Leiblauw of slate
De leiblauwe grasparkiet ontstond vermoedelijk in 1935, maar er zijn ook bronnen die 1943 als geboortejaar van deze kleurmutatie vermelden. Hoe het ook zij, na de Tweede Wereldoorlog bleken er in Engeland nog maar enkele te zijn en dit waren allemaal leiblauw-opalinen (Taylor en Warner 1961).
Of er in Nederland kort na de oorlog nog leiblauwe grasparkieten aanwezig geweest zijn, is niet meer te achterhalen, maar erg waarschijnlijk is het niet omdat men er ook in de jaren daarna nooit meer iets concreets over vernam. Zelf kende ik de leiblauwe tot voor enkele decennia alleen maar uit de literatuur. Dat is ook de reden geweest dat ik er in 1980 in 'Grasparkieten houden en kweken' geen woord aan heb besteed.
Inte Onsman, een experimentele grasparkietkweker en bekend om zijn talrijke publicaties op dit gebied, komt de eer toe de leiblauwe voor uitsterven te hebben behoed. In 1970 bracht een vriend van hem een split leiblauwe man en een leiblauw-opaline pop vanuit Engeland mee naar Nederland. Deze vogels kwamen uit het bestand van Cyril Rogers, een bekende Engelse kleurkweker. Uit de nakweek van deze vogels kwam jaren later een dominant bonte licht leiblauwe/opaline man bij Onsman terecht. Het was de laatst overgebleven leiblauwe uit het bestand van zijn vriend (Onsman mondeling). Met deze vogel bouwde hij met veel moeite en tegenslag in een tijdsbestek van ruim tien jaar een bestand op, dat thans ongeveer 50 vogels telt. Enkele leiblauwe vogels uit dit bestand zijn inmiddels weer in Engeland beland want daar bleken ze inmiddels ook uitgestorven te zijn. Ook stond Onsman vogels af aan enkele serieuze grasparkietliefhebbers in Nederland. Zelf behoorde ik ook tot de gelukkigen die enkele leiblauwe vogels uit zijn bestand verkregen. Het eerste jaar kweekte ik hieruit al tien jongen, vier normaal getekende leiblauwen en zes leiblauw-opalinen. Opvallend is dat het verschil in kleurdiepte tussen normaal leiblauw en leiblauw-opaline groter is dan tussen de normalen en de opalinen van de klassieke kleurslagen. Inmiddels heb ik al een hele reeks leiblauwen en leiblauw-opalinen zitten, daarnaast verschillende splitvogels.
Vederstructuur van de leiblauwe
De kleur leiblauw berust op een mutatieve verandering van de baardstructuur. In fig. 36 ziet u de doorsnede van een baard van zo’n leiblauwe. Wat direct opvalt is dat van de normale volgorde - cortex, sponszone, kern - niets meer resteert. De sponszone loopt van cortex naar cortex en de melaninekorrels liggen in groepjes verspreid door de gehele baard. Elke groep melaninekorrels omsluit als het ware een stukje 'sponszone'. De sponszones met de daaromheen gegroepeerde melaninekorrels zorgen er samen voor dat het grootste deel van het invallende daglicht wordt geabsorbeerd. In de ongepigmenteerde delen van de baard treedt interferentie op. Het plaatselijke naar buiten treden van blauwe lichtgolven in combinatie met het grote lichtabsorberende vermogen van dit soort baardstructuur resulteert in een kleur die men in Engeland met 'slate' (slate = lei) aanduidt. Leiblauw dus in goed Nederlands, grijsachtig blauw met de nadruk op blauw zou ook kunnen, zoals de goed met de werkelijkheid overeenkomende kleurafbeeldingen laten zien.
Het kleurverschil tussen leiblauw- en D-leiblauw (middenleiblauw) en tussen D-leiblauw (midden-) en DD-leiblauw (donkerleiblauw) is niet erg groot. Vaak is pas na de jeugdrui met zekerheid te zeggen om welke kleurnuance het gaat.
De kleur leigroen is een combinatie van de leiblauwe baardstructuur en geel psittacine in de cortex, ergo de combinatie van kleurslagen leiblauw en groen.
Verervingswijze
De factor leiblauw bevindt zich op het X-chromoom en vererft derhalve op dezelfde wijze als bijv. de ino-, de cinnamon- en de opaline-factor. Het symbool voor de leiblauwe is sl (= slate = lei).
De formule voor de leiblauwe man is b_D+/b_D+; Xsl/Xsl, die van de leiblauwe pop b_D+/b_D+; Xsl/Y
Kijken we nu naar de vijf paringsmogelijkheden.
1. leiblauw x leiblauw = 100% leiblauw, t.w.
50% leiblauwe mannen;
50% leiblauwe poppen.
2. leiblauw x normaal =
50% normaal/leiblauwe mannen;
50% leiblauwe poppen.
3. normaal/leiblauw x leiblauw =
25% normaal/leiblauwe mannen;
25% leiblauwe mannen;
25% leiblauwe poppen;
25% normale poppen.
4. normaal x leiblauw =
50% normaal/leiblauwe mannen;
50% normale poppen.
5. normaal/leiblauw x normaal =
25% normale mannen;
25% normaal/leiblauwe mannen.
25% normale poppen;
25% leiblauwe poppen.
De hierboven uitgewerkte paringen 1 en 3 zijn het gunstigst omdat hieruit zowel leiblauwe mannen als poppen komen. De laatste paring moet u eigenlijk alleen maar toepassen als er geen andere mogelijkheid is. De reden is dat u aan de jonge mannen niet kunt zien welke normaal zijn en welke normaal/leiblauw.
In theorie kan men de leiblauwfactor met elke kleurslag combineren. Wanneer we de leiblauwfactor in de groenserie inkruisen ontstaat de kleur leigroen. Als voorbeeld paren we een leiblauwe man aan een groene pop. In formules krijgen we dan:
b_D+/b_D+; Xsl/Xsl x b+_D+/b+_D+; Xsl+/Y =
50% groene mannen split voor leiblauw en blauw;
b_D+/b+_D+; Xsl/Xsl+
50% leigroene poppen split voor blauw.
b_D+/ b+_D+; Xsl/Y
Interessante combinaties zijn verder die met de opaline- en de cinnamonfactor. Om bijvoorbeeld een opaline-leiblauwe te krijgen moeten de factoren opaline (op) en leiblauw (sl) gekoppeld in het X-chromosoom komen te liggen. Dat gebeurt alleen als er een crossing-over optreedt bij de man tussen de chromatiden van de X-chromosomen. Onsman stelt na jaren van onderzoek de crossing-over waarde tussen de op-factor en de sl-factor op ruim 40 procent. Dit betekent dat de opaline- en de leiblauwfactor verder uit elkaar liggen dan de opaline- en de cinnamonfactor.
Ook de combinatie cinnamon-leiblauw is alleen te realiseren middels een crossing-over. De crossing-over waarde tussen de cinnamon- en de leiblauwfactor wordt nog onderzocht, maar is volgens Onsman vrij laag, zijn inschatting, hooguit 5%.
Persoonlijk denk ik dat het percentage nog lager is, want na 10 jaar kweken met diverse blauwe mannen die zowel split voor leiblauw als voor cinnamon waren en waaruit na 10 broedseizoenen ongeveer 200 poppen op stok kwamen, heb ik dit jaar de eerste cinnamon leiblauwe pop aangetroffen. Dit komt neer op ongeveer 0,5 procent.
Vanzelfsprekend is het ook mogelijk de leiblauwe opaline-cinnamon te kweken. De formule van de leiblauwe opaline-cinnamon man zonder donkerfactor ziet er als volgt uit: b_D+/b_D+; Xsl_op_cin/Xsl_op_cin
en voor de pop: b_D+ b_D+; Xsl_op_cin/Y
Ter afsluiting van dit artikel heb ik nog een paring uitgewerkt met de drie zojuist genoemde aan het X-chromosoom gekoppelde factoren waarbij ik tevens de mogelijke crossing-overcombinaties aangeef met de daaruit voortvloeiende mogelijke gameetcombinaties.
Blauwe man split voor leiblauw tevens voor de combinatie opaline-cinnamon x opaline leiblauwe pop, in formules:
b_D+/b_D+; Xsl_op+_cin+/Xsl+_op_cin x b_D+/b_D+; Xsl op cin+/Y
Hieruit komen normaal gesproken:
25% leiblauwe mannen split voor opaline, in formules:
b_D+/b_D+; Xsl_op+_cin+/Xsl_op_cin+
25% hemelsblauwe opaline mannen split voor zowel leiblauw als cinnamon waarbij op het ene X-chromosoom de cinnamonfactor gekoppeld is aan de opalinefactor en op het andere X-chromosoom de leiblauwfactor aan de opalinefactor, in formules:
b_D+/ b_D+; Xsl+_ op_cin/Xsl_op_cin+
25% leiblauwe poppen, in formules:
b_D+/b_D+; Xsl_op+_cin+/Y
25% hemelsblauwe opaline-cinnamon poppen, in formules:
b_D+/ b_D+; Xsl+_op_cin/Y
Treden er nu tijdens de meiose enkelvoudige of - wat ook mogelijk is - dubbele crossing-overs op tussen de X-chromosomen van de man, dan worden in plaats van telkens de koppelingsgameten
b_D+; Xsl_op+_cin+ en b_D+; Xsl+_op_cin ook crossover-gameten gevormd.
De volgende crossing-over-combinaties zijn mogelijk:
b_D+; Xsl_op+_cin
b_D+; Xsl_ op_cin
b_D+; Xsl_op_cin+
b_D+; Xsl+_op_cin+
b_D+; Xsl+_op+_cin
b_D+; Xsl+_op+_cin+
Theoretisch kunnen we dus uit deze paring de volgende nakomelingen verwachten:
Mannen:
- leiblauw/opaline;
- leiblauw/opaline en cinnamon;
- opaline leiblauw/cinnamon (op- en cin-factor gekoppeld);
- opaline leiblauw;
- opaline blauw/leiblauw-cinnamon (op- en cin-factor gekoppeld op het ene X-chromosoom, de sl- en de op-factor op
het andere X-chromosoom)
- opaline blauw/leiblauw (sl- en op-factor gekoppeld)
- blauw/leiblauw-opaline en cinnamon (sl- en op-factor gekoppeld);
- blauw/leiblauw-opaline (sl- en op-factor gekoppeld).
Poppen:
- leiblauw;
- blauw opaline-cinnamon;
- leiblauw cinnamon;
- leiblauw opaline-cinnamon;
- leiblauw opaline;
- blauw opaline;
- blauw cinnamon;
- blauw.
Toekomstverwachtingen
Voorzover ik dat thans kan beoordelen is de leiblauwe een aanwinst voor de liefhebberij. De kleur zelf is dan misschien wel niet zo spectaculair, ze biedt wel interessante mogelijkheden. Zo resulteert, om een voorbeeld te noemen, de combinatie met de violetfactor in een marineblauwe kleur (Onsman proefparing). Ook de combinatie met de Australisch grijsfactor is interessant. Uit zelf uitgevoerde proefparingen blijkt dat enkelfactorige Australisch grijzen, die blauw maskeren vaak een blauwachtig grijze kleur tonen. Enkelfactorige Australisch grijzen die leiblauw maskeren blijken steeds zuiver grijs te tonen en niet van dubbelfactorige Australisch grijzen te onderscheiden.
En wat te denken van de combinatie leiblauw en antraciet? Als laatstgenoemde kleurslag over een aantal jaren wat meer algemeen is geworden, is deze combinatie zeker waard uitgeprobeerd te worden.
De geslachtsgebonden verervingswijze maakt het bovendien mogelijk, binnen een redelijke termijn type en formaat aanzienlijk te verbeteren. De erkenning van de leiblauwe kleurslag is inmiddels een feit
Over een aantal jaren hoop ik u nog wat meer over mijn ervaringen met deze kleurslag te kunnen vertellen.
Tekst: H.W.J. van der Linden