DE KUIFFACTOR BIJ
GRASPARKIETEN
De
fok met kuifgrasparkieten gaat minder voorspoedig dan men zou wensen. De meest
gehoorde klachten zijn lage broeduitkomsten en in het ei afgestorven embryo's.
Ook zijn er dikwijls nog felle discussies over de verervingwijze van de
kuiffactor.
Hier
de feiten:
De
kuiffactor zetelt op een autosomaal chromosomenpaar en is dominant ten opzichte
van haar wildallele (= niet-kuif). De factor is subvitaal te noemen. Dragers
van de kuiffactor, zowel heterozygoten (fokonzuiver) als homozygoten
(fokzuiver), maken gedurende het embryonale stadium een letaliteitcrisis door
waarbij 48% van de kuifembryo’s afsterft. De overige kuifembryo's ontwikkelen
zich normaal.
De
eerste en rechtstreekse werking, de primaire werking, van de kuiffactor veroorzaakt
een vergroting van de eerste, tweede en derde hersenventrikel (holte in de
hersenen) en een daarmee gepaard gaande volumetoename van de hersenen. Letale
embryo's vertonen alle een enorm waterhoofd en sterven
uiteindelijk aan hersenbloedingen tijdens de twaalfde broeddag. Onderzoek heeft
verder aangetoond dat de ventrikelvergroting minstens vier dagen voordat de
effectieve letale fase intreedt, begint. In de tussengelegen periode ontwikkelt
de kuiffactor een bepaalde activiteit waarbij, in samenwerking met andere
genenparen, wordt bepaald, of de ventrikelvergrotingen voortgaan waardoor het
embryo uiteindelijk op de twaalfde broeddag verloren gaat, of tot stilstand
komt en het embryo zich verder kan ontwikkelen. Heterozygoten dragers van de
kuiffactor hebben geen grotere overlevingskans dan homozygoten.
Nakomelingen
van homozygote kuifpoppen komen bij het uitkomen van de eieren voor een tweede
letaliteitcrisis te staan, die niet door het eigen erfelijke factorenbezit
veroorzaakt wordt, maar het gevolg is van het gebrekkige voortplantingsvermogen
van de pop, wat eveneens erfelijk is bepaald. Homozygote kuifpoppen leggen
namelijk eieren met een kleinere dooier en een kleinere omvang dan normale
poppen, waardoor de jongen zich moeilijk uit het ei
kunnen bevrijden.
Levensvatbare embryo's hebben een iets grotere schedelomvang dan normale (niet-kuif) embryo's. Dit komt bij homozygoten sterker tot uitdrukking dan bij heterozygoten (zie fig. 1).

Fig. 1
Schedelomvang: a) zij
aanzicht b) bovenaanzicht.
Stippellijn: Cr/Cr-vogels, onderbroken lijn: Cr/Cr+ -vogels (Naar V.Ziswiler)
Hetzelfde geldt voor de volumetoename van de grote hersenen. In fig. 2 is dit zichtbaar gemaakt.

Fig. 2
Volume van de
hersenen: a) zij aanzicht b) bovenaanzicht.
Stippellijn: Cr/Cr-vogels,
onderbroken lijn: Cr/Cr+ -vogels (Naar V.Ziswiler)
De volumetoename van de grote
hersenhelften onderdrukt de ontwikkeling van de andere hersengedeelten.
Pas uit het ei gekomen kuifjongen zijn duidelijk van normale jonge grasparkieten te onderscheiden door hun buitengewoon sterk ontwikkelde nekspieren (zie fig. 3).

Fig. 3
Koppen van jonge
grasparkieten direct na het uitkomen:
a) normale kop, b) kop van een Cr/Cr+ -vogel of Cr/Cr-vogel
met sterk gevormde en uitpuilende nekspieren.
Deze vergroting verdwijnt
ca. drie dagen na het uitkomen. (Naar V. Ziswiler)
Wat
bij de kuifvogels het meest opvalt, is de variabele expressie van het
kuifkenmerk. Die varieert van één enkel rechtopstaand veertje op de kop tot één
of meer rozetten. Voorts staat vast dat nakomelingen die uit kruisingen met
kuifvogels komen en die het kuifkenmerk niet vertonen, de zgn. kuifbroedvogels,
wel degelijk drager van de kuiffactor kunnen zijn, omdat hieruit in de nakweek
soms weer puntkuiven voortkomen. Dit feit dient tevens als bewijs dat de kuiffactor
met betrekking tot het kuifkenmerk onvolledig dominant is.
Onvolledig
dominant gedrag is in de erfelijkheid geen zeldzaamheid. Integendeel, volkomen
dominant gedrag geldt in de erfelijkheid als een grensgeval dat naar
evenredigheid zelden wordt gerealiseerd. Een ander mooi voorbeeld van
onvolledig dominant gedrag bij de grasparkiet zien we bij de
Australisch grijzen. In sommige allelcombinaties blijkt de expressiviteit bij
enkelfactorige Australisch grijzen geringer dan bij grijzen die de Australisch grijsfactor dubbel bezitten. Immers, in
heterozygoten (dragers van de enkele Australisch grijsfactor) blijkt het
gemuteerde gen niet steeds in staat het bijbehorende kenmerk grijs te
verwezenlijken en is de kleur meer blauwgrijs. Voor een laatste
voorbeeld van onvolledige dominantie verwijs ik naar de variabiliteit van het
bontpatroon. Niet alleen neemt de bontvorming bij twee- of dubbelfactorige
dominant bonten
belangrijk toe, ook de
penetrantie, d.w.z., de waarschijnlijkheid waarmee we mogen verwachten dat het
bij een erfelijke factor behorend kenmerk wordt verwezenlijkt, is niet 100%.
Immers uit de paring dubbelfactorig Hollands bont x normaal komt een enkele
keer een normaal jong.
Penetrantie
en expressiviteit van een erfelijke factor gaan hand in hand, of beter gezegd:
de penetrantie van een erfelijke factor is het gevolg van zijn expressiviteit
in een combinatie met andere genenparen.
Het
ontstaan en de graad van ontwikkeling van de kuifvorm is van
vier
componenten afhankelijk:
1.
Afwijkende
stand van de veerfollikels (veerzakjes) in de hoofdhuid.
De
gewijzigde stand van de veren berust op een veranderde
polariteit van
de veerfollikel en een draaiing om de
eigen as.
Menigmaal komt zelfs de bijveer naar boven
te liggen, terwijl de
hoofdveer naar het
lichaam toegekeerde is.
2.
Het
aantal veerfollikels met een abnormale stand. Grootte en vorm van de kuif
worden bepaald door het aantal veertjes dat bij de totstandkoming betrokken is.
Nauwkeurige tellingen hebben aangetoond dat dit kan variëren van één enkel
veertje tot wel 160 stuks.
3.
Structuur
en lengte van de kuifveren. Kuifveren hebben een hogere
groeisnelheid en worden beduidend langer dan gewone
kopveertjes,
gemiddeld ongeveer
tweemaal zo lang, een enkele keer wel
driemaal. Aan de
top van kuifveren ontbreken normaal gevormde
haakjes en zien we
een ietwat harige bevedering.
4.
Het
genotype van de betreffende vogel. In de fokpraktijk blijkt dat de
expressiviteit van de kuiffactor in homozygoten duidelijk groter is dan in heterozygoten.
Vorm en grootte van de kuiven van homozygoten en heterozygoten verschillen dan
ook duidelijk van elkaar.
Heterozygote
dragers van de kuiffactor kunnen er als volgt uitzien:
-
gladkop,
dit zijn de zgn. kuifbroedvogels;
-
één
enkel rechtopstaand veertje op de kop;
-
kleine
puntkuif;
-
grote
puntkuif;
-
halfrozet.
De
homozygote kuifvogels hebben gewoonlijk twee of meer kuifcentra. Men
onderscheidt vier varianten:
-
dubbele
asymmetrie;
-
op
het voorhoofd een puntkuif, op de kruin een rozet;
-
dubbel
rozet;
-
volle
rozet.
De
kuiffactor vererft onafhankelijk van alle andere tot nu toe bekende erfelijke
factoren bij de grasparkiet.
Nu
dan enkele paringen:
1.
kuif 2 fac. x kuif 2 fac. =
100% 2 factorige kuifvogels
2.
kuif
2 fac. x normaal= 100% 1
factorige kuifvogels
3.
kuif
1 fac. x normaal = 50% niet-kuifvogels,
50% 1 factorige kuifvogels
4.
kuif 2 fac. x kuif 1 fac. =
50% 2 factorige kuifvogels, 50% 1 factorige kuifvogels
5.
kuif 1 fac
x kuif 1 fac. = 25% niet-kuifvogels, 50% 1 factorige kuifvogels, 25% 2 factorige kuifvogels.
Uit
paring 1 komen 100% dubbelfactorige kuiven. Hiervan gaat 48% te gronde aan de
gevolgen van het letale effect van de kuiffactor. Van de resterende vitale
kuifvogels, sterft nog een gedeelte omdat ze zich niet uit het ei kunnen
bevrijden als gevolg van de geringe eigrootte. Minder dan de helft van de
nakomelingen uit deze paring blijft dus in leven.
De
48% uitval geldt ook voor paring 2. Wanneer de man kuif is en de pop normaal,
treedt geen tweede letaliteitcrisis op. De eventuele gladkoppen uit paring 2
zijn kuifbroedvogels en bruikbaar voor de kuiffok.
Paring
3 kan men beter niet toepassen. De eventuele kuifbroedvogels zijn immers niet
van de normale vogels te onderscheiden. Van de 1
factorige kuifvogels overleeft 48% de letale crisis niet.
Paring
4 is op zich een goede paring, maar ook in dit geval overleeft 48% niet vanwege
het letale effect van de kuiffactor.
Paring
5 heeft het bezwaar dat men aan de gladkoppen niet kan
zien of ze kuifdrager (enkelfactorig kuif) zijn of
normaal(niet-kuif. Van de 1 factorige kuifvogels en de
2 factorige kuifvogels overleeft 48% niet.
Behalve
met het in aanleg geringe aantal vitale kuifnakomelingen, wordt de kweker
geconfronteerd met een reeks gedragsafwijkingen bij zijn kuifvogels. Bij
ongeveer een kwart van de heterozygote kuifvogels en veel homozygoten komen
psychomotorische bewegingsstoornissen en andere storingen in de
levensverichtingen voor.
De
voornaamste daarvan zijn:
-
voortdurend
trillen over het gehele lichaam;
-
voortdurend
scheef houden van de kop;
-
ronddraaien
op de bodem van de kooi; poppen die dit gedrag vertonen, kunnen als ze voor de
kweek ingezet worden de eieren beschadigen;
-
niet
goed kunnen vliegen, ongecoördineerd fladderen;
-
niet
voltooien paringsdaad; homozygote kuifmannen zijn menigmaal niet in staat de
copulatie tot een goed einde te brengen en vallen stuiptrekkend op de grond;
-
produceren
van kleine eieren door homozygote kuifpoppen.
Na
het lezen van het bovenstaande, zult u stellig begrepen hebben dat het fokken
van kuifparkieten veel problemen kent. Globaal genomen komen van alle bevruchte
eieren, en onder het voorbehoud dat verder alles goed gaat, slechts ca. 40%
kuifvogels (2 factorige kuifvogels en 1 factorige
kuifvogels) op stok. Hierbij zit doorgaans maar een enkeling die qua kuif aan
de standaardeisen voldoet. Niettemin, hoop ik dat de kuifparkiet voor het
tentoonstellingsgebeuren behouden blijft.
Tekst:
H.W.J. van der Linden