GRASPARKIETEN ALLERLEI

 

Tips voor de fok van …….

 

Groene grasparkieten

 

Groen (lichtgroen)
De beste resultaten met betrekking tot de groene (lichtgroene) kleur bereikt men door homozygote groenen onderling te paren. De ervaring heeft geleerd dat door goede groene vogels onderling te paren de kleur niet terugloopt. Ook kan men door een iets minder diep gekleurde groene aan een zeer goede te paren telkens een aantal goedgekleurde jongen verwachten. Uitgesproken slecht gekleurde groenen dient men uit te selecteren en voor de fok van groenen uit te sluiten.
In de praktijk valt het vaak niet mee om homozygote groenen te krijgen. Dat is niet zo vreemd omdat groenen bij voorkeur gebruikt worden om andere kleurslagen te verbeteren. De uiterlijk groene jongen uit dergelijke paringen zijn dan ook vaak split voor andere kleurslagen.
Vaak wordt beweerd, dat om goede groenen te krijgen men groen aan blauw (hemelsblauw) moet paren. Dit gaat echter alleen op als men goede groenen aan goede blauwen paart. Paart men een te geel gekleurde groene aan een flets gekleurde blauwe, dan krijgt u beslist geen goede groene jongen, omdat bij beide oudervogels het melaninebezit onvoldoende ontwikkeld is. Persoonlijk vind ik het een bezwaar dat bij de paring groen x blauw aan de blauwe oudervogel niet te zien is hoe het psittacine zich zal ontwikkelen. De paring groen x blauw blijft voor de fok van groenen dan ook min of meer een gok. Omzeilen kan men dit door de paring groen/blauw x groen of omgekeerd groen x groen/blauw.
Paringen die eveneens tot goede groene vogels leiden zijn:
- groene man x groene opaline pop;
- groene man x grijsgroene pop of omgekeerd;
- groene man x grijsgroene opaline pop.


Stel de kweekkoppels zo samen, dat zoveel mogelijk een medium lichaamsbevedering in de nakomelingen ontstaat.
Vermijd het gebruik van vogels die in het bezit zijn van donkerfactoren. Deze heeft u immers voor groen niet nodig. Gebruik ze dan ook niet. Ook de melaninereductiefactoren, de inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor kunt u als regel beter niet gebruiken. Vermijd ook het inkruisen van de geelmaskerfactoren.
Belangrijk is verder dat u streng selecteert op de ondulatietekening. Deze moet regelmatig en diepzwart van kleur zijn en scherp afsteken tegen de zuiver gele baardtoppen. Vaak zien we aan de vleugelbocht, op de achterkop en in de nek een storende groene aanslag, het zogenaamde opaline-effect. Het groen worden van de baardtoppen wordt veroorzaakt door het veelvuldig inkruisen van de opalinefactor in de normaal groenserie.
In theorie zou men vogels met deze storende fout voor de fok niet moeten gebruiken. In de praktijk zou dit echter betekenen dat de meeste liefhebbers hun vogels op zouden moeten ruimen en opnieuw beginnen.
Een bruikbaar alternatief is de paring normaal x normaal, waarbij tenminste één van de partners het opaline-effect niet vertoont. Vervolgens is selectie en nog eens selectie het enige antwoord op de problematiek van het opaline-effect.

D-groen (donkergroen)
Het fokken van goede D-groenen (donkergroenen) is allesbehalve eenvoudig.
Veelal is de kleurdiepte van de D-groene niet het zwakke punt, maar is de kleur niet egaal, of erger nog, vlekkerig. Hierop dient streng geselecteerd te worden.
Goede paringen voor de fok van D-groen zijn:
- D-groen x D-groen;
- D-groen x DD-groen (olijfgroen) of omgekeerd;
- D-groen x D-blauw (kobalt) of omgekeerd;
- D-groen x DD-blauw (mauve) of omgekeerd.

Gebruik vogels met een niet te lange lichaamsbevedering. De kleur komt bij het medium bevederingtype nog goed tot zijn recht.
Vermijd het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de geelmaskerfactoren, de ino-factor, de fallowfactor en de cinnamonfactor.
Niet vergeten op opaline-effect te selecteren.
De kleurslag D-groen leent zich uitstekend om kleurcontrasten bijv. in de bontseries en bij de geelvleugels te accentueren.

DD-groen (olijfgroen)
Goede, uniform gekleurde DD-groenen (olijfgroenen) zijn zeldzaam. Het is echter wel een kleurslag waarmee de doorzetter eer kan behalen.
Aan te bevelen paringen zijn:
- D-groen x D-groen;
- D-groen x DD-groen of omgekeerd;
- DD-groen x D-blauw of omgekeerd;
- D-groen x DD-blauw of omgekeerd.

Voor de kweek van DD-groenen geen fokvogels gebruiken met een vlekkerige lichaamskleur. Gebruik vogels met een niet te lange lichaamsbevedering. Ook selecteren op opaline-effect.
Vermijd verder het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de geelmaskerfactoren, de inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor.
DD-groen kan helpen de groene aanslag in de lutino's minder zichtbaar te doen zijn.

 

 

Blauwe grasparkieten

 

Blauw (hemelsblauw)
Uit goed gekleurde blauwen (hemelsblauwen) komen steeds goedgekleurde blauwen (hemelsblauwen). De oudere grasparkietfokkers onder ons die de kleurperiode nog meegemaakt hebben, zullen dit beamen. De beste paring is dus blauw x blauw. Ook wanneer men een zeer goed gekleurde blauwe aan een iets minder diepgekleurde paart verkrijgt men telkens een aantal goedgekleurde blauwen.
Goede alternatieven zijn:
- blauw x groen/blauw of omgekeerd;
- blauw x Australisch grijs 1 f. of omgekeerd;
- blauw x blauw of Australisch grijs 1 f. opaline pop.


Stel de fokparen zo samen dat er zoveel mogelijk een medium veertype in de lichaamsbevedering van de nakomelingen ontstaat. De kleurkwaliteit neemt onmiddellijk af zodra de bevedering verder opschuift in de richting van het bufftype.
Vermijd het gebruik van vogels die in het bezit zijn van donkerfactoren. Ook de melaninereductiefactoren, de inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor kunt u beter niet gebruiken.
Belangrijk is verder dat u streng selecteert op de ondulatietekening. Deze moet regelmatig en diepzwart van kleur zijn en scherp afsteken tegen de zuiver witte baardtoppen. Streng selecteren op het opaline-effect. De opalinefactor zo beperkt mogelijk inschakelen. Voor typeverbetering kan het echter wel eens nodig zijn. Opaline poppen hebben vaak een goede schouderpartij en een breed en diep masker met zware spots.

D-blauw (kobaltblauw)
Het fokken van goede D-blauw vogels is eigenlijk alleen het proberen waard, als men zich helemaal voor deze kleurslag wil inzetten. De problemen die men tegen komt zijn te vergelijken met de fok van D-groen. Het is erg belangrijk dat de baardtoppen tot in de uiterste punten melanine bevatten. Hierop dient streng geselecteerd te worden.
Goede paringen voor de fok van D-blauw zijn:
- D-blauw x D-blauw;
- D-blauw x DD-blauw (mauve) of omgekeerd;
- D-blauw x D-groen/blauw type 1 en 2 of omgekeerd;
- DD-blauw x D-groen/blauw type 1 of omgekeerd.


Zet geen vogels in waaruit een grof bevederingtype ontstaat. De kleur komt bij het medium bevederingtype nog goed tot zijn recht, mits streng geselecteerd wordt op het melaninebezit. Vogels met kleurloze baardpunten, hoe gering ook zijn voor de fok van goede D-blauwen onbruikbaar.
Vermijd het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de ino-factor, de fallowfactor en de cinnamonfactor. Let op het storende opaline-effect, vooral in de vleugelbochten.
D-blauw leent zich uitstekend om kleurcontrasten te benadrukken.

DD-blauw (mauve)
DD-blauwen van goede kleur zijn moeilijk te fokken. Dit komt omdat de diepte van de sponszone vaak per baard verschilt, waardoor lichtere blauwnuances ontstaan en het geheel er vlekkerig uitziet. De fokvogels moeten dus zo egaal mogelijk van kleur zijn.
Goede paringsmogelijkheden zijn:
- D-blauw x D-blauw;
- D-blauw x DD-blauw of omgekeerd;
- D-blauw x DD-groen/blauw of omgekeerd;
- DD-blauw x D-groen/blauw type 2 of omgekeerd.


Formeer de fokstellen zodanig, dat zoveel mogelijk vogels ontstaan met het medium veertype. Streng selecteren op opaline-effect. Vermijd verder het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor.

 

 

Violette grasparkieten

 

Violet

Echt goede violetten zijn schaars. Dit komt omdat de liefhebber bij deze kleurslag veel vaker dan bij andere kleurslagen het te gebruiken veertype van zijn fokvogels moet aanpassen. Kiest u voor een yellow veertype, dan zit u goed wat betreft de kleur, maar zult u uitsluitend vogels fokken met een smalle bouw en daar is - gegeven het feit dat de grasparkiet op de eerste plaats een postuurvogel is - geen eer mee te behalen. Wanneer u kiest voor de fok van violetten met een wat grover veertype, bijvoorbeeld het medium veertype, dan werkt dit in het voordeel van het postuurtype, maar gaat het ten koste van de violetkleur. Niettemin ben ik van mening dat het meest geschikte veertype voor de lichaamsbevedering van de violet in de buurt ligt van het medium veertype, zo ergens tussen medium en partial yellow. Een bevederingtype dus dat voor ongeveer 60-65% yellow is en voor 35-40% buff.

Paringen met het meeste perspectief zijn:
- DD-blauw 2 f. violet x blauw 2 f. violet of omgekeerd;
- DD-blauw 2 f. violet x blauw of omgekeerd;
- DD-blauw 1 f. violet x blauw 2 f. violet of omgekeerd;
- DD-blauw 2 f. violet x blauw 1 f. violet of omgekeerd;
- DD-blauw 1 f. violet x blauw 2 f. violet of omgekeerd;
- violet 2 f. x violet 2 f.;

- violet 2 f. x blauw of omgekeerd;
- violet 2 f. x DD-blauw of omgekeerd;
- violet 2 f. x D-blauw.

Selecteer streng op de uniformiteit van de kleur van de oudervogels. Let ook op het opaline-effect. Vermijd verder het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de inofactor, de fallowfactor en de cinnamonfactor. Maak slechts spaarzaam gebruik van de opaline-factor.
Met de violet kan men - als met geen andere kleurslag - kleurcontrasten accentueren.

 

Grijze grasparkieten

 

Grijs (lichtgrijs)
Globaal genomen is de kleurkwaliteit van de Australisch grijzen op de tentoonstellingen vrij goed te noemen. Toch komen we regelmatig ook nog Australisch grijzen tegen waarvan de kleur een blauwachtig grijze tint heeft, wat veroorzaakt wordt door de niet volledige werking van de Australisch grijsfactor. Uit proefparingen is mij gebleken, dat indien de dubbele A-factor in dergelijke vogels ingefokt wordt, de kleur steeds goed is bij de nakomelingen, waaruit we de conclusie mogen trekken dat de terugkaatsing van de blauwe lichtgolven door het dominante gedrag van de dubbele A-factor wél volledig wordt belet.

Uit proeven die ik over een aantal jaren verdeeld nam, verkreeg ik een aantal opmerkelijke resultaten, die ik u niet wil onthouden.

1. Alle blauwachtig grijs gekleurde vogels bleken steeds

    enkelfactorig Australisch grijs te zijn.
2. Uit de blauwachtig grijzen gepaard aan hemelsblauwen 

    kwamen nimmer goed gekleurde grijzen.
3. Blauwachtig grijzen gepaard aan dubbelfactorige grijzen gaven

    steeds een groot aantal goed gekleurde Australisch grijzen te

    zien. De goed gekleurde jongen uit deze paringen bleken steeds

    dubbelfactorig grijs te zijn.
4. Uit dubbelfactorig grijs x blauw kreeg ik zowel goed als slecht
   
gekleurde jongen. Uit de goedgekleurde enkelfactorige grijzen

    uit deze paringen kwamen steeds goed gekleurde Australisch

    grijzen.
5. Uit blauwachtig grijs gepaard aan blauwachtig grijs kwamen

    telkens een klein aantal goedgekleurde jongen, welke alle

    dubbelfactorig grijs waren doch in het daarop volgende

    kweekseizoen bij paring aan hemelsblauw geen enkele goed

    gekleurde grijze voortbrachten.

Het schijnt dus zo te zijn dat in bepaalde vogels de enkele A-factor niet volledig werkzaam is. Om zoveel mogelijk verzekerd te zijn van Australisch grijzen met een goede kleur, adviseer ik steeds de dubbele A-factor in uw Australisch grijzen in te fokken.
De meest geschikte paringen voor de fok van de grijze (lichtgrijze) variëteit zijn:
- grijs 2 f. x grijs 2 f.;

- grijs 2 f. x grijs 1 f. of omgekeerd;
- grijs 2 f. x grijsgroen 2 f./blauw of omgekeerd;
- grijs 2 f. x grijs 2 f. opaline pop;
- grijs 2 f. x grijs 1 f. opaline pop;
- grijs 2 f. x grijsgroen 2 f. opaline pop split voor blauw.

De praktijk heeft aangetoond dat grijs met een bevederingtype tussen medium en partial buff qua kleur hoog kan scoren. Ook partial bufftypes in grijs zijn vaak nog erg goed van kleur. Australisch grijs zonder de donkerfactor is wat de kleuruiting betreft minder gevoelig voor een iets grover veertype dan de andere kleurslagen in de blauwserie. Wel moet vermeden worden dat de bevedering te los wordt. Vermijd verder voor het verkrijgen van grijs het inkruisen van de donkerfactoren, de melaninereductiefactoren, de ino-factor, de fallowfactor en de cinnamonfactor.
Uiteraard heeft u voor de fok van DD-grijs (donkergrijs) de donkerfactoren wel nodig.

DD-grijs (donkergrijs)
Voor deze kleurslag geldt in grote lijnen hetzelfde als voor lichtgrijs. De donkergrijze kleur komt goed tot zijn recht bij het medium bevederingtype, bij een grovere bevedering loopt de kleurdiepte en uniformiteit van de kleur snel terug. Houd hiermee dus rekening bij het samenstellen van de fokparen.

Noot:
De kleurslag middengrijs is niet in de kleurstandaard opgenomen daar deze niet of nauwelijks van de grijze is te onderscheiden.

Inzenden als grijs.

 

Grijsgroene grasparkieten

 

Grijsgroen (lichtgrijsgroen)
Uit de paring homozygote groen x homozygote grijs krijgen we - zoals bekend - 100% grijsgroen. Hiermee zijn we er echter allerminst. Homozygote vogels in deze kleurslagen zijn schaars. De kleur van vele grijsgroenen die enkelfactorig Australisch grijs zijn tevens split voor blauw, is in de meeste gevallen veel te hard door de zwakkere werking van de enkele Australisch grijsfactor. Deze vogels zijn ook goed te herkennen aan de blauwgrijsachtige wangvlekken.

Verbeteren kan men de kleur door de blauwfactor eruit te fokken. Dat doen we door een grijsgroene/blauw aan een homozygote groene te paren.
Hieruit kunnen we verwachten:
25% groen;
25% groen/blauw;
25% grijsgroen enkelfactorig/blauw;
25% grijsgroen enkelfactorig.


Deze laatste grijsgroenen steken qua kleur met kop en schouders boven de andere grijsgroenen uit. Wilt u de puntjes op de i zetten, fok dan de Australisch grijsfactor dubbel in. Dit kunt u doen door grijsgroen enkelfactorig aan grijsgroen enkelfactorig te paren. Hieruit mag u 25% groen; 50% grijsgroen enkelfactorig en 25% grijsgroen dubbelfactorig verwachten.
De grijsgroenen met de dubbele grijsfactor zijn van een prachtige, warme, glanzende, mosterdgrijsgroene kleur.
Het beste is vervolgens steeds homozygote grijsgroen x homozygote grijsgroen te paren.
Grijsgroenen met de dubbele Australisch grijsfactor, die tevens split voor blauw zijn, zijn over het algemeen te licht in de broekbevedering. Ook deze kleurfout kan men verbeteren door dergelijke vogels aan een homozygote groene te paren.

Voor de fok van grijsgroenen kan men gerust vogels gebruiken met een iets langere lichaamsbevedering. De ervaring heeft geleerd dat grijsgroenen met een bevederingtype tussen medium en partial buff t.a.v. de kleur van hoge kwaliteit kunnen zijn. Grijsgroenen met een partial buff bevedering scoren wat de kleur betreft niet zelden ook nog goed, maar voorkom dat de bevedering te los wordt. De grijsgroene kleur is wat de kleuruiting betreft minder gevoelig voor een iets grover veertype dan de andere kleurslagen in de groenserie. Blijf wel streng selecteren op een maximale ontwikkeling van psittacine in de bevedering en op het opaline-effect. Vermijd verder het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de geelmaskerfactoren, de ino-factor, de fallowfactor en de cinnamonfactor.


DD-grijsgroen (donkergrijsgroen)
Voor deze kleurslag geldt in grote lijnen hetzelfde als voor grijsgroen. De DD-grijsgroene kleur komt nog goed tot zijn recht bij het medium bevederingtype, bij een grovere bevedering loopt de kleurdiepte en uniformiteit van de kleur snel terug. Houd hiermee dus rekening.

Noot:
De kleurslag D-grijsgroen is niet in de kleurstandaard opgenomen daar deze niet of nauwelijks van de grijsgroene is te onderscheiden.

Inzenden als grijsgroen.

 

 

Grijsvleugel grasparkieten

 

Grijsvleugel

Belangrijk is dat u streng selecteert op de ondulatietekening. Deze moet regelmatig en asgrijs van kleur zijn en scherp afsteken tegen de zuiver gele baardtoppen. Veel grijsvleugels hebben een te lichte tekening. Soms wordt dit veroorzaakt doordat de bewuste grijsvleugel tevens split is voor overgoten of clearwing, of de cinnamon- of fallowfactor is ingefokt, doch in de meeste gevallen is het een gevolg van onvoldoende selectie. Zeer veel grijsvleugels zijn toevalsproducten en eigenlijk niet waard zo genoemd te worden. Als de ondulatietekening te sterk is gereduceerd, is ook de lichaamskleur te flets. Selectie en nog eens selectie is de enige methode om tot de juiste kleurdiepte van de lichaamsbevedering en grijstint van de tekening te komen.

Stel u kweekkoppels zo samen dat zoveel mogelijk een medium veertype in de nakomelingen te verwachten is. Wanneer het bevederingtype te veel opschuift in de richting van het bufftype, wordt de ondulatietekening onscherp en neemt ook de grijstint in kleurdiepte af.

Paar steeds normaal/grijsvleugel aan grijsvleugel of omgekeerd en vermijd het gebruik van andere melaninereductiefactoren. Gebruik – indien niet strikt noodzakelijk – geen kleurslagen die u voor de fok van de door u gewenste grijsvleugels niet nodig heeft. Voor de fok van lichtgroene grijsvleugels heeft u normaal lichtgroenen en lichtgroene grijsvleugels nodig, een enkele keer misschien een grijsgroene als outcross om het bevederingtype bij te sturen. Gelet op het doel is het goed het bij deze factoren te laten. Raadpleeg voor grijsvleugels in combinatie met blauw, violet grijs, grijsgroen de tips die ik hiervoor bij de kleurslagen in de normaalserie heb gegeven.

 

Overgoten grasparkieten

 

Overgoten

Een goede overgoten vogel – in welke kleur dan ook - mag hooguit 10% van de oorspronkelijke lichaamskleurdiepte tonen. Ook de tekening behoort voor 90% gereduceerd te zijn. Veel overgoten vogels houden wat betreft hun kleur en tekening het midden tussen grijsvleugel en overgoten. Het is duidelijk dat we te diep gekleurde en te zwaar getekende vogels voor de fok van overgoten vogels uitselecteren. De vanwege hun kleur en tekening uitgeselecteerde vogels zijn soms nog wel bruikbaar voor bijv. de kweek van ino's.
Ofschoon de tekening van de overgoten vogels sterk opgebleekt moet zijn - hoe sterker opgebleekt hoe beter - dient de tekening wel regelmatig te zijn. Hierop dus blijven selecteren.

Stel uw fokparen zo samen dat zoveel mogelijk het medium veertype of een veertype tussen medium en partial buff in de nakomelingen te verwachten is. Hoe sterker de lichaamskleur is opgebleekt, hoe minder de kleuruiting door het grovere veertype wordt beïnvloed. Wél dient voorkomen te worden dat de bevedering te lang wordt en daardoor te los. Hierop dus selectie toepassen.
Vermijd verder het inkruisen van kleur- en tekeningsfactoren die u niet nodig heeft.
Om ook ten aanzien van de fysieke eigenschappen voldoende bijsturingsmogelijkheden te hebben, raad ik u aan steeds normaal/diepovergoten aan diepovergoten of omgekeerd te paren.

 

Cinnamon grasparkieten

 

Cinnamon

De cinnamon is een tekeningvogel en het is dus belangrijk dat daar dan ook de nodige aandacht aan besteed wordt. Begin dus niet met vogels waarvan de tekening onscherp of wazig is of het bruin van de tekening te zwak. Niet vergeten op opaline-effect te selecteren. De kleur van de tekening moet diep cinnamon (kaneelkleurig) bruin zijn. Als regel is de kleur van de tekening bij de mannen iets dieper (harder) van tint; bij de poppen doet het bruin wat warmer aan. Dit valt in de groenserie echter minder op dan in de blauwserie. Op een gele ondergrond doet het bruin warmer aan dan op een witte ondergrond. Belangrijk is ook de juiste lichaamskleur. De kleur is weliswaar wat bleker dan bij de normalen, maar mag beslist niet flets zijn.

De beste paring voor het fokken van cinnamons is cinnamon x cinnamon. Kijk voor bruikbare alternatieven naar de tips die ik hierover bij de normaalvogels heb gegeven.
Vermijd het inkruisen van de melaninereductiefactoren, de ino-factor en de fallowfactor.

Voor de fok van cinnamons hebben we de normale kleurslagen niet nodig. Cinnamons zijn er voldoende en ook in uitstekende kwaliteit. De kwaliteit van de cinnamons loopt beslist niet terug als men gedurende een aantal jaren cinnamon aan cinnamon paart, op voorwaarde natuurlijk dat men de gebruikelijke selecties toepast.
De beste cinnamons, die ik de afgelopen jaren zag, hadden een dichte brede bevedering, meer het mediumtype. Stem daarop uw fokparen zoveel mogelijk af.

 

 

Opaline grasparkieten

 

Opaline

De beste paring voor het fokken van opalinen is opaline x opaline.
Vermijd het inkruisen van factoren die voor de fok van opalinen niet nodig zijn.
Voor de fok van opalinen hebben we ook de normaalserie niet strikt nodig. Opalinen zijn er voldoende en ook in uitstekende kwaliteit. De kwaliteit van de opalinen loopt beslist niet terug als men gedurende een aantal jaren opaline aan opaline paart, op voorwaarde natuurlijk dat men de gebruikelijke selecties toepast. Voor een noodzakelijke outcross kan een normale/opaline man gebruikt worden.
Stem uw fokparen af op het verkrijgen van zoveel mogelijk nafok met het medium veertype.
Belangrijk is verder dat u streng selecteert op de ondulatietekening. Deze moet regelmatig zijn en scherp afsteken tegen de ondergrondkleur van het vleugeldek, welke voor opalinen dezelfde kleur moet zijn als de lichaamskleur.
Kijk voor de kleurslagen, Opaline groen, Opaline blauw, Opaline grijs, Opaline violet en Opaline grijsgroen naar de tips die ik hierover bij de normaalvogels heb gegeven.

In sommige landen is de zogenoemde prachtopaline in de standaardeisen voor grasparkieten opgenomen. Hierbij gaat het om een opaline-variëteit met alle eigenschappen van de gewone opaline, maar waarbij de vleugeltekening in het midden van de vleugels ontbreekt en er enkel nog tekening te zien is aan de buitenste rand van de vleugel. Bij deze variëteit is de mantel meestal geheel vrij van enige tekening. In Nederland beschouwd men de prachtopaline als een opaline met een slechte vleugeltekening, ergo als een miskleur.

 

Lutino grasparkieten

 

Lutino

Van de ino-groen (lutino) kennen we twee variëteiten:
- de oorspronkelijke ino-groen met witte vleugel- en staartpennen;
- een variëteit met geel doorgekleurde vleugel- en staartpennen.


Uitgangspunt bij de fok van ino-groen is dat we over fokvogels moeten kunnen beschikken met een maximaal bezit aan psittacine en zo weinig mogelijk melaninebezit. De diepovergoten groenen bijvoorbeeld zijn als partner voor de ino- groenen te prefereren boven de groene normaalvogels.
Voor de fok van de oorspronkelijke ino-groen variëteit bieden - om te beginnen - de volgende paringen het meeste perspectief:
- ino-groen x diepovergoten D-groen;
- ino-groen x diepovergoten DD-groen;
- ino-groen x diepovergoten opaline D-groen;
- ino-groen x diepovergoten opaline DD-groen;
- ino-groen x D-groen;
- ino-groen x DD-groen;
- ino-groen x opaline D-groen;
- ino-groen x opaline DD-groen.

Uit bovenstaande paringen komen split ino-groen mannen en ino-groen poppen.
In de volgende jaren kunnen dan de beste split ino-groen mannen met een donkerfactor aan de meestbelovende ino-groen poppen gepaard worden.

De paring ino-groen x ino-groen valt meestal tegen, omdat uit deze paring zelden jongen geboren worden die beter zijn dan de oudervogels. Alleen wanneer men in het bezit is van een goed doorgefokte stam, kan de paring ino-groen x ino-groen succesvol zijn.
Sommige liefhebbers gebruiken grijsgroen als partner voor hun ino-groenen. Mijn advies: niet doen! De Australisch grijsfactor heeft namelijk een zeer nadelige werking op de gele kleur doordat deze te dof wordt en glansloos overkomt.
Vermijd ook het gebruik van de cinnamonfactor. Ino-groenen die tevens de cinnamonfactor bezitten tonen veelal een bruinachtige vleugeltekening. Hetzelfde geldt voor ino-groene mannen die split zijn voor lacewing. Deze factor dus ook niet in uw ino-groen foklijn brengen.
Gebruik ook nooit de geelmaskerfactoren in uw ino-groen stam. De geelmaskerfactoren reduceren, het gele psittacine in de bevedering en voor een goede ino-groen is een maximaal psittacinebezit een allereerste vereiste.
Wel kan men bij de fok van ino-groen zonder bezwaar gebruik maken van opaline vogels. Ook flecky-headed vogels die voor de fok van normaalvogels niet wenselijk zijn, zijn voor de fok van ino's vaak uitstekend te gebruiken.

Stel u fokparen verder zo samen dat zoveel mogelijk mediumveertypes in de nafok verschijnen.
Tenslotte nog dit: zolang uw ino groenen nog groene aanslag vertonen, wat wijst op de niet volledige werking van de ino-factor, verdient het aanbeveling steeds één of twee donkerfactoren in te fokken. Hoewel de donkerfactoren geen enkele invloed hebben op de kleurdiepte van de ino-groen, hebben ze wel invloed op de groene waas waardoor dit minder storend werkt omdat het minder opvalt.

Voor de fok van ino-groenen met doorgekleurde vleugel- en staartpennen hebben we de Australisch bontfactor nodig. Hollands bont zou ook kunnen, maar gelet op de fysieke eigenschappen die aan de fokvogels gesteld moeten worden, valt de Hollands bonte vooralsnog af.
De te gebruiken bonte hoeft voor wat betreft zijn tekening niet aan de standaardeisen te voldoen. Integendeel, mijn voorkeur gaat uit naar een Australisch bonte met zo min mogelijk pigmentbezit. Wél dient streng geselecteerd te worden op diep doorgekleurde vleugel- en staartpennen.
Paringen met perspectief zijn:
- Australisch bont diepovergoten D-groen x ino groen;
- Australisch bont diepovergoten DD-groen x ino groen;
- Australisch bont D-groen x ino groen;
- Australisch bont DD-groen x ino groen.


Hoewel het een wat langere weg is, heb ik hier bewust gekozen voor de paring Australisch bonte man x ino groen pop. De kwaliteit van de Australisch bonte mannen is namelijk over het algemeen beter dan van de poppen.
Uit bovenstaande paringen komen - als we ervan uitgaan dat de mannen enkelfactorig Australisch bont zijn - Australisch bonte mannen en poppen en normale mannen en poppen, alle mannen zijn split voor ino-groen.

Tweede jaar:
Australisch bont/ino-groen x ino-groen.
Hieruit kunnen we een aantal ino-groen mannen en poppen verwachten. De ino-groenen die de Australisch bontfactor maskeren zijn te herkennen aan de doorgekleurde vleugel- en staartpennen.

Zet vervolgens minimaal twee foklijnen op en probeer via verwante paringen kwaliteit ino's te fokken. Wanneer streng geselecteerd wordt en de visuele kwaliteiten goed zijn, bieden de volgende verparingen doorgaans goede perspectieven:
- neef x nicht;
- oom en nicht;
- grootvader en kleindochter.

Deze en vergelijkbare familieverparingen kunnen vele generaties worden doorgevoerd mits streng geselecteerd wordt en de kwaliteit goed blijft. Vermijd echter nauw verwante paringen als broer x zus, moeder x zoon en vader x dochter omdat op die manier de zichtbare en verborgen tekortkomingen versterkt tevoorschijn treden. Wanneer de vruchtbaarheid terugloopt, is het de hoogste tijd een outcross toe te passen.

 

Albino grasparkieten

 

Albino

Tips voor de fok van albino grasparkieten

 

Goede paringen zijn:
- albino man x diepovergoten grijze pop;
- albino man x diepovergoten grijze opaline pop;
- albino man x grijze pop;
- albino man x grijze opaline pop;
Uit deze paringen komen split albino mannen en albino poppen.

In het tweede jaar kunnen dan de uitgeselecteerde en in orde bevonden jongen onderling gekruist worden.

Een andere methode om goedgekleurde albino's te fokken is die in combinatie met de Australisch bontfactor. Hiervoor nemen we dan bij voorkeur een grijze Australisch bonte man.
Mik in de nafok op het medium bevederingtype of op een veertype tussen medium en partial buff. Wanneer u voor het grovere veertype kiest, waak er dan voor dat de bevedering niet te los wordt.
Vermijd het infokken van de cinnamonfactor en de gekoppelde factoren ino_cinnamon (ino_cin = lacewing).

 

Lacewing grasparkieten

 

Lacewing geel

Paringen met perspectief zijn:
- gele lacewing man x D-groene cinnamon pop;
- gele lacewing man x DD-groene cinnamon pop (indien de

  lacewing mannen de enkele of dubbele donkerfactor maskeren,

  kunnen eventueel ook groene cinnamon poppen als partner  

  gebruikt worden):
- D-groene cinnamon/lacewing man x gele lacewing pop;
- DD-groene cinnamon/lacewing man x gele lacewing pop (indien

  de lacewing poppen de enkele of dubbele donkerfactor dragen,

  kunnen eventueel ook lichtgroene cinnamon/lacewing mannen

  ingezet worden).

Lacewings die uit paringen met normaal of ino vallen, hebben doorgaans een minder diepe bruine tekening. Selecteer hier streng op. Let wel: het bruin van de tekening komt pas na de eerste grote rui op volle kleurdiepte. Selecteer dus niet te vroeg op dit onderdeel.
Het beste bevederingtype voor deze kleurslag is medium.

Lacewing wit
De beste paringen zijn:
- Witte lacewing man x Australisch grijze cinnamon pop;
- Australisch grijze cinnamon/lacewing man x witte lacewing pop.

Zie verder de tips bij lacewing geel.

 

Fallow grasparkieten

 

Fallows

Er zijn niet veel liefhebbers die zich met de kweek van fallows bezig houden. Dat is voor een groot deel te wijten aan de matige kwaliteit, vooral op het punt van de fysieke eigenschappen. Een ander punt is de levensvatbaarheid van de fallows. De belangrijkste klachten zijn onbevruchte eieren, slecht uitkomen, veel sterfte in de eerste levensweek. Mijn persoonlijke ervaringen met deze grasparkietvariëteit beperken zich tot tamelijk veel uitval tijdens de eerste 6 - 7 dagen.

De fallow is net als de cinnamon een echte tekeningvogel. Hieraan moeten we de nodige aandacht schenken. Het inkruisen van de melaninereductiefactoren en de cinnamonfactor dient dan ook achterwege te blijven. Ook de verschillende fallowvariëteiten moet men niet met elkaar verparen.

Gelet op de fysieke eigenschappen kan men de eerste jaren het beste uitsluitend normaal/fallow x normaal/fallow met elkaar paren. Voor het verkrijgen van groene fallows kan men het best de paring groen/fallow x groen/fallow toepassen. Ook de paring lichtgroen/fallow x lichtgroen fallow/blauw of omgekeerd is goed mogelijk.

Mik zoveel mogelijk op het medium bevederingtype in de nafok, maar beslist niet grover anders wordt de tekening te wazig.
Selecteer verder op een zo groot mogelijk contrast diep gekleurde vleugeltekening - lichaamskleur.

 

Naschrift

Bij het lezen van “Tips voor de fok van…” zal u niet ontgaan zijn dat ik telkens het bevederingtype van de grasparkiet erbij haal. Dat heeft ook een reden. Wie goede grasparkieten qua type en kleur wil fokken, krijgt hier bij elke koppeling van zijn vogels mee te maken. Derhalve adviseer ik u zich op de hoogte te stellen van de verschillende veertypes bij de grasparkiet. Persoonlijk ben ik van mening, dat de grasparkietfokker die zich niets aan het bevederingtype van zijn vogels gelegen laat liggen, het op de tentoonstelling nauwelijks verder zal schoppen dan schappenvuller, eens in de zoveel jaar een toevalstreffer daargelaten.
Alle grasparkietliefhebbers wens ik veel succes!

 

H.W.J. van der Linden