DE LUTINO GRASPARKIET
De lutino heeft altijd tot de verbeelding van de grasparkietfokker gesproken. De diep boterbloemgele tint van een goed exemplaar kan qua kleurdiepte wedijveren met de betere geel intensieve kleurkanarie. In de kleurstandaard wordt dan ook, en terecht een zo diep mogelijke gele kleur gevraagd zonder enige groene aanslag.
Eisen
Het masker van de lutino grasparkiet moet diep geel zijn gelijk aan de lichaamskleur. De keelstippen ontbreken, de wangvlekken zijn zilverwit. De algemene lichaamskleur is geel van een zo diep mogelijke kleurnuance, zonder enige groene aanslag of tekening, overal dezelfde uniforme kleur tonend. De handpennen tonen geel, nagenoeg van dezelfde kleurdiepte als de algemene lichaamskleur, of wit. De secundaire staartpennen zijn diepgeel gelijk aan de algemene lichaamskleur. De primaire staartpennen hebben vrijwel dezelfde kleurdiepte als de lichaamskleur of tonen wit. De ogen van de lutino zijn helderrood en tonen een witte irisring. De poten hebben een vleeskleurige tint, de nagels zijn hoornkleurig zonder enig pigment. De neusdop is bij de man roze met een blauwachtig waas, bij de pop variërend van grijsachtig wit tot bruin. De snavel is hoornkleurig zonder enig pigment.
Kleurvererving
Bepaalde eigenschappen, in dit geval de ino-factor, zijn gekoppeld aan het X-chromosoom en vererven dus geslachtsgebonden. Dit houdt in dat een man wel, doch een pop nooit split kan zijn voor een geslachtsgebonden erfelijke eigenschap. Immers, de man alleen bezit twee homologe X-chromosomen en kan derhalve twee factoren bezitten die elkanders allele vormen. De pop bezit slechts één X-chromosoom, het andere geslachtschromosoom van de pop wordt met Y-chromosoom aangeduid. Het Y-chromosoom wordt door de fokker als een loos chromosoom gezien, waarop zich geen kleurbepalende erfelijke factoren bevinden.
Bij de zogeheten geslachtsgebonden vererving zijn vijf mogelijke paringen te bedenken. Volledigheidshalve laat ik ze hieronder volgen:
1. Ino x ino =
50% ino mannen en 50% ino poppen.
2. Ino x normaal (lees: niet-ino) =
50% normaal/ino mannen;
50% ino poppen.
3. Normaal/ino x ino =
25% normaal ino en 25% ino mannen;
25% ino en 25% normale poppen.
4. Normaal x ino =
50% normaal ino mannen;
50% normale poppen.
5. Normaal/ino x normaal =
25% normale en 25% normaal/ino mannen;
25% normale en 25% ino poppen.
Bekijken we de paringen nog eens goed, dan zien we direct dat uit de paring ino x ino en split ino x ino zowel ino mannen als ino poppen komen en dus voor de fokker de meest aangewezen methode is om ino’s te bekomen. De laatste paring ino x normaal, is het meest ongunstig omdat we aan de mannen niet kunnen zien welke normaal zijn en welke normaal/ino.
Nu nog even iets over het begrip ino. Onder de aanduiding ino verstaan we de kleurslagen lutino en albino. Het verschil tussen lutino en albino zit in het al of niet aanwezig zijn van de gele kleurstof psittacine in de bevedering, wat geheel los staat van de ino-mutatie. Anders gezegd: de lutino komt voort uit vogels uit de groenserie en moet dus gezien worden als de combinatie van ino en groen, de albino stamt uit vogels uit de blauwreeks en is dus in wezen een combinatie van ino en de blauwfactor.
Op enkele uitzondering na, kan de lutino bijna alle kleurslagen en kleurslagencombinaties
maskeren, de donkerfactoren inbegrepen. Het zal duidelijk zijn dat de
kleurkwaliteit sterk afhankelijk is van de kleuren die gemaskeerd worden. Dit
alles maakt het fokken van lutino’s er niet gemakkelijker op, maar we kunnen
bij het koppelen van de fokparen van deze wetenschap ook gebruik maken.
Aanwijzingen voor de
fok
Bij de lutino zijn er twee variëteiten erkend:
1. de
oorspronkelijke lutino met witte vleugel- en staartpennen.
2. een
variëteit met geel doorgekleurde vleugel- en staartpennen.
Het uitgangspunt bij de fok van lutino’s is dat er over fokvogels moet
kunnen worden beschikt met een maximaal bezit aan psittacine en zo weinig
mogelijk melaninebezit. De overgoten groenen zijn daarom als partner voor de
lutino te prefereren boven de groene normaalvogels.
De
oorspronkelijke variëteit
Voor de fok van de oorspronkelijke lutinovariëteit bieden volgende
paringen het meeste perspectief:
* lutino
x overgoten D-groen,
* lutino
x overgoten DD-groen,
* lutino
x overgoten opaline D-groen,
* lutino
x overgoten opaline DD-groen,
* lutino
x D-groen,
* lutino
x DD-groen,
* lutino
x opaline D-groen,
* lutino
x opaline DD-groen.
Uit deze bovenstaande paringen komen split lutino mannen en lutino
poppen. In de volgende jaren kunnen dan de beste split lutino mannen met een
donkerfactor aan de meest belovende lutino poppen gepaard worden.
De paring lutino x lutino valt meestal tegen omdat hieruit zelden jongen
geboren worden die beter zijn dan de oudervogels. Alleen wanneer de liefhebber
in het bezit is van een goed doorgefokte stam kan de paring lutino x lutino
succesvol zijn. Sommige grasparkietliefhebbers gebruiken grijsgroen als partner
voor hun lutino's. Mijn advies is hier: niet doen! De Australische grijsfactor
heeft een zeer nadelige werking op de gele kleur doordat deze te dof wordt en
glansloos overkomt.
Wat ook te mijden is, is de cinnamonfactor. Een lutino die tevens ook de
cinnamonfactor bezit toont veelal een vage bruinachtige tekening. Dit geldt ook
voor lutinomannen die split zijn voor lacewing. Deze factor dus ook niet in de
lutinolijn brengen. Gebruik ook nooit de geelmaskerfactoren als u lutino’s wilt
fokken. Deze reduceren het gele psittacine in de bevedering en voor een goede
lutino is een maximaal psittacinebezit een allereerste vereiste.
Wel kunt u bij de fok van lutino’s zonder bezwaar gebruik maken van
opaline grasparkieten. Ook flecky-headed vogels die voor de fok van
normaalvogels niet wenselijk zijn, zijn voor de fok van ino's vaak uitstekend
te gebruiken.
Stel uw fokparen verder zo samen dat zoveel mogelijk mediumveertypes in
de nafok verschijnen. Tenslotte nog dit: zolang uw lutino's nog groene aanslag
vertonen, wat wijst op de niet volledige werking van de ino-factor, verdient het aanbeveling steeds één of twee donkerfactoren in te fokken.
Hoewel de donkerfactoren geen enkele invloed hebben op de kleurdiepte van de
lutino, hebben ze wel invloed op het groene waas waardoor dit minder storend
werkt omdat het minder opvalt.
De doorgekleurde
kleurvariëteit
Voor de fok van lutino's met doorgekleurde vleugel- en staartpennen
hebben we de Australische bontfactor nodig. Hollands bont zou ook kunnen maar,
gelet op de fysieke eigenschappen die aan de fokvogels gesteld worden, valt
deze vogel vooralsnog af. De te gebruiken bonte moet wat betreft zijn
tekeningen niet aan de standaardeisen voldoen. Integendeel, mijn voorkeur gaat
uit naar een Australisch bonte met zo weinig mogelijk pigmentbezit. Wel dient
er streng geselecteerd te worden op diep doorgekleurde vleugel- en staartveren.
Paringen met perspectief zijn:
* Australisch bont diepovergoten donkergeel x lutino,
* Australisch bont
diepovergoten olijfgeel x lutino,
* Australisch bont donkergroen
x lutino,
* Australisch bont olijfgroen
x lutino.
Hoewel het een wat langere weg is, heb ik hier bewust gekozen voor de
paring Australisch bonte man x lutino pop. De kwaliteit van de Australisch
bonte mannen is over het algemeen beter dan die van de poppen. Uit bovenstaande
paringen komen - als we ervan uitgaan dat de mannen enkelfactorig Australisch
bont zijn - Australisch bonte mannen en poppen en normale mannen en poppen.
Alle mannen zijn echter split voor lutino.
Het tweede jaar paren we Australisch bont/lutino x lutino. Hieruit kunnen
we een aantal lutino mannen en lutino poppen verwachten. De lutino's die de
Australische bontfactor maskeren zijn te herkennen aan de doorgekleurde
vleugel- en staartpennen.
* kleurindruk
afwijkend van de standaardkleur (bijv. groen waas);
* niet
uniform van kleur;
* vleugelpennen
onvoldoende geel doorgekleurd of -
indien het de
variëteit
betreft met witte vleugel- en staartpennen – nog wat geel
tonend
(tussenproducten tussen de beide kleurvariëteiten).
* het
waarneembaar zijn van tekening.
* afwijkende
oogkleur (bijv. het missen van de witte irisring)
Tekst: H.W.J. van der Linden