DE D-GROENE (DONKERGROENE) GRASPARKIET

Zoals bekend kennen we bij de grasparkiet verschillende donkernuances in de kleur. In de groenserie zijn dat de kleuren groen (lichtgroen), D-groen (donkergroen) en DD-groen (olijfgroen) en in de blauwserie blauw (hemelsblauw), D-blauw (kobaltblauw) en DD-blauw (mauve). Deze donkernuances worden veroorzaakt door een gewijzigde baardstructuur van de lichaamsbevedering als gevolg van een gemuteerde erfelijke factor, de zogenaamde donkerfactor.

De donkerfactor trad voor het eerst op in 1915 in de kwekerij Blanchard in Zuid-Frankrijk, wat resulteerde in de D-groene (donkergroene) grasparkiet. Door twee D- groenen met elkaar te verparen ontstond in 1919 de DD-groene (olijfgroene). In 1920 paarde Blanchard een blauwe aan een DD-groene (olijfgroene) die split was voor blauw. Hieruit vielen de eerste D-blauw (kobaltblauwe) vogels. In 1921 kweekte Blanchard uit D-blauw x D-blauw de eerste DD-blauw (mauve) grasparkiet.

 

Kleurvererving

De donkerfactor vererft autosomaal en heeft een intermediaire kenmerkontwikkeling. Bovendien is de donkerfactor gekoppeld aan de gele kleurstoffactor (groenserie) of de blauwfactor (blauwserie), maar daarover een andere keer meer.

Wat de kleurvererving betreft, beperk ik mij hier uitsluitend tot de vogels die direct in verband te brengen zijn met de kleurslag D-groen, waarover dit artikel gaat.

Paren we bijv. een groene aan een D-groene dan is 50% van de hieruit geboren jongen D-groen de overige 50% is groen.

D-groen x D-groen resulteert in:

- 25% groen;

- 50% D-groen;

- 25% DD-groen.

Uit groen x DD-groen of omgekeerd komen uitsluitend D-groene jongen.

D-groen x DD-groen of omgekeerd brengt 50% D-groene en 50% DD-groene nakomelingen.

 

Kleurstandaard

In de internationale standaard is de kleurslag D-groen als volgt samengevat:

Masker: boterbloemgeel.

Keelstippen: het masker is aan de hals versierd met zes gelijkmatige, op gelijke afstand liggende, grote ronde stippen, waarvan de beide buitenste aan elke kant door langwerpige wangvlekken gedeeltelijk worden bedekt. Kleur van de keelstippen zwart.

Wangvlekken: violet.

Algemene lichaamskleur: lichtgroen, schoon en gelijkmatig zonder andere scharkering.

Tekening: golvende tekening aan kop, wangen, hals, rug en op de vleugels. Kleur van de tekening zwart.

Slagpennen: zwart, groenachtig bewaasd.

Lange staartveren: donkerblauw.

Ogen: zwart met witte iris.

Poten: blauwgrijs.

Neusdop: bij de man blauw; bij de pop bruin.

 

Aanwijzingen voor de kweek

Het kweken van goede D-groenen is allesbehalve eenvoudig. Veelal is de kleurdiepte van de D-groene niet het zwakke punt, maar is de kleur niet egaal, of erger nog, vlekkerig. Hierop dient streng te worden geselecteerd.

Goede paringen voor de kweek van D-groen zijn:

- D-groen x D-groen;

- D-groen x DD-groen of omgekeerd;

- D-groen x D-blauw of omgekeerd;

- D-groen x DD-blauw of omgekeerd.

 

Een paring die eveneens tot goede D-groene vogels leidt is:

- D-groene man x D-groene opaline pop.

Gebruik vogels met een niet te lange lichaamsbevedering. De kleur komt bij het medium bevederingtype nog goed tot zijn recht. De kleurkwaliteit neemt echter onmiddellijk af zodra de bevedering verder opschuift in de richting van het bufftype.

Vermijd het inkruisen van de melaninereductiefactoren zoals grijsvleugel en diepovergoten, de geelmaskerfactoren, de inofactor, de fallowfactoren en de cinnamonfactor. Belangrijk is verder dat u streng selecteert op de ondulatietekening. Deze moet regelmatig en diepzwart van kleur zijn en scherp afsteken tegen de zuiver gele baardtoppen.

Vaak zien we aan de vleugelbocht, op de achterkop en in de nek een storende groene aanslag, het zogenaamde opaline-effect. Het groen worden van de baardtoppen wordt veroorzaakt door het veelvuldig inkruisen van de opalinefactor in de normaal groenserie.

In theorie zou men vogels met deze storende fout voor de kweek niet moeten gebruiken. In de praktijk zou dit echter betekenen dat de meeste kwekers hun vogels op zouden moeten ruimen en opnieuw beginnen.

Een bruikbaar alternatief is de paring normaal x normaal, waarbij tenminste één van de partners het opaline-effect niet vertoont. Vervolgens is selectie en nog eens selectie het enige antwoord op de problematiek van het opaline-effect.

Vermeldenswaard is verder nog dat de kleurslag D-groen zich uitstekend leent om kleurcontrasten bijv. in de bontseries en bij de geelvleugels te accentueren.

 

De meest voorkomende fouten met betrekking tot de kleurstandaard

Te licht, te donker, te flets van kleur.

Kleur door niet gewenste kleurfactor beïnvloedt (bijv. violetfactor).

Niet uniform van kleur, vlekkerig.

Afwijkende kleur van de snavel/neusdop, ook bontvorming op de neusdop.

Afwijkende poot/nagelkleur, bonte nagels.

Afwijkende oogkleur (bijv. missen irisring).

Kleur van masker en/of keelstippen en/of wangvlekken niet in overeenstemming met de kleurstandaard.

Kleur van het masker uitlopend in de borstbevedering.

Masker te kort te smal.

Masker gespleten.

Getekend masker (flecky headed).

Ontbreken van één of meer keelstippen.

Keelstippen te klein, te groot, dus niet passend bij het betreffende masker.

Keelstippen niet even groot;

Keelstippen niet rond (druppelvormig, halvemaanvormig, ovaal).

Keelstippen te dicht op elkaar, elkaar bedekkend.

Te veel keelstippen (masker niet geconditioneerd).

Onregelmatige verdeling van de keelstippen op het masker.

Keelstippen te laag geplaatst, op of onder de kleurafscheiding uitkomend.

Ondergrondkleur van de tekening toont opaline-effect.

Onregelmatige tekening.

Onscherpe tekening (wazig).

In kleur afwijkende tekening (bijv. niet zwart, te grijsachtig).

 

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net