgezet houden aan de toepassingsvoorschriften die op de verpakking staan aangegeven.

Als ontsmettingsmiddel van kooien en binnenverblijven kan malathion, een organofosfaat, wél veilig gebruikt worden. Uiteraard dienen de vogels voor de behandeling van de verblijven verwijderd te worden en dient er een ruime tijd gewacht te worden alvorens ze weer toe te laten.

 

Sommige grasparkieten lijden aan scaly face en scaly leg, ook wel schurftmijtziekte genoemd. De aandoening wordt veroorzaakt door de mijt Cnemidocoptes pilae, die de vogel rond de snavel, de ogen, de anus en aan de poten aantast. De aandoening komt het meest voor bij grasparkieten in de leeftijd tot twee jaar.

De schurftmijt zet zich af op veerfollikels en in huidplooien en dringt direct de opperhuid binnen. De daarbij ontstane huidveranderingen veroorzaken op en rondom genoemde lichaamsdelen kraterachtige woekeringen. Als we er niets aan doen gaan de vogels op den duur te gronde.

Over de wijze waarop de aandoening van de ene op de andere
parkiet wordt overgebracht lopen de meningen uiteen. Sommigen zijn van mening dat grasparkieten vaak latente dragers van de mijt zijn en veronderstellen dat de parasiet alreeds bij het voeren in het nest op de jongen wordt overgedragen. De aandoening komt echter ook voor bij oudere grasparkieten in samenhang met andere gezondheidsstoringen, die resulteren in een verminderd weerstandsvermogen. Uit eigen ervaring kan ik bevestigen dat de vogels er het eerste levensjaar het meest vatbaar voor zijn. Opvallend is, dat steeds dezelfde dieren behandeld moeten worden waaruit ik afleid dat de een er meer ontvankelijk voor is dan de ander. Onderzoekingen hebben aangetoond dat de aandoening zich niet door het volièrebestand verspreidt.

Een behandeling met Ivermectine (Ivermectin) geeft goede resultaten. De behandeling geschiedt door 1 - 2 druppels van dit middel in de halsstreek van de vogel aan te brengen. De behandeling wordt zonodig enkele keren herhaald.

Het in vroegere jaren veelgeprezen middel Odylen is thans niet meer verkrijgbaar.

 

Inwendige parasieten (endoparasieten)

 

Wormen

Van de inwendige parasieten kunnen de wormen een ware plaag vormen. De belangrijkste wormsoorten die de grasparkiet parasiteren, zijn de ascariden of spoelwormen en de capillaria of haarwormen.

Spoelwormen zijn ronde wormen die aan beide einden spitsuitlopen, met een lengte van ongeveer 4 cm; de kleur is lichtroze. Ze leven in de ingewanden van het half verteerde voedsel dat voor de vogel is bestemd. Behalve dat irriteren ze ook de darmwand, wat op zichzelf de spijsvertering ongunstig kan beïnvloeden. De wormen produceren een overvloed aan eieren,waarvan de schaal dik en donker van kleur is en die tegelijk met de uitwerpselen van de vogel afgevoerd worden. Ongeveer twee weken hierna zijn de eieren besmet voor de vogels. De besmetting wordt veroorzaakt doordat de vogels de eieren opnemen. De niet opgepikte eieren vormen nog maandenlang een besmettingsgevaar.

De verschijnselen van een ascaridia-besmetting treden enkele weken na de opname van de eieren op, bijgevolg nooit bij nestjongen. In het begin is een verhoogde eetlust waar te nemen, doch desondanks vermageren de vogels sterk. Het borstbeen voelt scherp aan. Zelden treedt diarree op. Vaak raakt de dunne darm geheel verstopt. Dit veroorzaakt dan een opgezwollen buik, gebrek aan eetlust en braken. Daar deze wormen tevens irritatie van de darmen veroorzaken, wordt de opname van vitaminen belemmerd en kunnen verlammingsverschijnselen optreden, dit zowel bij lichte als bij zware besmettingen. Onnodig erop te wijzen dat de conditie van de vogels snel achteruit loopt, met dikwijls fatale gevolgen.

 

De capillaria zijn, zoals de naam al zegt, zo dun als een haar. De lengte is ongeveer 1 cm en de doorsnede 0,3 mm. Ze zijn met het blote oog nauwelijks te onderscheiden. De eieren die ze produceren rijpen in ongeveer een week, dus vlugger dan die van de ascariden. De haarwormen veroorzaken, doordat ze zich aan het darmslijmvlies vasthechten, veel ernstiger en meer plotseling optredende verschijnselen dan spoelwormen. Hier zien we in het algemeen een ernstige darmontsteking met dikwijls bloed in de dunne ontlasting waardoor de vogels ernstig ziek worden, snel vermageren en vaak niet meer in staat zijn te vliegen. Besmetting vindt plaats door opname van eieren die in de uitwerpselen van besmette dieren worden aangetroffen. De niet opgenomen eieren blijven, net als met de eieren van spoelwormen het geval is, nog lang hun besmettingsvermogen behouden, maar is toch kortstondiger van aard dan die van de spoelwormen.

 

Een uitstekend wormmiddel is Overotol (Roders & Tol). Het middel wordt uitstekend verdragen. Wordt toegediend met druppelpipet of knopnaald. Dosering voor grasparkieten 1 - 2 druppels Overotol. De behandeling na veertien dagen herhalen.

Wie de toediening met druppelpipet of knopnaald niet aandurft, is aangewezen op de drinkwaterkuur. Zeer geschikt voor deze methode is het wormmiddel Levamisole. Tijdens de kuur geen ander drinkwater en groenvoer verstrekken.

De orale ontworming, d.w.z. het wormmiddel rechtstreeks in de snavel of krop geniet echter de voorkeur, omdat de drinkwaterkuur vanwege het onregelmatige drinkgedrag van parkieten niet altijd tot het gewenste resultaat leidt.

Een herhaling van de kuur na 3 weken is aan te bevelen.

Het is wenselijk de vogels na een wormkuur een extra vitaminestoot te geven. Met name een gebrek aan vitamine A schijnt het besmettingsgevaar aanmerkelijk te verhogen.

 

Ter voorkoming van herbesmetting dienen de hokken te worden gedesinfecteerd. Dit moet na een week nog eens worden herhaald. De buitenvolière moet 25 cm worden afgegraven en voorzien van schoon rivierzand of ballast (mengsel van gele zand en grind).  

Ideaal is een  betonnen  vloer met roosters onder de zitstokken

    

Protozoaire infecties

 

Giardia-infectie

Giardia-infecties komen bij rasparkieten regelmatig voor. De veroorzaker behoort tot de flagellaten (zweepdiertjes). De grootste klacht is verenpikken; dit kan zo hevig zijn, dat de andere symptomen, zoals diarree, vermagering, het schilferen van de huid en de meer algemene ziektesymptomen, over het hoofd worden gezien. Het verenpikken begint meestal op flanken en dijbenen. Gewoonlijk wordt aangenomen dat het verenpikken veroorzaakt wordt door jeuk als gevolg van een allergische reactie op Giardia. Microscopisch onderzoek van verse ontlasting kan de diagnose bevestigen.

Als therapeutica komen o.a. dimentridazole (Emtryl) en ronidazole in aanmerking. De kansen op genezing zijn wisselend. Behandelde vogels 2-4 weken in de gaten houden omdat de infectie vaak opnieuw tevoorschijn treedt.

 

Bacteriële infecties

Bacteriële infecties nemen behoudens een enkele uitzondering zoals salmonellose-infectie vooral een secundaire plaats in. In principe komen Emterobacteriaceae (verzamelnaam voor darmorganismen) niet voor als darmflora. Wanneer een bacteriesoort kans ziet zich in de vogeldarm te vestigen, dan is er sprake van een verstoorde verhouding tussen afweer en infectiedruk. Dit kan het begin zijn van een ingewikkeld en niet-specifiek ziektebeeld waarbij voeding, verzorging en hygiëne een voorname rol spelen.

 

Salmonellose

Salmonellose of paratyfus wordt veroorzaakt door kiemen van het salmonella-type; bij vogels vrijwel uitsluitend door Salmonella typhimurium, een beweeglijke staafjesvormige bacterie met een zeer lange overlevingsduur. In uitwerpselen van besmette dieren kan men na zes weken en dikwijls veel langer de bacterie nog aantonen. Vogels die salmonella hebben gehad en ervan genezen zijn, kunnen smetstofdragers blijven en bacillen uitscheiden. Dit samen met de lange overlevingsduur in de uitwerpselen verklaart waarom de ziekte zo besmettelijk is en vrijwel over de gehele wereld wordt aangetroffen.

De besmetting vindt plaats door het opnemen van met bacillen besmet voer of drinkwater of via het snavelen. Oorzaak zijn vaak ratten, muizen en buitenvogels (open buitenvolières) waarvan de uitwerpselen in het voer of drinkwater zijn terechtgekomen. Salmonellabacteriën kunnen ook via de eierstok op het broedei worden overgebracht. Deze eieren komen meestal niet uit doordat het embryo in het ei afsterft; komen ze wel uit, dan sterft het jong gewoonlijk kort na de geboorte. De incubatietijd bedraagt 4 à 5 dagen.

Het ziektebeeld kan bij oude en jonge vogels sterk verschillen. Bij nestjongen treedt plotseling een hevige darmontsteking op, die in enkele uren meestal dodelijk afloopt. Volwassen grasparkieten vertonen aanvankelijk het algemene ziektebeeld: rillen, suffen, apathisch gedrag. In een later stadium treedt diarree op. Niet zelden wordt ademnood geconstateerd. Meestal vertonen meerdere vogels van het bestand een overeenkomend ziektebeeld, waardoor het epidemische karakter duidelijk wordt. Een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting kan de diagnose bevestigen.

Salmonellose is niet gemakkelijk te genezen, ook al vanwege de korte incubatietijd. Zieke vogels worden behandeld met een antibioticum geschikt voor het bestrijden van salmonella-infectie zoals Enrofloxacin (Baytril), in samenhang met omvangrijke desinfectiemaatregelen. 

Ernstig zieke vogels zijn ondanks intensieve behandeling zelden te redden.

 

Colibacillose

Colibacillose wordt veroorzaakt door verschillende stammen van de bacterie Escherichia coli. De besmetting vindt veelal plaats door opname van met ontlasting bevuild drinkwater of voer. De ziekteverschijnselen zijn niet specifiek, maar meer van algemene aard. Bijna altijd treedt diarree op. De ziekte komt vooral voorbij nestjongen en eist veel slachtoffers. Oudere grasparkieten hebben een zekere weerstand tegen colibacteriën, ofschoon vogels die in een slechte lichamelijke conditie verkeren er ook vatbaar voor zijn.

Colibacillose is slechts door een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting of van de inwendige organen vast te stellen. Aangezien er verschillende stammen E. coli bestaan, met een duidelijk verschil in antibioticumgevoeligheid, is zonder gevoeligheidstest geen gerichte behandeling mogelijk.

Goede hygiënische voorzieningen, vooral het voorkomen dat uw vogels van met ontlasting bevuild water drinken, draagt bij de ziekte te voorkomen.

 

Going-light disease

Een ziekteverschijnsel waarbij de vogels sterk vermageren, lusteloos zijn en voortdurend ineen gedoken zitten. De ziekte wordt veroorzaakt door een - in taxonomisch opzicht – onbekende megabacterie en slaat toe als de conditie van de vogels te wensen laat. Going-light, letterlijk 'lichter worden' komt in elke leeftijdsgroep voor. Oudervogels kunnen de besmetting op de jongen overbrengen. Op latere leeftijd komt de ziekte dan vroeg of laat tot uiting. De vogels kunnen lange tijd drager van de bacterie zijn zonder ziekteverschijnselen te vertonen. De ziekte geldt als zeer besmettelijk.

Going-light disease heeft gewoonlijk een chronisch verloop. In de beginfase lijkt het of de vogel gaat ruien. Na een aantal maanden blijkt dat de vogel niet meer in conditie komt.

De slijmhuid van de maagklieren die de maagzuren produceren zijn aangetast en raken ontstoken. Het opgenomen voedsel wordt moeilijk verteerbaar en de maagwand raakt steeds verder in verval omdat door de onvolledige spijsvertering ook het natuurlijke afweersysteem nalaat. Het afweersysteem wordt steeds zwakker doordat de vogel minder voedsel tot zich neemt. Soms lijkt het even of de vogel weer opknapt, maar dat is maar schijn. Het aftakelingsproces kan maanden duren waarbij de vogel alsmaar magerder wordt en uiteindelijk van uitputting sterft.  

In acute ziektegevallen sterft de vogel plotseling aan inwendige bloedingen van de maagwand veroorzaakt door de bacterie.

Een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting kan de diagnose bevestigen.

Voor deze ziekte is nog geen afdoend geneesmiddel gevonden.

 

Vogeltuberculose

Tuberculose veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium avium komt bij grasparkieten nauwelijks voor. De reden dat ik er hier toch even op inga houdt verband met de overdraagbaarheid van de ziekte op de mens. De besmetting geschiedt veelal met de voeding, maar is ook mogelijk via inademing van met deze bacteriën verontreinigde lucht.

Vogeltuberculose is een slepende, vaak maandenlangdurende ziekte, waarbij de vogel in het begin sterk vermagert. Tot kort voor het einde vertonen ze nauwelijks ziekteverschijnselen. Later treedt dikwijls diarree op, soms ook krijgt de vogel ademhalingsstoornissen.

Het met zekerheid vaststellen van de ziekte is bij levende vogels niet eenvoudig. De tuberculinatietest is bij vogels niet erg betrouwbaar terwijl ook het bloedonderzoek niet altijd bruikbaar blijkt te zijn. Bij sectie daarentegen blijken lever en milt vaak groter dan normaal en groenachtig van kleur. De aangetaste organen vertonen bleekgele knobbels, die soms door de huid heen voelbaar zijn.

Behandeling van de ziekte is niet mogelijk.

 

Chlamydia-infectie

Papegaaienziekte of chlamydiose zoals de ziekte tegenwoordig algemeen genoemd wordt, is een veel voorkomende ziekte bij vogels die ook de mens kan aantasten. De ziekte wordt veroorzaakt door Chlamydia psittaci, een smetstof die - vanuit de systematiek gezien - tussen de virussen en bacteriën staat.

De besmetting met chlamydia geschiedt in eerste instantie direct via de ademhaling door inhalatie van rondzwevende besmette stofdeeltjes of via het voeren van de jongen en van de broedparen onderling. Indirect via voer- en drinkbak, transportkisten, tentoonstellingskooien of door uitwendige parasieten. Papegaaienziekte kan zich zeer verschillend manifesteren. Men onderscheidt een acuut en een chronisch ziektebeeld. De acute vorm van papegaaienziekte uit zich in verkoudheidachtige verschijnselen: suffen, rillen, moeilijk ademhalen, neus- en ooguitvloeiingen, uitputting en sterfte. Bij chronische infecties zien we slechts algemene vage ziekteverschijnselen, slechte veerconditie, dikwijls treedt gewichtsverlies op.

Grasparkieten kunnen drager zijn van de smetstof zonder zelf ziekteverschijnselen te vertonen. Ook kunnen deze ogenschijnlijk volkomen gezonde dieren de smetstof met de ontlasting uitscheiden en een voortdurende besmettingsbron zijn voor mens en vogel.

Indien papegaaienziekte als zodanig wordt erkend is de ziekte met de daarvoor geschikte medicijnen werkzaam te bestrijden. Grasparkieten worden gewoonlijk gedurende 30 dagen behandeld met geïmpregneerd milletzaad, dat 0,05% chloortetracycline (500 ppm) bevat of met een met doxycycline (240 ppm) geïmpregneerd en gepeld zaadmengsel van millet (90%) en  gebroken tarwe (10%).

Tijdens de kuur dient men bijzondere aandacht te schenken

aan de verzorging, omdat de vogels dan extra bevattelijk zijn voor infecties met bacteriën en schimmels. Het verdient aanbeveling tijdens de behandelingsperiode dagelijks een multivitamine- en aminozuurpreparaat aan het drinkwater toe te voegen teneinde de negatieve bijwerkingen van de tetracycline af te zwakken en de natuurlijke weerstand van de vogels te ondersteunen.

Het regelmatig reinigen en desinfecteren van het vogel verblijf met een quarternair ammoniumproduct, als Halaquat Forte (Veip),draagt bij de smetstof uit te schakelen en herbesmetting te voorkomen.

 

 

 

Virusinfecties

 

Pseudovogelpest

Pseudovogelpest of NCD (New Castle Disease) is een gevreesde pluimveeziekte, maar ook verschillende papegaaiachtigen zijn er vrij gevoelig voor. Hoewel de ziekte bij grasparkieten slechts zelden wordt vastgesteld, blijken deze vogels zeer gevoelig voor experimentele infecties.

Pseudovogelpest wordt veroorzaakt door een virus van de zogeheten paramyxo-virusgroep. De incubatietijd bedraagt minimaal drie dagen. De ziekteverschijnselen zijn zeer verschillend. In veel gevallen worden ademhalingsstoornissen en diarree waargenomen. Soms treden neusvloeiingen op of worden verlammingsverschijnselen opgemerkt. Een andere keer de algemene ziekteverschijnselen zoals bolzitten, veel slapen, weinig eetlust en een bevuilde cloaca als gevolg van de diarree. De aangetaste dieren sterven vrijwel altijd tussen de zesde en negende dag na het optreden van de eerste ziekteverschijnselen.

Uitsluitsel over pseudovogelpest kan alleen met behulp van laboratoriummethoden worden gegeven.

Voor deze ziekte bestaat zoals bij alle virusziekten geen remedie.

Beschermende maatregelen:

Wanneer op Nederlands grondgebied NCD wordt vastgesteld, stelt de overheid rond de besmettingshaard een bescherming- en toezichtgebied in. Binnen het bescherming- en toezichtgebied kunnen allerlei maatregelen verplicht gesteld worden, zoals aanvullende vaccinaties voor alle categorieën bedrijfspluimvee, vervoersverbod voor pluimvee en vogels, verbod op het houden van tentoonstellingen, enz. Indien men in zo’n bescherming- en toezichtgebied woont, is het raadzaam in overleg met de dierenarts een voorbehoedende enting (sprayenting) te doen. De resultaten van dergelijke entingen bij groepen vogels zijn goed maar bieden slechts voor korte tijd (enkele maanden) bescherming.

 

 

Kruipersziekte of French Moult

Er zullen weinig vogelziekten zijn, waarover zoveel gesproken en geschreven is als over de kruipersziekte bij grasparkieten. De eerste discussies dateren al vanaf de vorige eeuw, toen de kruipersziekte in de grote kwekerijen in het zuiden van Frankrijk epidemische vormen aannam. Uit die tijd en streek stamt ook de benaming French Moult (FM) (= Franse rui) zoals de kruipersziekte door velen wordt genoemd.

Vooral over de oorzaak van FM, zijn talrijke discussies gevoerd en vele hypotheses opgesteld en weer verworpen.  

Laat ik echter beginnen de verschijnselen van deze ziekte te vermelden.

 

Er is een extreme en een milde vorm van FM. Bij de extreme vorm die wetenschappelijk als BFD (Budgerigar Fledgeling Disease) bekend staat, tonen de nestjongen een opgezwollen buik en uitdrogingsverschijnselen wat vooral goed zichtbaar is aanloopbenen en tenen, die enigszins verschrompeld aandoen. Opvallend is verder de vertraagde veergroei in vergelijking met gezonde nestjongen van dezelfde leeftijd en veel sterfte in de eerste drie levensweken, soms oplopend tot 100%. Jongen die overleven tonen afwijkende dons- en contourveren vergelijkbaar met de milde vorm van FM. Het zijn in alle gevallen onderontwikkelde vogels die niet meer herstellen.  

 

Bij de milde vorm van FM, laten de jonge grasparkieten vlak voordat ze het nestblok verlaten, alle slag- en staartpennen vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ook de milde vorm van FM verschillende gradaties kent variërend van het verlies van enkele vleugelpennen tot de zwaardere gevallen, waarbij ook de lichaamsbevedering is aangetast. In de spoel van de afgeworpen vleugelpennen zien we een roodbruine bloederige massa, zodat wel van bloedpennen gesproken wordt. De veerschachten zijn bros en tonen enigszins gekrulde baarden. Aan het einde van de schacht zijn de pennen iets geknikt. Behalve het feit dat de jonge vogels niet of nauwelijks kunnen vliegen en zich over de grond of langs het gaas kruipend voortbewegen, vandaar de benaming kruiper, zijn ze verder vitaal en lijken volkomen gezond. Deze vogels herstellen gewoonlijk na enige tijd weer normaal, waarbij de meer ernstige gevallen soms wat in groei achterblijven in vergelijking met hun niet aangetaste soortgenoten.

 

Naar de oorzaak van FM is vooral de laatste jaren door talrijke wetenschappers intensief onderzoek gedaan. Uit de onderzoeken die in 1993 werden afgerond is gebleken, dat de kruipersziekte een besmettelijke virusziekte is die wordt veroorzaakt door het zogeheten avipolyoma-virus, een virus dat taxonomisch tot de grote familie van de papovavirussen wordt gerekend. De naam papovavirus geldt als familieaanduiding voor het Papilloma (PA), Polyoma (PO) en Vacuola (VA) virus. 

Volwassen vogels verspreiden het virus door veerstof en uitwerpselen. De infectie kan ook worden overgebracht via het broedei want eieren van broedparen die kruipers voortbrengen,zullen ook kruipers voortbrengen als hun eieren worden ondergelegd bij broedparen met gezonde nakomelingen. Een besmettingsroute via de ademhaling wordt niet uitgesloten omdat bij onderzoeken virusdeeltjes in het longweefsel zijn aangetroffen.

Kruipers verspreiden het virus door de afgeworpen veren, veerstof, de ontlasting en mogelijk ook via de ademhaling.

 

Zoals bij alle virusziekten zijn er geen specifieke medicijnen om de aandoening te behandelen. In Amerika wordt momenteel nog onderzoek verricht naar een vaccin. Maar ook als zo'n vaccin er komt, zie ik – het grasparkietenwereldje kennende - nog geen wereldwijd vaccinatieprogramma van de grond komen waaraan elke grasparkiethouder deelneemt. De verwachting is dan ook dat er altijd kruipers zullen blijven. Daarom is het zaak dat we leren omgaan met het fenomeen kruipersziekte .

Kwekers die nog nooit kruipers hebben gehad dienen zich te realiseren dat juist hun bestand het meest kwetsbaar is omdat hun vogels onvoldoende of zelfs helemaal geen antistoffen tegen de ziekte hebben opgebouwd.

Wanneer de kruipersziekte onverhoopt optreedt kunnen een aantal maatregelen genomen worden om verspreiding van het virus binnen het bestand zoveel mogelijk te beperken. Tot die maatregelen behoren:

- broedkooien, broedblokken, enz. regelmatig desinfecteren meteen virusdodend middel, bijv. Vircon-S;

- het gebruik van een luchtionisator, zodat zwevende stofdeeltjes die door de virussen als

  transportmiddel gebruikt worden, snel neerslaan;

- ventileren met behulp van een ventilator gedurende de tijd dat de vogels actief zijn;

- als u de kweekruimte met een stofzuiger reinigt een tweedeslang aan de uitlaat van het apparaat

  koppelen en deze naar buiten leiden zodat de eventueel opgezogen virussen niet door het hele verblijf   

  verspreid worden;

- geen eieren of jongen overleggen in bestanden waarin kruipers voorkomen;

- afgeworpen veren van kruipers direct verwijderen en afvoeren.

- ernstig aangetaste jongen die - naar het zich laat aanzien -  toch niet meer herstellen in laten slapen.

  Deze zware  kruipergevallen vormen een ernstige infectiebron en daardoor  een bedreiging voor de  

  andere fokvogels. 

- ouders van dergelijke kruipers tenminste een half jaar uitsluiten voor de kweek. Als na die periode

  opnieuw kruipers  in het nest optreden, het betreffende broedkoppel eveneens inlaten slapen, hoe

  hard dat ook klinkt.

 

Het is duidelijk dat u geen vogels verkoopt en er ook niet mee showt als de kruipersziekte in actieve vorm in uw bestand aanwezig is. Doet u dat toch dan werkt u, met de kennis die u thans over dit onderwerp heeft, bewust mee aan de verdere verspreiding van deze besmettelijke ziekte en kunt u zich afvragen of u zich nog wel grasparkietliefhebber mag noemen.

 

 

 

Schimmel- en gisten-infecties

Infecties met schimmels en gisten worden gevonden in het voorste gedeelte van het spijsverteringskanaal, bek, krop en kliermaag en in de luchtwegen en als huidinfectie. Ze kunnen een ware verwoesting in een fokbestand aanrichten. In bijna alle gevallen is er sprake van een verminderde weerstand, voedingsdeficiënties, slechte hygiënische omstandigheden en overbevolking.

 

Aspergilose

Deze aandoening wordt veroorzaakt door een schimmel, meestal Aspergillus fumigatus, maar ook Aspergillus niger. Aspergillus-schimmels komen overal in de natuur voor. Ze gedijen op bedorven voedsel of op vochtige kooibodems in een warme omgeving.

De besmetting geschiedt doordat de vogels de sporen van de schimmels inademen. Onderlinge besmetting in een bestand is niet mogelijk. In de regel wordt de ziekte pas ontdekt als de ademhalingswegen reeds zijn aangetast en de vogel hoorbaar ademt. Vogels die ernstig door de schimmel zijn aangetast, krijgen op den duur ademnood en stikken tenslotte. Soms vallen er slachtoffers zonder voorafgaande ziekteverschijnselen.

Aspergilose is praktisch ongeneeslijk.

 

Candidiase

Candidiase wordt veroorzaakt door verschillende gistcellen, voornamelijk Candida albicans. Candidacellen worden ook op de slijmvliezen van gezonde dieren aangetroffen. Ze veroorzaken pas ziekte als de algemene gezondheidstoestand te wensen laat en er sprake is van een verminderde weerstand tegen schimmelinfecties. Slechte hygiënische toestanden, overbevolking, deficiënties en langdurige antibioticatoediening in water of voer werken de ziekte in de hand. Candidiase tast vooral het slijmvlies van de krop, de snavelholte en de slokdarm aan, in mindere mate dat van de spiermaag en de dunne darm.

Microscopisch onderzoek en cultuurproeven kunnen de diagnose bevestigen.

De infectie kan bestreden worden met een langdurige behandeling  met nystatine.

 

Overige ziekten en aandoeningen

 

Tumoren

Tumoren zijn groei-explosies van bepaalde cellen. Ze komen bij alle papegaaiachtigen voor, maar veruit het meest bijgrasparkieten vooral in de leeftijdsgroep van 4 - 6 jr. Opvallend is dat de aandoening veel voorkomt bij solitair en in kooien gehouden vogels en in veel mindere mate bij in volières gehouden dieren. De oorzaak van tumoren is niet bekend.

Bij tumoren vlak onder de huid, de zogenaamde subcutane tumoren, gaat het meestal om goedaardige vetgezwellen die in sommige gevallen wel tot walnootgrootte kunnen uitgroeien. Ze bloeden gemakkelijk en kunnen bij beschadiging tot ernstig bloedverlies leiden. Onderhuidse tumoren komen voor op vleugels en romp,vooral op de onderbuik. De algemene gezondheidstoestand van de vogel lijkt bij dergelijke tumoren niet aangetast. Behandeling kan alleen door operatief ingrijpen. Het is duidelijk dat dit alleen een zaak voor de dierenarts is.

Bij inwendige tumoren tonen de vogels zich vaak erg lusteloos. Ondanks het feit dat ze wel eten, mageren ze sterk af. Bij grote tumoren in de buikholte treden vaak ademhalingsstoornissen op, omdat de tumor op de luchtzakken en longen drukt en ademnood veroorzaakt. Bij vrouwelijke vogels treden vaak eierstok tumoren op, bij mannelijke vogels tumoren aan de testes. Bij nierentumoren vertoont de vogel veelal aan een van beide poten verlammingsverschijnselen.

Bij verdenken van inwendige tumoren kunnen röntgenfoto's uitsluitsel geven. In het bevestigende geval is euthanasie de beste oplossing.

 

EMA-syndroom (eczeem-syndroom)

Een ziekteverschijnsel dat tot op heden alleen is waargenomen bij grasparkieten en agaporniden en waarover nog maar weinig bekend is. Ogenschijnlijk gaat het om een simpele huidaandoening die zich tot de vleugeloksels beperkt, meestal slechts eenzijdig. De aandoening begint met een klein wondje in de vleugeloksel dat aan een scheurtje in de huid doet denken. In een later stadium is de wond bedekt met geronnen bloed doordat de vogel er voortdurend aan pikt. De buitenste rand wordt geelachtig en is enigszins gezwollen. In dit stadium wordt de vogel minder actief en zien we de algemene ziekteverschijnselen optreden. Na enkele weken sterft de vogel.

Over de oorzaken van de ziekte bestaat geen duidelijkheid. Als infectiebron worden verschillende bacteriën en schimmels genoemd, mogelijk spelen ook virussen een rol. De tot nu toe gevolgde therapieën leiden niet tot volledig herstel. Onderlinge overdraagbaarheid van de aandoening is niet vastgesteld.

 

Gedragsstoornissen

 

Verenplukken

Het zogenaamde 'zelfplukken' zien we vooral bij de grote papegaaien, kaketoes, agaporniden en lori's, in mindere mate bij grasparkieten. Daarbij gaat het voornamelijk om solitair gehouden dieren.

Ook fokparen maken zich vaak schuldig aan verenplukken, het zij dan dat ze zich meestal niet zelf plukken, maar zich aan hun jongen vergrijpen. Het plukken van de jongen door de ouders kwam in hoofdstuk 8 al aan de orde, zie aldaar.

Solitair gehouden grasparkieten beginnen soms zonder aanwijsbare reden zichzelf de veren uit te trekken. Begonnen wordt meestal met de veertjes van de borst en de schouderdekveertjes. Later komen ook de grotere veren aan de beurt, alleen de kopveertjes blijven om voor de hand liggende reden gespaard. In zeer ernstige gevallen verwondt de vogel zich tot bloedens toe door ook de huid onder handen te nemen.

 

De oorzaak is veelal van psychische aard. Een enkele keer kan een te eenzijdige voeding de oorzaak zijn, waardoor de veren niet goed doorkomen en de vogel er aan gaat pikken.

Verenplukken kan ook het gevolg zijn - en waarschijnlijk veel vaker dan we denken - van huidaandoeningen als gevolg van infecties die irritaties veroorzaken, inwendige aandoeningen die pijn veroorzaken (tumoren) of Giardia-infectie.

In de eerste plaats dient men zich serieus af te vragen wat de oorzaak van het plukken kan zijn. Bij met de hand groot gebrachte vogels komt het verlies van de pleegouder stellig als mogelijke oorzaak van de psychische gestoordheid in aanmerking. Bij het bereiken van de geslachtsrijpe leeftijd kan het ontbreken van een partner als mogelijke oorzaak overwogen worden. Voorts verveling, wanneer de vogel de gehele dag alleen is. Een mogelijke oplossing in voornoemde gevallen is, voor een passende partner te zorgen. Een nadeel is dat handtamme vogels zich in mindere mate met hun verzorger zullen inlaten. Het welbevinden van uw huisdier zal die keuze echter stellig vergemakkelijken. Het gebruik van sprays of andere preparaten is in deze gevallen weggegooid geld.

Wanneer het verenplukken het gevolg is van een huidziekte of Giardia-infectie, zal het 'zelfplukken' gewoonlijk achterwege blijven als de ziekte verholpen is.

 

Kannibalisme

Het verenplukken kan in extreme gevallen tot kannibalisme leiden. Vogels met bloedige huidplekken moeten apart gezet worden totdat de verwondingen genezen zijn. Veren die afgebeten zijn of waarvan een deel afgebroken is, kunnen het best uitgetrokken worden, zodat de vogel er niet meer aan kan knabbelen. Het duurt zes tot acht weken tot de nieuwe veer volgroeid is.

Een andere vorm van kannibalisme is wanneer de jongen in de nestkast of direct na het uitvliegen door één van de oudervogels, meestal de pop, gedood worden. Vaak wordt het opnieuw in broedstemming komen van de oudervogels als oorzaak genoemd. Het komt inderdaad voor dat de jongen kort na het uitvliegen door de oudervogels worden verdreven. Daar de jongen in de broedkooi onvoldoende kunnen uitwijken, komt het daarbij soms tot ernstige verwondingen waarbij ook wel eens dodelijke slachtoffers vallen. Men kan dit probleem voorkomen door, zodra de oudervogels enige agressie vertonen, de jongen in een klein inzetkooitje te zetten waarvan de maaswijdte zo groot is dat ze wel door de ouders gevoerd, maar niet meer belaagd kunnen worden.

Wanneer de jonge vogels in de nestkast gedood worden is dat meestal te wijten aan de onervarenheid van veelal te jonge poppen die met hun jongen 'niets weten aan te vangen' of er zelfs bang voor zijn.

 

Euthanasie

Het pijnloos doden van een vogel is soms noodzakelijk. Bijvoorbeeld als een behandeling uitzichtloos is of indien er sprake is van een ongeneeslijke ziekte die het gehele bestand bedreigt.

De beste methode is een overdosering met ether. Dit gaat als volgt:

- 10 tot 20 druppels ether in een plastic zakje doen;

- vogel er in stoppen en zakje afsluiten;

- vogel raakt vrijwel direct onder narcose waarna binnen enkele minuten de dood intreedt.

- na het uitdoven van alle levenstekenen, het zakje nog enkele minuten gesloten houden, om er zeker

  van te zijn dat de vogel is gestorven. 

 

Met nadruk wil ik er nog eens op wijzen dat dit hoofdstuk dient ter informatie en niet geschreven werd om het zelf dokteren te bevorderen. Integendeel, ik doe een dringend beroep op u bij ziekteproblemen zo spoedig mogelijk contact met een dierenarts op te nemen. Wanneer het om meerdere zieke vogels gaat, kunt u het best de dierenarts laten komen zodat hij zich een beeld kan vormen van de situatie in uw fokkerij. Overleg over preventieve maatregelen, het gebruik en de keuze van medicijnen kan dan ter plekke plaatsvinden.