ROODKUIFKARDINAAL

 

De roodkuifkardinaal, Paroaria coronata, werd ruim twee eeuwen geleden ontdekt en in 1776 voor het eerst door de ornitholoog Müller wetenschappelijk beschreven. Al in 1783 waren ze in de diergaarde van Londen te zien. Ook thans nog worden ze regelmatig ingevoerd en tegen redelijke prijzen aangeboden.

 

Herkomst

Oost-Bolivia, Paraguay, het zuiden van Brazilië en het noorden van Argentinië.

 

Beschrijving

Lengte ongeveer 18,5 cm. Kop, kuif en de op de kropstreek puntig toelopende bef zijn scharlakenrood. Het rugdek heeft verschillende grijstinten; de mantel is asgrijs, de nek iets lichter grijs en bezet met kleine eivormige witte vlekjes, de vleugels donkerleigrijs met lichte veerzomen, staart donkerleigrijs. De onderzijde van het lichaam is wit evenals de halszijden; de flanken zijn grijs bewaasd. Oogkleur roodbruin. De snavel heeft een lichte hoornkleur. De poten zijn donkergrijs; nagels zwart. Het geslachtsonderscheid is minimaal. Veelal is de pop iets kleiner dan de man, anderzijds is bij haar het rood iets minder fel en niet zo uitgebreid.

 

Biotoop

In de vrije natuur leven deze vogels in vochtige, met dicht struikgewas begroeide streken, vaak langs de oevers van rivieren en waterlopen. Het voedsel bestaat uit allerlei zaden, bessen, en insecten. Ze nestelen in hoogopgeschoten struiken, zelden in bomen.

 

Verzorging en huisvesting

Roodkuifkardinalen komen het beste tot hun recht in een goed beplante buitenvolière waarin ze - mits er voldoende beschutting is - zomer en winter kunnen verblijven. In het algemeen passen ze zich uitstekend aan ons klimaat aan. Het zijn zeer beweeglijke vogels. De zang is melodieus. Tegen kleinere vogels kunnen ze wel eens agressief zijn, vooral in de broedtijd moet hiermee rekening worden gehouden.

Als hoofdvoedsel kan een zaadmengsel gegeven worden, zoals aan grote parkieten verstrekt wordt met haver, hennep en zonnebloempitten. Voorts dagelijks wat fruit in de vorm van appel, peer, lijsterbessen, rozenbottels en de bessen van de vuurdoorn evenals enkele meelwormen. Ter afwisseling kan in melk geweekt brood en hard gekookt ei aangeboden worden. De vogels zijn verzot op baden, fris badwater mag dus nimmer ontbreken.

 

Fok

Een kennis van mij fokt al enkele jaren met deze vogels. Zijn volière meet 4 x 3 m en is 2 m hoog. Deze is beplant met buxus, thuja, vliegden, liguster en verschillende juniperussoorten.

Behalve het koppel roodkuifkardinalen is de vlucht bevolkt met een koppel Californische kuifkwartels en een paartje Bourke's parkieten.

Eind april begin mei beginnen de vogels broedrijp te worden en wordt met de nestbouw begonnen. Meestal bouwt de pop een vrijstaand nest in een dichte struik, maar ze heeft ook al een paar keer gebroed in een verdekt opgehangen harzernestkastje. Als nestmateriaal worden dunne twijgjes, takjes, vezels en dierlijk haar gebruikt. Het nest is komvormig en te vergelijken met een merelnest, doch kleiner en van binnen afgewerkt met haren. Hierin legt de pop drie soms vier eieren, die een groenachtig witte ondergrondkleur hebben met bruingrijze spikkels en vlekken, vooral aan de stompe pool. De pop broedt vrijwel alleen. Enkel als ze van het nest komt, gaat de man wel eens op de eieren zitten. Na 14 dagen komen de eieren uit, doch niet gelijktijdig. Er zit meestal enkele dagen verschil tussen het eerste jong en het laatste.

De jongen worden door beide ouders gevoerd, vrijwel uitsluitend met levend voer. Alles wordt genomen: maden, meelwormen, ritnaalden, spinnen, keldermotten, oorwormen, mierenpoppen. Ook wordt in melk geweekt brood en hardgekookt ei geaccepteerd. De jongen groeien zeer snel. Al op de zesde dag moeten ze geringd worden; ringmaat 4 mm.

Tijdens de opfokperiode wordt het nest pijnlijk schoon gehouden. Op een leeftijd van 15 dagen vliegen de jongen uit. Vliegen kan men het echter nauwelijks noemen. Ze vallen als het ware fladderend uit het nest en brengen de eerste dagen praktisch op de grond door tussen het dichte struikgewas. Beide ouders, maar vooral de man, blijven de jongen nog ongeveer 14 dagen met hun zorg omringen en voeren. Daarna zoeken ze hun eigen kostje op.

Als de jongen uitvliegen hebben ze een vaal roestbruine kop en zijn doffer en donkerder grijs dan de ouders. De buikzijde is geelachtig wit. De staart nog kort. De ogen zijn zwart en de poten donker bruingrijs. Na een paar maanden beginnen ze te kleuren.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden