DE WOMPOO VRUCHTENDUIF

Ptilinopus magnificus puella (Lesson & Garnot, 1827)

 

Algemeen

Vruchtenduiven behoren net als de gewone duiven tot de grote Familie Columbidae. Deze grote duivenfamilie is onderverdeeld  in een aantal subfamilies. Een daarvan is de sub-familie Ptilinopidae waarin de echte vruchtenduiven zijn ondergebracht. Ze worden vruchtenduiven genoemd omdat ze  hoofdzakelijk vruchten eten. De  belangrijkste kenmerken van vruchtenduiven zijn een zeer brede snavel waardoor ze grote vruchten kunnen inslikken, een tamelijk  brede voet en een bevederd loopbeen. Verder hebben ze een  kleine langgerekte maag, die zeer zwak gespierd is. Ook het darmkanaal is beduidend korter dan dat van zaadetende duiven.

De sub-familie Ptilinopidae telt maar liefst 39 soorten,  de een nog mooier gekleurd en getekend dan de ander. De grondkleuren zijn groen, geel en grijs, daarnaast bezitten ze rode, zwarte, blauwe of purpergekleurde tekeningen.

Een van de meest fraaie vruchtenduiven is de Wompoo vruchtenduif, Ptilinopus magnificus (Temminck, 1921). Hiervan onderscheidt men zeven ondersoorten, die ik volledigheidshalve hieronder vermeld:

Ptilinopus magnificus magnificus (Temminck, 1821)

Ptilinopus magnificus assimilis (Gould, 1850)

Ptilinopus magnificus interpositus (Hartert, 1930)

Ptilinopus magnificus keri (Mathews, 1912)

Ptilinopus magnificus poliurus (Salvadori, 1878)

Ptilinopus magnificus  septentrionalis (A. B. Meyer, 1893)

Ptilinopus magnificus  puella (Lesson & Garnot, 1827)

 

Over de laatstgenoemde ondersoort puella, de Wompoo vruchtenduif van de Vogelkop, wil ik het hier verder hebben.

 

Beschrijving van de ondersoort Ptilinopus magnificus puella

Man en pop: Lengte ongeveer 30 cm. Kop en nek tonen parelgrijs. Keel en borst zijn glanzend purperkleurig; buik, flanken en onderstaartdekveren heldergeel. De rug en het grootste gedeelte van het vleugeldek zijn smaragdgroen; diagonaal over de vleugels loopt een onderbroken vleugelbalk bestaande kleine witte vlekjes op de secundaire vleugeldekveren..De grote vleugelpennen zijn zwart evenals de bovenzijde van de staart; de onderzijde van de staart is donkergrijs. De snavel is aan de basis roodachtig, voor het overige geel. Ogen donker met dieprode iris; rondom het oog loopt een helder blauwe oogring. De poten zijn blauwgrijs; nagels donkergrijs.

Jonge wompoo’s zijn wat valer van kleur en tonen hier en daar groene vlekken.

 

Verspreidingsgebied: Vogelkop (Noordwest Nieuw Guinea) en nabijgelegen eilanden

 

Biotoop en leefwijze

Het is vooral een bewoner van de randen van het regenwoud. Bezoekt soms ook wel cultuurlandschappen met veel fruitdragende bomen en kleine bosjes. Het zijn echte boombewoners die zelden op de grond komen, meestal alleen om wat te drinken of om zich te baden. Ze voeden zich in hoofdzaak met de vruchten die het regenwoud voortbrengt. De belangrijkste voedselbronnen  van deze duiven behoren tot de families van de vijgachtige, de laurierachtige, en de palmachtige bomen. Onderzoeken in Nieuw Guinea hebben uitgewezen dat het menu van deze vruchtenduiven, over het hele jaar genomen, neerkomt op meer dan vijftig vruchtensoorten. De duiven verplaatsen zich telkens al naar de vruchten van verschillende bomen rijpen. Op hun voedertochten rukken de duiven de vruchten van de boomtakken en bosranken en slikken die vervolgens heel in. Hierbij komt hun brede snavel goed van pas, want ook grotere vruchten kunnen op die manier in een keer verorberd worden. Tijdens het foerageren hangen de duiven als acrobaten aan de takken en twijgen zoals we dat ook van de papegaaiachtigen kennen. Ondanks hun kleurrijke verschijning zijn ze in het hoge bladerdek moeilijk te vinden en ze laten zich dan ook het best lokaliseren door hun roep en het geluid van vallend fruit als ze foerageren. Als regel leven deze duiven paarsgewijs. In de broedtijd ziet men ze ook wel alleen, maar als er fruit in overvloed is vormen ze vaak kleine vluchten.

 

Voortplanting in de wildbaan

Het broedseizoen van deze duif in de wildbaan  begint gewoonlijk in het midden van het droge seizoen en eindigt in het begin van het regenseizoen. Als nestplaats kiezen ze een horizontaal gevorkte tak of  blad van een palmboom op niet al te grote hoogte (gewoonlijk tussen 3 en 4 m) uit. en bouwen daarop een slordig, tamelijk groot, plat nest van stokjes, takjes en twijgjes,  zoals we dat van de meeste duivensoorten kennen. Doffer en duivin dragen elk een deel bij aan de bouw van het nest. Het legsel bestaat uit slechts één ei; kleur wit. Men kan het soms van onder door het doorzichtige bouwsel zien liggen. Beide duiven broeden, de doffer overdag de duivin ’s nachts. De broedduur is ongeveer 21 dagen, eerder iets langer dan korter. Doffer en duivin verzorgen samen de jongen; nesttijd ongeveer veertien dagen. Elk jaar wordt slechts één jong grootgebracht, maar als de eerste ronde om de een of andere reden mislukt, willen ze nog wel eens opnieuw beginnen.

 

Avicultuur

Deze vruchtenduif is extreem zeldzaam in volièremilieu en dat geldt zeker voor de particuliere liefhebber. Wompoo’s gedijen alleen als ze over een ruime en rond de  20° Celsius of iets hoger verwarmde binnenvolière kunnen beschikken, waarmee niet gezegd is dat ze bij mooi zomerweer overdag niet eens naar een aansluitende buitenvolière zouden mogen. Als voedsel kan men ze een salade voorzetten van in blokjes gesneden appel, peer, meloen, banaan, kiwi en tomaat, waaraan wat gedroogde insecten zijn toegevoegd.  Dit kan verder aangevuld worden met voorgeweekte krenten en rozijnen, alsmede in stukjes gesneden gekookte wortel. Ook verse lijsterbessen, vlierbessen en vogelkers, gaan er wel in. Er bestaan ook speciale voeders voor vruchtenetende duiven, waarmee geen universeelvoer wordt bedoeld. Let er wel goed op, dat deze voeders een laag ijzergehalte bezitten, dit om ijzeropstapelingen in het lichaam te voorkomen. Vers drink- en badwater dient steeds ter beschikking te staan, evenals grit, maagkiezel en mineralen. Broedresultaten met deze duif zijn  voor zover ik weet in Nederland nog niet behaald.

 

Tekst: H.W.J.  van der Linden