GRASPARKIETEN
DD-groen
(olijfgroen) of grijsgroen?
Wanneer
we alleen naar de lichaamskleur kijken, is het verschil tussen beide
kleurslagen weinig opvallend. Veel liefhebbers hebben dan ook moeite de DD-groene
(olijfgroen) en de grijsgroene uit elkaar te houden. Toch bezitten beide
kleurslagen twee duidelijke kenmerken waarin ze van elkaar verschillen.
Kijken
we allereerst maar eens naar de kleur van de langwerpige wangvlekken. Bij de
DD-groene zijn ze violet, de wangvlekken van de grijsgroene variëren van grijs
tot blauwgrijs. Een ander verschilpunt is de kleur van de verlengde
staartpennen. Bij de olijfgroene is de staartkleur diep donkerblauw, bij de
grijsgroene zwart. Wanneer u hier steeds op let, zijn vergissingen uitgesloten.
Niet
alleen uiterlijk, ook in erfelijk opzicht onderscheiden zich de beide
kleurslagen duidelijk van elkaar. Zoals bekend, kennen we bij de grasparkiet
verschillende donkernuances in de kleur. De mutatie die deze donkernuances
veroorzaakt wordt de donkerfactor genoemd. Nu is het zo, dat een grasparkiet
geen, één of twee donkerfactoren kan bezitten. Voor de groenserie betekent dat:
Groen
(lichtgroen) = groen zonder donkerfactor;
D-groen
(donkergroen) = groen met één donkerfactor;
DD-groen
(olijfgroen) = groen met twee donkerfactoren.
Een
DD-groene grasparkiet is in feite niets anders dan de donkerste kleurslag in de
groenserie, ergo een groene met twee donkerfactoren.
Nu
enkele paringsuitkomsten:
1.
Groen x groen = 100% groen.
2.
Groen x D-groen =
50% groen;
50% D-groen.
3.
Groen x DD-groen = 100% D-groen.
4.
D-groen x D-groen =
25% groen;
50% D-groen;
25% DD-groen.
5.
DD-groen x D-groen =
50% D-groen;
50% DD-groen.
6.
DD-groen x DD-groen = 100% DD-groen.
De kleurstandaard
In de internationale standaard is de DD-groene
als volgt samengevat:
DD-GROEN
Masker: boterbloemgeel.
Keelstippen: masker aan de hals
door zes gelijkmatige, op gelijke afstand liggende, grote ronde stippen
versierd, waarvan de beide buitenste aan elke kant door langwerpige wangvlekken
gedeeltelijk worden bedekt. Kleur van de keelstippen zwart.
Wangvlekken: violet.
Algemene
lichaamskleur:
olijfgroen, schoon en gelijkmatig zonder andere scharkering.
Tekening: golvende tekening
aan kop, wangen, hals, rug en op de vleugels. Kleur van de tekening zwart.
Slagpennen: zwart, groenachtig
bewaasd.
Lange
staartveren:
donkerblauw.
Ogen: zwart met witte
iris.
Poten: blauwgrijs.
Neusdop: bij de man blauw,
bij de pop bruin.
Snavel: hoornkleurig,
enigszins bleek-olijfgroenachtig getint.
Goede,
diep en uniform gekleurde DD-groenen zijn zeldzaam. Meestal verstoren
donkergroene vlekken de uniformiteit van de kleur. Ook zien we bij deze
kleurslag vaak een blauwachtig aandoende broekbevedering. Beide moeilijk weg te
fokken kleurfouten zijn stellig de reden dat de DD-groene praktisch geheel door
de grijsgroene van de tentoonstellingen is verdrongen. De mens zoekt nu eenmaal
de gemakkelijkste weg.
Aanwijzingen
voor de fok
Degenen
die het toch eens met deze moeilijke kleurslag willen proberen, raad ik aan in
het begin steeds D-groen aan D-groen te paren. Voorwaarde is natuurlijk dat de
te gebruiken D-groenen goed van kleur zijn. Wanneer men eenmaal in het bezit is
van goede DD-groenen, kan men ook D-groen aan DD-groen en zelfs DD-groen aan
DD-groen paren.
Paringen
die eveneens tot goede DD-groenen kunnen leiden zijn:
-
olijfgroen x kobalt of omgekeerd;
-
donkergroen x mauve of omgekeerd.
Voor
de kweek van olijfgroenen geen kweekvogels gebruiken met een vlekkerige
lichaamskleur. Gebruik vogels met een niet te lange lichaamsbevedering. Ook
selecteren op opaline-effect.
Vermijd
verder het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de geelmaskerfactoren, de
inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor.
Olijfgroen
kan helpen de groene aanslag in de lutino's minder zichtbaar te doen zijn.
GRIJSGROEN
De
grijsgroene is in werkelijkheid geen zelfstandige kleur, maar een combinatie
van Australisch grijs en groen. De kleur grijsgroen krijgen we door een groene
aan een grijze of een grijze aan een groene te paren.
Ja,
zult u zeggen, dat kan wel zijn, maar uit de paring van mijn Australisch grijze
x groen had ik, behalve grijsgroene, ook groene en grijze en zelfs blauwe
jongen. Wel, dat klopt dan precies met de theorie. Uw grijze parkiet was dan
enkelfactorig Australisch grijs en uw groene was tevens split voor blauw.
Honderd procent grijsgroen krijgen we alleen als we uitgaan van een fokzuivere
groene en een dito Australisch grijze.
Voor
het gemak, opdat u snel kunt zien wat er uit een bepaalde paring te verwachten
is, heb ik de mogelijke paringen van de Australisch grijze met de kleurslagen
uit de groenserie op een rijtje gezet. Zoals u in het overzicht kunt zien,
kennen we ook bij de grijsgroenen drie donkernuances in de kleur, n.l.
grijsgroen, D-grijsgroen en DD-grijsgroen. Dit is afhankelijk van het al of
niet aanwezig zijn van de donkerfactor.
Australisch
grijs 1 f. x groen =
-
50% groen/blauw;
-
50% grijsgroen/blauw.
Australisch
grijs 1 f. x D-groen =
-
25% groen/blauw;
-
25% D-groen/blauw type 1;
-
25% grijsgroen/blauw;
-
25% D-grijsgroen/blauw type 1.
Australisch
grijs 1 f. x DD-groen =
-
50% D-groen/blauw type 1;
-
50% D-grijsgroen/blauw type 1.
Australisch
D-grijs 2 f. x groen = 100% grijsgroen/blauw.
Australisch
D-grijs 2 f. x D-groen =
-
50% grijsgroen/blauw;
-
50% D-grijsgroen/blauw type 1.
Australisch
D-grijs 2 f. x DD-groen = 100% D-grijsgroen/blauw type 1.
Australisch
D-grijs 1 f. x groen =
-
25% groen/blauw;
-
25% D-groen/blauw type 2;
-
25% grijsgroen/blauw;
-
25% D-grijsgroen/blauw type 2.
Australisch
D-grijs 1 f. x D-groen =
-
12½% groen/blauw;
-
12½% D-groen/blauw type 1;
-
12½% D-groen/blauw type 2;
-
12½% DD-groen/blauw;
-
12½% grijsgroen/blauw;
-
12½% D-grijsgroen/blauw type 1;
-
12½% D-grijsgroen/blauw type 2;
-
12½% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
D-grijs 1 f. x DD-groen =
-
25% D-groen/blauw type 1;
-
25% DD-groen/blauw;
-
25% D-grijsgroen/blauw type 1;
-
25% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
D-grijs 2 f. x groen =
-
50% grijsgroen/blauw;
-
50% D-grijsgroen/blauw type 2.
Australisch
D-grijs x D-groen =
-
25% grijsgroen/blauw;
-
25% D-grijsgroen/blauw type 1;
-
25% D-grijsgroen/blauw type 2;
-
25% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
D-grijs 2 f. x DD-groen =
-
50% D-grijsgroen/blauw type 1;
-
50% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
DD-grijs 1 f. x groen =
-
50% D-groen/blauw type 2;
-
50% D-grijsgroen/blauw type 2.
Australisch
DD-grijs 1 f. x D-groen =
-
25% D-groen/blauw type 2;
-
25% DD-groen/blauw;
-
25% D-grijsgroen/blauw type 2;
-
25% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
DD-grijs 1 f. x DD-groen =
-
50% DD-groen/blauw;
-
50% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
DD-grijs 2 f. x groen = 100% D-grijsgroen/blauw type 2
Australisch
DD-grijs 2 f. x D groen =
-
50% D-grijsgroen/blauw type 2;
-
50% DD-grijsgroen/blauw.
Australisch
DD-grijs 2 f. x DD-groen = 100% DD-grijsgroen/blauw
U
vraagt zich misschien af wat bij de D-groen/blauw vogels en de
D-grijsgroen/blauw vogels de aanvulling type 1 en 2 te betekenen heeft. Welnu: D-groen/blauw
type 1 en D-grijsgroen type 1 vogels ontlenen hun donkerfactor aan de
oudervogel uit de groenserie, de D-groen/blauw type 2 en de D-grijsgroen type 2
aan de oudervogel uit de blauwserie. Uiterlijk is er geen enkel verschil,
tussen D-groen/blauw type 1 en 2 dan wel tussen D-grijsgroen type 1 en 2, maar
als we met dergelijke vogels verder fokken, zijn de fokuitkomsten totaal
verschillend, maar daarop kom ik bij gelegenheid nog wel eens terug.
De kleurstandaard
In de internationale standaard is de
grijsgroene als volgt samengevat:
GRIJSGROEN
Masker: boterbloemgeel.
Keelstippen: masker aan de hals
door zes gelijkmatige, op gelijke afstand liggende, grote ronde stippen
versierd, waarvan de beide buitenste aan elke kant door langwerpige wangvlekken
gedeeltelijk worden bedekt. Kleur van de keelstippen zwart.
Wangvlekken: grijs.
Algemene
lichaamskleur:
grijsgroen, schoon en gelijkmatig zonder andere scharkering.
Tekening: golvende tekening
aan kop, wangen, hals, rug en op de vleugels. Kleur van de tekening zwart.
Slagpennen: zwart.
Lange
staartveren:
zwart.
Ogen: zwart met witte
iris.
Poten: blauwgrijs.
Neusdop: bij de man blauw,
bij de pop bruin.
Snavel: hoornkleurig,
enigszins bleek-olijfgroenachtig getint.
Aanwijzingen
voor de kweek
Uit
de paring homozygoot groen x homozygoot grijs krijgen we zoals bekend 100%
grijsgroen. Hiermee zijn we er echter allerminst. De kleur van deze
grijsgroenen die enkelfactorig Australisch grijs zijn tevens split voor blauw,
is in de meeste gevallen veel te hard door de zwakkere werking van de enkele
Australisch grijsfactor. Deze vogels zijn ook goed te herkennen aan de blauwgrijsachtige
wangvlekken.
Verbeteren
kan men de kleur door de blauwfactor eruit te kweken. Dat doen we door een
grijsgroene/blauw aan een homozygote groene te paren. Hieruit kunnen we
verwachten: 25% groen, 25% groen/blauw, 25% grijsgroen enkelfactorig/blauw en
ten slotte 25% grijsgroen enkelfactorig.
Deze
laatste grijsgroenen steken qua kleur met kop en schouders boven de andere
grijsgroenen uit. Wilt u de puntjes op de i zetten, fok dan de Australisch
grijsfactor dubbel in. Dit kunt u doen door grijsgroen enkelfactorig aan
grijsgroen enkelfactorig te paren. Hieruit mag u 25% groen; 50% grijsgroen
enkelfactorig en 25% grijsgroen dubbelfactorig verwachten.
De
grijsgroenen met de dubbele grijsfactor zijn van een prachtige, warme,
glanzende, mosterdgrijsgroene kleur.
Het
beste is vervolgens steeds homozygoot grijsgroen x homozygoot grijsgroen te
paren.
Grijsgroenen
met de dubbele Australisch grijsfactor, die tevens split voor blauw zijn, zijn
over het algemeen te licht in de broekbevedering. Ook deze kleurfout kan men
verbeteren door dergelijke vogels aan een homozygote groene te paren.
Voor
de fok van grijsgroenen kan men gerust vogels gebruiken met een iets langere
lichaamsbevedering. De ervaring heeft geleerd dat grijsgroenen met een
bevederingtype tussen medium en partial buff t.a.v. de kleur van hoge kwaliteit
kunnen zijn. Grijsgroenen met een partial buff bevedering scoren wat de kleur
betreft niet zelden ook nog goed, maar voorkom dat de bevedering te los wordt.
De grijsgroene kleur is wat de kleuruiting betreft minder gevoelig voor een
iets grover veertype dan de andere kleurslagen in de groenserie. Blijf wel
streng selecteren op een maximale ontwikkeling van psittacine in de bevedering
en op het opaline-effect. Vermijd verder het inkruisen van de
melaninereductiefactoren, de geelmaskerfactoren, de ino-factor, de fallowfactor
en de cinnamonfactor.
Ook
als we de donkerfactoren even buiten beschouwing laten, kan de kleur van de
grijsgroenen onderling nogal wat verschillen. Vele grijsgroenen zullen nimmer
het maximum aan kleurpunten kunnen behalen. Ze zijn dikwijls te grijsachtig
groen in de broek-, borst- en buikbevedering, wat veroorzaakt wordt door een
reductie van het gele psittacine (=kleurstof) in de bevedering. Van de
enkelfactorige grijsgroenen is bekend dat de kleur dikwijls veel te hard is.
Dit komt door de, naar algemeen wordt aangenomen, zwakkere werking van de
enkele Australisch grijsfactor. Deze vogels zijn vooral goed te herkennen aan
de blauwgrijsachtige wangvlekken. Hoewel dit laatste bij het keuren niet
bestraft wordt, zijn de dubbelfactorige grijsgroene vogels over het algemeen
fraaier van kleur. Om verzekerd te zijn van grijsgroenen van een goede kleur,
dienen we de Australisch grijsfactor dubbel in te kweken, waarbij we vooral moeten
letten op een maximale ontwikkeling van psittacine in de bevedering.
Grijsgroene
oudervogels met grijsachtig grijsgroene vlekken in de lichaamsbevedering
voldoen niet aan deze eis. Ook de vogels uit de groenserie met een blauwachtige
broek kan men voor de kweek van grijsgroen niet gebruiken. Foktechnisch
verdient het ook geen aanbeveling om bijvoorbeeld een blauwe aan een
grijsgroene te paren. Immers, een blauwe bezit geen geel psittacine, zodat niet
is te zien hoe het psittacine zich zal ontwikkelen bij de grijsgroene jonge
vogels uit deze paring.
De meest voorkomende fouten bij de DD-groene en de
grijsgroene met betrekking tot de kleurstandaard
Te
licht, te donker, te flets van kleur.
Kleur
door niet gewenste kleurfactor beïnvloedt (bijv. violetfactor).
Niet
uniform van kleur, vlekkerig.
Afwijkende
kleur van de snavel/neusdop, ook bontvorming op de neusdop.
Afwijkende
poot/nagelkleur, bonte nagels.
Afwijkende
oogkleur (bijv. missen irisring).
Kleur
van masker en/of keelstippen en/of wangvlekken niet in overeenstemming met de
kleurstandaard.
Kleur
van het masker uitlopend in de borstbevedering.
Masker
te kort te smal.
Masker gespleten.
Getekend masker
(flecky headed).
Ontbreken
van één of meer keelstippen.
Keelstippen
te klein, te groot, dus niet passend bij het betreffende masker.
Keelstippen
niet even groot;
Keelstippen
niet rond (druppelvormig, halvemaanvormig, ovaal).
Keelstippen
te dicht op elkaar, elkaar bedekkend.
Te
veel keelstippen (masker niet geconditioneerd).
Onregelmatige
verdeling van de keelstippen op het masker.
Keelstippen
te laag geplaatst, op of onder de kleurafscheiding uitkomend.
Ondergrondkleur
van de tekening toont opaline-effect.
Onregelmatige
tekening.
Onscherpe
tekening (wazig).
In
kleur afwijkende tekening (bijv. niet zwart, te grijsachtig).
Slotopmerking
De
kleurnuance D-grijsgroen is niet in de kleurstandaard van de diverse
Nederlandse vogelbonden opgenomen. De reden hiervan is dat de D-grijsgroene
bijna niet van de grijsgroene is te onderscheiden. Het onderscheid tussen grijsgroen
en DD-grijsgroen is duidelijk. De grijsgroene is meer mosterdkleurig grijsgroen
terwijl de DD-grijsgroene meer donker hard grijsgroen is. In de internationale
kleurstandaard van de C.O.M. (Confederation Ornithologique Mondiale) is alleen
de kleur grijsgroen opgenomen.
Tekst:
H.W.J. van der Linden