BUSH BUDGIES
Budgerigars in the bush, bush budgies, grasparkieten in de bush, of doodgewoon wildvorm grasparkieten, het zijn allemaal benamingen voor de oorspronkelijke grasparkiet, zoals ze bij miljoenen in het binnenland van Australië voorkomen.
Helaas is deze ongetwijfeld meest voorkomende parkiet van Australië met zijn lichtgroene kleur, gele masker en karakteristieke zwarte golftekening vandaag de dag bij de grasparkietliefhebber nauwelijks nog in tel. Immers, ruim 160 jaar domesticatie heeft de grasparkiet extreem veranderd. In 1864 ontstaat de eerste kleurmutatie: de overgoten grasparkiet. In hetzelfde jaar verschijnt ook de bonte grasparkiet, in 1879 worden in België de eerste lutino’s geboren en in 1910 worden vanuit Frankrijk de eerste blauwen gemeld. In 1915 volgen de donkergroenen en in 1919 ziet de eerste olijfgroene het levenslicht. In1920 zijn er kobaltblauwe vogels en een jaar later ook de mauves. Ik zou met de opsomming van de kleurmutaties zo nog wel een tijdje door kunnen gaan, maar in 1921 zitten we al middenin de kleurfok of anders gezegd: het fokken van grasparkieten op kleur. De nieuwe kleurslagen ontketenden een ware rage onder de mensen waardoor de fok een nieuwe stimulans kreeg. De massafokkerijen beleefden gouden tijden mede doordat er steeds nieuwe kleurslagen bijkwamen, die voor fabelachtige prijzen werden verhandeld. Toen al speelde de commercie in het parkietenwereldje de voornaamste rol en dat is helaas altijd zo gebleven. Er was dan ook nauwelijks iemand die erover prakkezeerde de oorspronkelijke grasparkiet raszuiver te houden.
Zowel op het Europese vasteland als in Engeland fokte men de grasparkiet aanvankelijk uitsluitend op kleur. In Engeland kwam hierin aan het begin van de vorige eeuw verandering toen een groepje grasparkietfokkers de standaard van uitmuntendheid ontwierp en zich ging toeleggen op het fokken van postuurvogels. In Nederland bleef men de kleurfok nog een tijd trouw en het duurde nog tot de tweede helft van de vijftiger jaren van de vorige eeuw tot hierin verandering kwam en men schoorvoetend begon het Engelse systeem over te nemen, waarbij de nadruk op de grootte en het in de standaard beschreven type kwam te liggen.
Bij het streven naar steeds forsere grasparkieten waarbij de natuurlijke selectie grotendeels was uitgeschakeld, restte praktisch alleen de schiftende hand van de fokker, die – als dat zo in zijn kraam te pas kwam – zelfs biologisch negatieve afwijkingen aanvaardde of op de koop toe nam. Inmiddels zijn we zover dat we grasparkieten gecreëerd hebben die in de vrije wildbaan nog geen dag zouden overleven.
Het meest jammerlijke is nog dat de sierlijke en pijlsnelle vlieger die we uit de wildbaan kennen en dit allemaal met zich liet doen thans door meer dan 99,9% van de grasparkietfokkers wordt miskend.
Gelukkig komt hierin nu verandering. Een kleine groep enthousiaste grasparkietliefhebbers hebben de koppen bij elkaar gestoken en zich als groep onder de benaming “Bush Budgie Breeders” (BBB) verenigd met als voornaamste doelstelling de grasparkiet in zijn oorspronkelijke staat terug te fokken. Dat er - tot het zover is - nog een lange, moeizame weg te gaan is, zal duidelijk zijn. Het is echter ook een enorme uitdaging voor de deelnemers aan dit project.
Grasparkietliefhebbers die zich ook voor dit project interesseren, verwijs ik naar de website van de groep: www.Bush-Budgies.net
In Zoology of New Holland (1793) noemt de Engelse veldbioloog George Shaw die de grasparkiet ontdekte, zijn ontdekking ‘Undulated Parakeet’ en geeft hem de wetenschappelijke naam Psittacus undulatus. Vervolgens beschrijft Shaw in 1805 de grasparkiet in zijn oorspronkelijke vorm als volgt:
“De grasparkiet behoort tot de kleinere
papegaaien, doch zijn lange staart doet hem groter lijken dan hij in
werkelijkheid is. Zijn lengte bedraagt 20 tot 22 cm, zijn spanwijdte 26 tot 27,
de vleugellengte 9, de staartlengte bijna 10 cm. Zijn gestalte is zeer sierlijk, het lichaam slank, de snavel hoger dan
lang, aan de zijden en aan de bovenkant afgerond, de bovensnavel bijna
loodrecht naar beneden gebogen, de onderkant diep ingekerfd vervolgens tot een
spits versmald ver reikend tot over de ondersnavel, de laatste even hoog als de
bovensnavel en aan de voorkant boven afgerond; de poten zijn dun, slank en naar
verhouding hoog en voorzien van lange tenen en nagels, de vleugels lang en
spits toelopend, van de slagpennen de tweede pen het langste, de vleugelpunt
bijna even lang als het bovendeel van de vleugel, de lange staart waarvan de
beide middelste veren ver voorbij de andere uitsteken, trapvormig, zodat het
buitenste paar slechts een derde deel is van de lengte der middelste, de
bevedering buitengewoon zacht en zeer sprekend getekend, naar geslacht
nauwelijks, naar leeftijd weinig verschillend.
Voorhoofd, bovenkop, teugels en de streek rond de
ondersnavel zijn zwavelgeel, aan weerszijden begrensd en versierd met elk vier,
zich aan de top van verlengde veertjes bevindende diepblauwe vlekken, waarvan
die op de wangen zit de grootste is, terwijl de drie
overige er uitzien als ronde stippen; oorstreek, achterkop, nek, mantel,
schouders en het grootste deel van de vleugeldekveren hebben een groenachtig
gele kleur, elke veer echter is voorzien van vier smalle, op de schouders en
vleugeldekveren van twee bredere zwarte dwarsbanden; onderrug, stuit en
bovenstaartdekveren alsmede de onderzijde vanaf de kin zijn prachtig grasgroen,
de handpennen en de dekveren hiervan dofgroen, aan de buitenzijde smal geel,
aan de binnenzijde zwartachtig gezoomd, in het midden met brede wigvormige
geelachtige vlekken getekend, de armpennen aan de buitenzijde groen, smal
geelachtig gerand, binnenzijde geel, aan de basis zwartachtig, de laatste
armpennen en de laatste schouderveren bruinzwart met brede, gele eindzoom, de beide
lansvormige veren van de staart dof donkerblauw, de overige stuurpennen
groenblauw met in het midden een brede, citroengele vlek welke zich over beide
vlaggen van de veer uitstrekt, en brede zwarte zomen aan de basis van de
binnenvlaggen. Het oog is bleekgeel, de snavel hoorngeel, aan de basis
groenachtig grauw, de washuid donkerblauw en de poot blauwachtig groen.
Het iets kleinere wijfje onderscheidt zich van het
mannetje doordat de keelvlekken niet helemaal zo groot zijn en de washuid als
regel grauwgroen gekleurd is.”
Vergelijken we bovenstaande beschrijving met het
beeld dat we thans van de oorspronkelijke wildvorm hebben, dan wijkt de
beschrijving die Shaw ruim 200 jaar geleden van de grasparkiet maakte op
slechts één onderdeel wezenlijk af. De ronde keelstippen zijn immers niet
diepblauw maar zwart. Kennelijk heeft Shaw hier niet goed gekeken of het niet
goed opgeschreven.
Ter verduidelijking nog een opmerking bij de door
Shaw opgegeven lengtemaat van 20 tot 22 cm. Shaw bedoelde hier te zeggen de lengte
gemeten vanaf de snavelpunt via de schedel tot aan het
uiteinde van de staart en niet, zoals men thans de lengtemaat van de vogels
aangeeft, van kruin tot staartuiteinde.
Met de thans toegepaste meetmethodiek komt men dan
uit op een lengte van ongeveer 19 cm. Het gewicht van de volwassen grasparkiet
in de vrije natuur varieert voor de mannen van 26 tot 29, voor de poppen van
27-29 gram.
Gelet op de gedetailleerdheid van Shaw’s
soortbeschrijving hanteert
de BBB-groep deze als leidraad voor de verwezenlijking van haar doelstelling: het weer terugbrengen van de grasparkiet in zijn oorspronkelijke verschijningsvorm.
Het
leven van de grasparkiet in de vrije natuur
Was het Shaw die de eerste beschrijving gaf van de
grasparkiet, aan de beroemde natuurhistoricus John Gould komt de eer toe de
eerste te zijn geweest die iets over het leven van de vogel in de vrije natuur
op papier heeft gezet. Hieraan zijn later door andere auteurs die het leven en
de gewoonten van de grasparkiet in de wildbaan hebben bestudeerd maar weinig
nieuwe feiten toegevoegd. Het is ook Gould geweest die de wetenschappelijke
naam, die Shaw oorspronkelijk aan de grasparkiet gaf, omdoopte in Melopsittacus undulatus.
Tegenwoordig weten we dat de grasparkiet bijna
over het gehele
Australische continent is verspreid en eigenlijk alleen de
kuststreken en dichte bosgebieden mijdt. Ook op het eiland Tasmanië komt hij
niet voor. Grasparkieten zijn typische bewoners van de binnenlandse savannen en
halfwoestijnen, waar uitgestrekte grasvlakten en boomgroepen elkaar afwisselen.
Met voorliefde houden ze zich echter op langs de met eucalyptusbomen begroeide
waterlopen en aan de oevers van meren en plassen, die
eveneens bijna altijd begroeid zijn met metershoge eucalyptusbomen. Het zijn
vooral deze bomen met hun spaarzame bladkronen en talrijke holten waarin de
grasparkiet schuil- en nestgelegenheid vindt.
Grasparkieten zijn uitgesproken kolonievogels die een trekkend bestaan leiden.
De trekrichting en de groepsgrootte worden bepaald door het voorhanden zijn van
water en het aanbod van graszaden, waarmee hij zich voornamelijk voedt en zijn
jongen grootbrengt. Onder min of meer normale omstandigheden leven
grasparkieten in groepen van 10 tot 50 stuks. Tijdens lange periodes van
droogte, ondernemen de vogels verre vluchten op zoek naar water en verzamelen
zich uiteindelijk bij de laatst overgebleven drinkplaatsen. Hierbij ontstaan
dan menigmaal enorme vluchten van honderdduizenden grasparkieten, die een
indrukwekkend schouwspel vormen.
Wat de voortplanting betreft richt de grasparkiet
zich uitsluitend op de regenval. Dit heeft te maken met het feit dat hij voor
het grootbrengen van zijn jongen aangewezen is op halfrijpe gras- en
onkruidzaden, die er alleen dan zijn, wanneer er overvloedig regen valt. Komen
ze tijdens hun omzwervingen in een gebied waar het pas geregend heeft, dan
beginnen ze daar te broeden. Ze blijven op een bepaalde plaats zolang er water
en voldoende voedsel is en brengen als de omstandigheden erg gunstig zijn vaak
verschillende nesten achter elkaar groot. Zodra de voedselvoorraden opraken of
er een tekort aan water dreigt, krijgt hun zwerflust weer de overhand en
trekken ze verder; de voortplantingscyclus begint dan vaak honderden kilometers
verderop weer opnieuw.
Hoewel zich deze vogels in principe in alle
windstreken van het continent kunnen voortplanten en ook qua broedtijd niet aan
bepaalde maanden van het jaar zijn gebonden, liggen de voornaamste
broedplaatsen van de grasparkiet in het zuidoosten en het zuidwesten van
Australië. Als hier na een natte winter ook in het voorjaar, dus eind september
en in oktober, nog veel regen valt, dan schiet het gras uit de grond en
ontwikkelt zich tot formidabele hoogte. Onder invloed van de warme voorjaarszon
ontwikkelt zich de bloei erg snel en niet lang daarna dragen de aren zaden en
vindt de grasparkiet hier een rijk gedekte tafel.
Zodra de dagtemperatuur stijgt tot boven de 30
graden Celsius en er geen regen valt, veelal in de maanden november en
december, sterft de plantengroei snel af en loopt de broedperiode ten einde. In
sommige jaren als de herfstregens zeer vroeg aanvangen, wordt wel eens opnieuw
met broeden begonnen totdat de invallende winter ook aan deze tweede
broedperiode een einde maakt.
In de jaren dat de neerslag in het zuiden belangrijk
beneden het gemiddelde blijft, trekken de vogels naar het binnenland of naar
het noorden aldoor op zoek naar gebieden met de beste levensvoorwaarden.
Zoals ik al opmerkte, kiezen grasparkieten hun
broedplaats bij voorkeur in holten van dikke takken in hoge eucalyptusbomen.
Ze gebruiken geen enkel nestmateriaal. De pop legt
haar eieren op de houtmolm die zich op de bodem van de holte heeft verzameld.
Meestal broeden verschillende koppels in één boom zo dicht mogelijk bij elkaar.
Dit broedgedrag vertonen ze ook als in de directe omtrek genoeg andere
geschikte bomen staan.
Het legsel varieert van vier tot zes eieren. Soms
worden legsels tot acht eieren aangetroffen. De broedduur is achttien dagen. De
pop broedt alleen. De man voert de pop op het nest en houdt haar soms een tijdlang gezelschap. Ongeveer 32 dagen na het uitkomen
verlaten de jonge grasparkieten de nestholte. Niet lang daarna zijn ze geheel
zelfstandig. De pas uitgevlogen jongen lijken op de ouders, maar zijn duidelijk
matter van kleur. Aan weerszijden op de borst is een vage dwarstekening
zichtbaar. Het groen van onderrug en stuit toont een vage geelachtige
golftekening. De fijne golftekening van de achterkop en nek loopt door tot aan
de neusdop. Over het geheel genomen is het zwart van de tekening valer en
minder scherp afstekend. De keelstippen ontbreken nog of zijn onduidelijk. De
ogen zijn zwart, de oogiris ontbreekt. De snavel is zwartachtig, de neusdop
nagenoeg hoornkleurig. De poten zijn bleek blauwachtig grijs.
De jeugdrui begint wanneer de jongen ongeveer drie
maanden oud zijn en duurt ongeveer een maand. Dat is tevens het tijdstip waarop
grasparkieten geslachtsrijp worden.
Tekst: H.W.J. van der Linden