VEERTYPES BIJ DE GRASPARKIET

De termen 'yellow' en 'buff' hebben de meeste grasparkietkwekers stellig al wel eens opgevangen. Voor wie de termen wel gehoord heeft, maar niet weet wat ermee wordt bedoeld: 'yellow' en 'buff' zeggen iets over het veertype van de grasparkiet zoals de lengte en breedte van de veer en de uitwendige structuur.

De termen 'yellow' en 'buff' komen van oorsprong uit de Engelse postuurkanarieliteratuur. Het zijn namelijk de Engelse postuurkanariefokkers geweest die al in de beginperiode van de postuurkweek het verschil in veertype ontdekten doordat de lengte en aard van de bevedering de kleur direct beïnvloedt en maakt dat hij yellow (=geel) of buff (lichtgeel) is. Oude postuurkanariebenamingen als 'clearyellow natural Norwich' (gele Norwichkanarie) en 'clear buff Norwich' (lichtgele Norwichkanarie) of 'Evenly buff Norwich' (gelijkmatig getekende lichtgele Norwich) getuigen hiervan. Later hebben de grasparkietfokkers de termen yellow en buff overgenomen, maar zij gebruikten deze termen om de aard van de bevedering ermee aan te geven, ergo 'gladbevederd' resp. 'ruwbevederd'. Tussen het ene uiterste, de gladde, kortbevederde yellow en het andere uiterste, de ruwe, langbevederde buff, treft men een reeks van opeenvolgende graden van veerstructuren en -lengtes aan die min of meer traploos in elkaar overgaan. Op de hoedanigheden en eigenschappen van de meest herkenbare veertypes wil ik hieronder nader ingaan.

Het yellow-veertype

De yellow bevedering moet beschouwd worden als de oorspronkelijke bevedering van de wildvorm grasparkiet. Gedurende het domesticatieproces van de grasparkiet is echter een zekere variatie in het oorspronkelijke yellow veertype ontstaan als gevolg van verschillen in erfelijke aanleggen en selectie door de fokkers. Tussen yellow en yellow bestaat dan ook vaak nog een groot verschil. Ook de verschillen in de groeirichting van de yellowbevedering is zeer groot, wat losstaat van het veertype.

De yellow-veer is een smalle, gladde veer met een fijne structuur, de baardjes en haakjes die de baarden bijeen houden, vertakken zich tot in de baardtoppen en zorgen voor een stevige dichte vlag. Kenmerkend voor het yellow-veertype is verder, de geringe hoeveelheid dons aan de basis van de veer. Vogels met het yellowveertype hebben een strakke, goed gesloten bevedering waarin de kleurstoffen tot in de uiterste baardtoppen zijn doorgedrongen en tonen, mits verder in goede conditie, een optimale lichaamskleur. Ook de ondulatietekening komt bij het yellowveertype het mooiste tot gelding. Andere pluspunten van grasparkieten met dit type bevedering zijn de vrijwel altijd goede lichaamshouding - een belangrijk showelement - en het feit dat ze sneller in conditie te brengen zijn en ook langer dan fokvogel meekunnen dan grasparkieten die een ander, grover veertype bezitten.

Het grootste minpunt van de yellow-grasparkiet is de iele lichaamsbouw waardoor hij als postuurvogel niet mee kan.

Het buff-veertype

Tegenover het yellow-veertype staat het buff-veertype. De buff-veer is een lange, brede veer met een grove structuur en veel dons aan de veerbasis. De baarden van de buff-veer zijn beduidend langer dan van de yellow-veer, staan verder uit elkaar, hebben een grotere diameter en aan de baardtoppen ontbreken de baardjes en de haakjes. Evenals bij het yellow-veertype bestaat er ook tussen buff en buff een opmerkelijke variatie. Men onderscheidt normaal langbevederde vogels met tamelijk smalle veren en weinig dons en grofbevederde vogels met lange veren en een dichte massa dons aan de veerbasis. Ook zijn er buff-vogels die de juiste veergroeirichting missen, ze hebben diepe, maar geen mooie maskers en onvoldoende kopbreedte. Deze vogels ogen smal, vooral wat betreft de kop.

Buff-vogels lijken gewoonlijk groter, maar vooral beduidend breder van lichaamsbouw dan vogels met het yellow veertype. Dit komt door de grovere bevedering in combinatie met grote hoeveelheden onderdons aan de veerbasis. Neemt men een buff-vogel in de hand, dan voelt hij meestal los aan terwijl het lichaamsgewicht vaak veel minder is dan zijn postuur doet vermoeden.

Een ander pluspunt van de buffvogel is dat hij sneller groeit dan zijn yellow tegenhanger. Op een leeftijd van 5-6 maanden kan de buff qua grootte al aardig mee, terwijl de yellow nog lang niet op formaat is.

Naast de onmiskenbare voordelen, heeft het buff-veertype ook nadelen.

Qua kleur zal de buff-vogel het steeds afleggen tegen de yellow. Dit komt omdat zich gewoonlijk in de baardtoppen van buffvogels geen kleurstoffen bevinden, terwijl de aanwezige baardjes en haakjes vrijwel geen melanine bevatten. Ook de ondulatietekening is bij het buff-veertype als regel veel minder scherp dan bij yellow-vogels.

Zware buff-vogels hebben gewoonlijk 11 handpennen, die stuk voor stuk langer en smaller zijn dan van de yellowvogels. Het gevolg is dat buffvogels meestal een minder goede vleugeldracht tonen. Ook de lichaamshouding van de buff kan meestal niet tippen aan die van de yellow.

Een zeer groot minpunt van de buff-vogel is de verminderde levensvatbaarheid. Buff-vogels zijn moeilijk in broedconditie te krijgen, vooral de poppen. Als het al lukt gaan ze vaak niet meer dan één, hooguit twee broedseizoenen mee. Bij de mannen ligt het wat gunstiger. Vast staat echter wel dat uit buff-factorige vogels onderling gepaard over het algemeen minder jongen geboren worden dan uit yellow-vogels.

Ook het in tentoonstellingsconditie brengen van buffvogels is een hele toer en, indien het lukt, gewoonlijk van korte duur.

De buff-bevedering is het gevolg van een mutatie die vermoedelijk aan het einde van de veertiger jaren in Engeland optrad in een stam yellow grasparkieten. De buff-factor zetelt op een autosomaal chromosoom en vererft, zover thans bekend, onafhankelijk van alle andere bekende mutaties bij de grasparkiet. De kenmerkontwikkeling van de F1-individuen uit de paring buff x yellow of omgekeerd yellow x buff is intermediair. Anders gezegd: het verkregen veertype uit deze paring is noch dat van de een, noch dat van de de ander van de ouders, doch staat tussen beide uitgangsveervormen in; dit veertype wordt medium genoemd.

De buff-factor geven we aan met het dominatiesymbool Bu, het yellow-wildvormtype met Bu+.

Het medium-veertype

Het mediumveertype houdt het midden tussen yellow en buff. De mediumveer bezit de veerbreedte en hoeveelheid dons van de buffveer en de fijne structuur en de dichte verhaking van de yellowveer en daarmee de goede eigenschappen van zowel de yellow- als de buffbevedering.

Het medium veertype geldt in zijn algemeenheid als de meest ideale bevedering voor tentoonsstellingsgrasparkieten. Dat is de theorie en tevens de praktijk. Maar ook op deze algemene regel zijn uitzonderingen. Om te beginnen kent ook het medium-veertype een grote variatiebreedte, vooral wat betreft de veerlengte.

Middelbevederde vogels die van grofbevederde opalines afstammen bijvoorbeeld, veroorzaken veelal dezelfde problemen als de echte buffvogels. Ze hebben weliswaar veren van het mediumtype, die tot in de toppen zijn verhaakt en waarbij ook de kleurstoffen tot in de uiterste baardpuntjes zijn doorgedrongen, maar zijn voor medium te lang. Grasparkieten met een dergelijke bevedering hebben vaak een uitstekende lichaamsbouw, maar ogen meestal slordig. Het masker oogt rommelig, de spots hangen er a.h.w. aan, de lichaamsveren liggen niet glad, ze draaien zich soms om rond de borst en hals en staan dan alle kanten uit; het is duidelijk dat ook de kleur hierdoor in negatieve zin wordt beïnvloed.

Cinnamons hebben vaak heel andere veren, gewoonlijk zijn ze fijn, maar feit is ook dat uit zichtbaar fijnbevederde ouderdieren op grond van hun genetische constellatie grofbevederde nakomelingen kunnen komen.

Het is dus beslist niet zo, dat uit de paring buff x yellow of omgekeerd steeds medium bevederde grasparkieten voortkomen. Inderdaad u heeft gelijk: op grond van de Mendelwetten zou dit wel zo moeten zijn, maar u vergeet dat er sinds het buff-type is ontstaan met deze mutatie maar wat is aangerommeld. De buffvogels werden verpaard aan vogels van het yellow-type, die op grond van kleine verschillen in erfelijke aanleggen en selectie door de fokker gedurende het meer dan honderdjarige domesticatieproces alreeds niet raszuiver waren voor het oorspronkelijke wildvorm-yellow-type. Buitendien worden het yellowveertype noch het buffveertype niet uitsluitend bepaald door één paar erfelijke factoren, maar door een hele reeks erfelijke factoren, die op de een of andere wijze hun invloed doen gelden op de uiteindelijke verschijningsvorm van de veer. De regels van Mendel kloppen dus wel, alleen treden ze in deze gevallen door de ondoorzichtelijke vervlochtenheid van de betrokken erffactoren niet duidelijk naar buiten.

De gevolgen zijn bekend: er bestaan buiten de wildbaan geen grasparkieten met een raszuiver veertype. Als fokker kunnen we aan de buitenkant dus ook niet zien, wat voor veertype men uit een bepaalde paring kan verwachten. Het is een zaak van kennis van de eigen vogels, waar ze vanaf stammen en wat er uitkomt. Niet zelden is een testparing nodig om daarachter te komen. Het lukraak aankopen van een topvogel waarvan men in feite niets weet, is alleen al om die reden af te raden. Zeker, een enkele keer heeft men geluk en fokt men daaruit een echte topper, veel vaker echter komt men slechts tot middelmatige resultaten doordat de erfelijke aanleggen van de verschillende veertypen niet met elkaar stroken.

Het fokken van grasparkieten met de juiste bevedering is een lange weg en het best begaanbaar via lijnenteelt. Alleen op deze wijze zijn de uitkomsten controleerbaar en is men beter in staat juist dát bevederingstype in de vogels te brengen, wat men voor ogen heeft.

Het partial-yellow-veertype

Omdat we toch al in de Engelse termen zitten, blijf ik daar nu maar bij. Met partial-yellow (= gedeeltelijk yellow) bedoel ik het veertype van de doorsnee tentoonstellingsvogel. Het is yellow noch medium, maar een veertype daartussen in, zoiets van 75% yellow en 25% buff. Het gaat natuurlijk niet om een procent meer of minder, maar om zo duidelijk mogelijk aan te geven waar u dit veertype moet plaatsen.

Partial-yellow vogels doen gewoonlijk wat forser aan dan vogels met een yellowbevedering, maar leggen het qua formaat af tegen vogels van het ideale mediumveertype. Verder zijn op de partial-yellow alle goede eigenschappen van de yellow van toepassing. Poppen van het partial-yellow-veertype die uit de kruising partial-yellow x buff of omgekeerd stammen, zijn dikwijls waardevol voor de fok van het mediumveertype. Dit kan men vaststellen door de bewuste pop terug te paren aan een buff man. Uit een dergelijke kruising ontstaan verschillende veertypes waaronder het mediumveertype alsook een veertype dat tussen medium en buff inzit en dat ik hierna partial-buff zal noemen.

Het partial-buff-veertype

Dit veertype houdt het midden tussen medium en buff en zou als de tegenhanger van de partial-yellow gezien kunnen worden. Dit veertype is voor 75% buff. Vogels met dit veertype kunnen uitstekende postuurvogels zijn met vooral een goed formaat, vaak 24 cm of meer. Qua type zijn ze echter duidelijk de mindere van medium bevederde grasparkieten, dit is zeer zeker het geval als de lichaamslengte wat minder is. Ook de kleur, het showelement en de conditie van de partial-buff laten vaak te wensen over. Niettemin ken ik verschillende fokkers die met vogels van dit veertype de top bereikt hebben. Menigmaal als ik een grote show bezocht, ontkwam ik echter niet aan de indruk, dat dit soort vogels alleen op basis van hun fysieke kwaliteiten de top bereikt hadden en dat weinig of geen rekening gehouden was met andere in de standaard gestelde kwaliteitseisen. Voor alle duidelijkheid: partial-buff-vogels zijn dikwijls zeer goede vogels met veel goede eigenschappen, grasparkieten om te hebben, maar in mijn visie slechts in weinig gevallen echte showvogels.

Featherduster

Volledigheidshalve dient ook de featherduster hier genoemd te worden. Voor wie geen idee heeft wat featherdusters zijn: featherdusters zijn grasparkieten met abnormaal lange veren over het gehele lichaam waarbij een kopbevedering van 5 cm of langer geen uitzondering is. Gewoonlijk hebben ze ook meer vleugel- en staartpennen dan normaal bevederde grasparkieten. Behalve dat lijden ze aan bewegings- en coördinatiestoornissen en worden zelden ouder dan 10 maanden.

Voor een goed waarnemer is de jonge featherduster al op jonge leeftijd in het nest te herkennen. Het meest opvallend is de vertraagde veerontwikkeling in het begin. Terwijl hun even oude of zelfs jongere nestgenoten al in de veren komen, steken de veren van de featherduster nog in de schacht. Op een leeftijd van ongeveer drie weken komt hierin verandering. Aanvankelijk lijkt het dan nog alsof zich een soort supervogel ontwikkelt, maar na enkele dagen bemerkt men dat de veergroei alle proporties te buiten gaat. Behalve dat verloopt de algemene ontwikkeling van deze dieren veel trager en ze komen steevast, ook als ze niet de nestjongste zijn, als laatste uit het blok.

Naar algemeen wordt aangenomen is een gemuteerd gen met recessieve kenmerkvorming verantwoordelijk voor het ontstaan van het verschijnsel featherduster. Het wetmatig voorkomen van dit fenomeen in bepaalde foklijnen en het onmiddellijk uitblijven van featherdusters als het betreffende fokkoppel wordt omgepaard, ondersteunen deze hypothese.

De vraag, hoe met dit kwaad in de dagelijkse fokpraktijk om te gaan, is niet eenvoudig te beantwoorden. Soms is de afstamming bekend en beperkt tot één ouderpaar. In zo'n geval kan men de dieren voor verdere fokdoeleinden uitsluiten.

Het vervolgen van een ziekelijke afwijking met recessieve kenmerkvorming door verschillende generaties heen is veel moeilijker, daar slechts homozygote (fd/fd) individuen het kenmerk vertonen en heterozygoten (fd+/fd) hun aanleg in zich verborgen dragen en doorgeven. Het bezit van een absoluut waterdichte fokadministratie waarin voor elke vogel uit het bestand de afstamming overzichtelijk is vastgelegd, is daarbij een must. Maar wat te doen als de lijn waaruit de featherduster is voortgekomen via de fokadministratie blootgelegd kan worden? Alle vogels uit de lijn zijn verdacht. Tussen erfelijk gezonden (fd+/fd+) en vogels van in dit opzicht gemengd erfelijke aanleg (fd+/fd) is immers geen verschil. De hele lijn desondanks volledig elimineren, zoals sommigen bepleiten? Nog afgezien van het feit, dat slechts weinig fokkers voor zo'n radicale aanpak zullen kiezen - terecht overigens - biedt het ook geen definitieve oplossing, want met de eerstvolgende nieuwe aankoop kan men de ongewenste erfelijke aanleg weer in huis halen.

Zelf denk ik dat we als grasparkietfokker met het verschijnsel featherduster moeten leren leven. Bij ons streven naar steeds mooiere en forsere grasparkieten hebben we de natuurlijke selectie grotendeels uitgeschakeld. We creëren vogels die in de vrije wildbaan nog geen week zouden overleven. Daar waar het in onze kraam te pas komt, zijn we nooit beschroomd geweest ook biologisch negatieve afwijkingen te aanvaarden. Geeft ons dat nu ook het recht om over het leven van de dieren waarvan de erfelijke aanleg ons niet past, te beschikken?

Ik denk, dat we die vraag met nee moeten beantwoorden.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net