DE GROENE (LICHTGROENE) GRASPARKIET

Voor vrijwel alle kleurslagen van de grasparkiet zijn normen opgesteld. Deze zijn neergelegd in de 'Kleurstandaard voor de grasparkiet'. De kleurstandaard beschrijft het ideaalbeeld van de grasparkiet wat betreft kleur, masker en tekening. Nu is het z, dat de standaardeisen van de verschillende vogelbonden in ons land en in de ons omringende landen niet steeds op n lijn zitten. Gelukkig gaat het in de meeste gevallen om kleine, nauwelijks ter zake doende verschillen. In enkele gevallen echter gaat het om wezenlijke verschillen: erkent bijv. de ene bond een bepaalde kleurslag wel en de andere niet, of niet meer, of nog niet. Vandaar dat ik bij de bespreking van de verschillende kleurslagen telkens een samenvatting van de internationale standaardeisen geef. Daarmee kan elke grasparkietfokker uit de voeten. De letterlijke tekst kunt u dan, als u wilt, bestellen bij de organisatie waar u lid van bent.

De kleurslag groen (lichtgroen) geldt als de oorspronkelijke kleur van de grasparkiet. Het is de kleur waarin deze vogel bij miljoenen in het wild voorkomt, vandaar ook wel de term wildkleur. Alle afwijkingen van de oorspronkelijke kleur, de wildkleur dus, zijn het gevolg van mutaties.

Kleurvererving

Uit groen x groen komen groene jongen, mits beide ouders fokzuiver zijn. Ook wanneer slechts n van de beide groene oudervogels fokzuiver is, zijn alle nakomelingen uiterlijk groen. Met nadruk zeg ik hier uiterlijk want de helft van de nakomelingen is weliswaar groen maar niet fokzuiver en draagt de erfelijke aanleg van de niet fokzuivere ouder verborgen in zich en zal die later ook weer aan het nageslacht doorgeven.

Komen er behalve groene ook blauwe (hemelsblauwe) jongen in het nest voor dan kunt u er zeker van zijn dat beide oudervogels de erfelijke aanleg voor blauw verborgen in zich dragen of - om in foktermen te spreken - split voor blauw zijn. Hetzelfde geldt als men tussen de groene nakomelingen recessief bonten, grijsvleugels, diepovergoten, fallows of een andere recessieve kleurslag aantreft. In alle gevallen zijn dan beide ouders split voor de betreffende recessieve kleurslag.

Treffen we tussen de nakomelingen van groen x groen bijvoorbeeld een opaline, een cinnamon of een lutino aan, dan houdt dit in dat de groene man split is voor die betreffende kleurslag. De afwijkend gekleurde jongen zijn dan in ieder geval poppen; de helft van de jonge mannen is weer split voor de betreffende kleurslag.

Het is zelfs mogelijk dat uit twee groene vogels een albino jong tevoorschijn komt. In dat geval is de man split voor ino en zijn beide oudervogels split voor blauw.

Kleurstandaard

In de internationale standaard is de wildkleur als volgt samengevat:

GROEN (LICHTGROEN)
Masker: boterbloemgeel.
Keelstippen: het masker is aan de hals versierd met zes gelijkmatige, op gelijke afstand liggende, grote ronde stippen versierd, waarvan de beide buitenste aan elke kant door langwerpige wangvlekken gedeeltelijk worden bedekt. Kleur van de keelstippen zwart.
Wangvlekken: violet.
Algemene lichaamskleur: lichtgroen, schoon en gelijkmatig zonder andere scharkering.
Tekening: golvende tekening aan kop, wangen, hals, rug en op de vleugels. Kleur van de tekening zwart.

Slagpennen: zwart, groenachtig bewaasd.

Lange staartveren: donkerblauw.

Ogen: zwart met witte iris.

Poten: blauwgrijs.

Neusdop: bij de man blauw; bij de pop bruin.

 

Aanwijzingen voor de fok
De beste resultaten met betrekking tot de groene kleur bereikt men door homozygote (fokzuivere) groenen onderling te paren. De ervaring heeft geleerd dat door goede groene vogels onderling te paren de kleur niet terugloopt. Ook kan men door een iets minder diep gekleurde groene aan een zeer goede te paren telkens een aantal goedgekleurde jongen verwachten. Uitgesproken slecht gekleurde groenen dient men uit te selecteren en voor de fok van groenen uit te sluiten. In de praktijk valt het vaak niet mee om homozygote groenen te krijgen. Dat is niet zo vreemd omdat groenen bij voorkeur gebruikt worden om andere kleurslagen te verbeteren. De uiterlijk groene jongen uit dergelijke paringen zijn dan ook vaak split voor andere kleurslagen.

Vaak wordt beweerd, dat om goede groenen te krijgen men groen aan blauw hemelsblauw) moet paren. Dit gaat echter alleen op als men goede groenen aan goede blauwen paart. Paart men een te geel gekleurde groene aan een flets gekleurde blauwe, dan krijgt u beslist geen goede groene jongen, omdat bij beide oudervogels het melaninebezit onvoldoende ontwikkeld is. Persoonlijk vind ik het een bezwaar dat bij de paring groen x blauw aan de blauwe oudervogel niet te zien is hoe het psittacine zich zal ontwikkelen. De paring groen x blauw blijft voor de fok van groenen dan ook min of meer een gok. Omzeilen kan men dit door de paring groen/blauw x groen of omgekeerd groen x groen/blauw. Paringen die eveneens tot goede groene vogels leiden zijn:

groene man x groene opaline pop;

groene man x grijsgroene pop of omgekeerd;

groene man x grijsgroene opaline pop.

Stel de fokparen zo samen, dat zoveel mogelijk een medium lichaamsbevedering in de nakomelingen ontstaat. Vermijd het gebruik van vogels die in het bezit zijn van donkerfactoren. Deze heeft u immers voor groen (lichtgroen) niet nodig. Gebruik ze dan ook niet. Ook de melaninereductiefactoren zoals grijsvleugel en diepovergoten, de inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor kunt u als regel beter niet gebruiken. Vermijd ook het inkruisen van de geelmaskerfactoren. Belangrijk is verder dat u streng selecteert op de ondulatietekening. Deze moet regelmatig en diepzwart van kleur zijn en scherp afsteken tegen de zuiver gele baardtoppen. Vaak zien we aan de vleugelbocht, op de achterkop en in de nek een storende groene aanslag, het zogenaamde opaline-effect. Het groen worden van de baardtoppen wordt veroorzaakt door het veelvuldig inkruisen van de opalinefactor in de normaal groenserie. In theorie zou men vogels met deze storende fout voor de fok niet moeten gebruiken. In de praktijk zou dit echter betekenen dat de meeste fokkers hun vogels op zouden moeten ruimen en opnieuw beginnen. Een bruikbaar alternatief is de paring normaal x normaal, waarbij tenminste n van de partners het opaline-effect niet vertoont. Vervolgens is selectie en nog eens selectie het enige antwoord op de problematiek van het opaline-effect.

 
De meest voorkomende fouten met betrekking tot de kleurstandaard

Te licht, te donker, te flets van kleur

Kleurindruk afwijkend van de standaardkleur (bijv. blauwachtig groen, geelachtig groen).

Kleur door niet gewenste kleurfactor benvloedt (bijv. violetfactor in de groenserie).

Niet uniform van kleur, vlekkerig.

Afwijkende kleur van de snavel/neusdop, ook bontvorming op de neusdop

Afwijkende poot/nagelkleur, bonte nagels.

Afwijkende oogkleur (bijv. missen irisring).

Kleur van masker en/of keelstippen en/of wangvlekken niet in overeenstemming met de kleurstandaard.

Kleur van het masker uitlopend in de borstbevedering.

Masker te kort te smal.

Masker gespleten;

Getekend masker (flecky headed).

Ontbreken van n of meer keelstippen.

Keelstippen te klein, te groot, dus niet passend bij het betreffende masker.

Keelstippen niet even groot.

Keelstippen niet rond (druppelvormig, halvemaanvormig, ovaal).

Keelstippen te dicht op elkaar, elkaar bedekkend.

Te veel keelstippen (masker niet geconditioneerd).

Onregelmatige verdeling van de keelstippen op het masker.

Keelstippen te laag geplaatst, op of onder de kleurafscheiding uitkomend.

Ondergrondkleur van de tekening toont opaline-effect

Onregelmatige tekening.

Onscherpe tekening (wazig).

In kleur afwijkende tekening (bijv. niet zwart, te grijsachtig).

 

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net